Een tijdje geleden las ik in de VPRO-gids de wekelijkse bijdrage van A.L. Snijders: Vijftien. Zijn stukjes zijn meestal aardig, goed geschreven, geen kale pretenties en uit het leven gegrepen. Hij wordt ongetwijfeld geacht over tv of radio te schrijven, en bij voorkeur over de programma’s van zijn eigen omroeporganisatie, maar Snijders is geen dwangmatige tv-kijker en heeft het meestal over zichzelf. Ditmaal ging het over een incident uit zijn tijd als leraar. Hij herinnerde zich hoe hij voor het eerst een jongen uit de klas had gestuurd en stelde zich de vraag: wat zou ik hebben gedaan als de leerling had geweigerd om op te stappen? Het ligt misschien voor de hand om aan fysiek geweld te denken, maar Snijders is geen vechter en zou eerder naar een ver oord zijn geëmigreerd, ergens in Zuid-Amerika. Iemand had hem later geschreven over een soortgelijk incident. Toevallig had de briefschrijver op dezelfde school gezeten, maar niet in de klas van Snijders. Hij staat inmiddels zèlf voor de klas en zag zich evenals Snijders genoodzaakt een jongen weg te sturen, gelukkig met dezelfde afloop. Het verschil: de klas van Snijders was klein en overzichtelijk, maar de briefschrijver was docent in een lokaal met 250 studenten. Snijders had hem geschreven: Dat je iemand uit zo’n horde durft te verwijderen maakt je tot een moedig man. Ik bewonder je.

Uit de krant begreep ik dat het aantal gegadigden voor een lerarenopleiding opnieuw is teruggelopen in Nederland – alleen al het vooruitzicht voor grote klassen te staan met ongemotiveerde leerlingen die met tegenzin hun schooltijd doorlopen lijkt me een voldoende reden om die beker inderdaad aan je voorbij te laten gaan. Hoe idealistisch moet je zijn om dagelijks voor een horde te staan?

Maar er is meer. Ik denk vaak aan het gedicht Woestijn van Ida Gerhardt, die ook een flink deel van haar leven voor de klas heeft doorgebracht. In haar Sonnetten van een leraar schrijft ze niet over vervelende leerlingen–ik vermoed dat het bij haar op het gymnasium rustig is geweest, zoals dit schooltype nog steeds een beter soort publiek aantrekt. De enige uitzondering is een collega die ze haat (de streber) en de treurige fysieke omstandigheden van haar werk; na al die tijd is er nog niet veel veranderd, schat ik:

Geen enkel raam dat werkt. De tocht der buitendeur
tot in de laatste hoek der schilferige gangen.
En zwijg van de wc’s.–Een nameloze geur
blijft veertig weken aan de klamme muren hangen.

Lokalen, vaalgeworden platen: vochtvlek, scheur.
Flarden gordijnen schuiven langs verroeste stangen.
Orpheus–met inktmop-ogen–slaakt zijn laatste zangen.
De Gratiën, kromgetrokken, oefenen horreur.

Zet u niet op die stoel: ge valt, als Eli, dood;
tussen zitting en de leuning geen synthese–
Steun op tafel niet: hij heeft een manke poot.

Wat op de banken staat, moet ge vooral niet lezen.
–Trek recht uw rug en arbeid voor uw dagelijkse brood.
Gij kunt, aan dèze tucht, tot eerlijkheid genezen.

Ik ben nooit leraar geweest maar ben al tijdens mijn studie gaan doceren aan de universiteit. Als middelbare scholier was ik zèlf een klier van een jongen die om de haverklap de klas werd uitgestuurd. Ik had overigens nooit de neiging in het lokaal te blijven zitten als dat gebeurde, ik denk dat ik er plezier in had om buiten te lopen als de rest van de klas gewoon ‘school’ had. Voor strafwerk was ik immuun, ik denk dat ik weigerde om daaraan mee te doen. Ik kan me zelfs een leraar herinneren die principieel weigerde mij te onderwijzen; hij begon pas met zijn les als ik de deur achter me had dichtgetrokken en uit het oog verdwenen was.

Bij zo’n stukje als dat van Snijders voel ik schaamte opkomen, hoewel ik me niet kan herinneren dat mijn leraren destijds een onzekere, machteloze indruk maakten, integendeel–volgens mij waren het eerder autoritaire bullies. Met sommigen kon ik het trouwens uitstekend vinden.

Mijn middelbare schoolloopbaan was, begrijperlijkerwijs, problematisch. Ik kon op een gegeven moment in mijn woonplaats met goed fatsoen niet meer naar een nieuwe school na van enkele eerdere scholen te zijn weggestuurd. Door ingrijpen van mijn vader belandde ik uiteindelijk op een streng internaat, ergens in het hoge noorden, en van schrik heb ik toen in rap tempo mijn schooltijd voltooid en mijn eindexamen gehaald. Wonder boven wonder met hoge cijfers: de lacunes in mijn taalkundige en wiskundige bagage voel ik nog iedere dag.

Ik kwam op de universiteit toen de schoolsheid nog niet had toegeslagen. Het aantal eerstejaars studenten was overzichtelijk, er bestonden ruime mogelijkheden tot contact met docenten. Pas op het eind van mijn universitaire loopbaan, laten we zeggen zo’n tien tot vijtien jaar geleden, begon de sfeer opvallend te veranderen. Studenten duidden hun docenten aan als ‘leraren’, spraken over opdrachten als ‘huiswerk’, gingen niet naar college maar naar ‘les’ en zaten met hun medestudenten in de ‘klas’. De vanzelfsprekendheid die mijn generatie werd bijgebracht om te studeren–vele uren doorbrengen in de bibliotheek, zelfwerkzaamheid, discussiebijeenkomsten, schrijfoefeningen–was op een gegeven moment totaal verdwenen; studenten vroegen om ‘contacturen’: ze wilden in de klas zitten met docenten (‘meesters’) die ze voorkauwden wat ze geacht werden te doen en alle tijd die niet in de klas werd doorgebracht was ‘vrije tijd’, van lezen en ‘zelfstudie’ heb ik noot meer iets gemerkt. Vrijwel alle studenten in Amsterdam hadden baantjes en de studie leek in toenemende mate een bijkomstigheid te worden. Als iemand zakte voor een tentamen lag dit aan het ‘systeem’, het fenomeen ‘herkansing’ werd ingevoerd, wat er op neerkwam dat studenten net zo vaak tentamen konden doen tot ze eindelijk geslaagd waren.

In de ‘klas’ werd ook geklierd, ik heb het verschijnsel tot mijn verbazing zien opkomen; eerst denk je dat het een incident is, na verloop van tijd realiseer je je dat er een omslag heeft plaatsgevonden. Het begon ermee dat studenten krantjes lazen tijdens colleges (pardon: de ‘les’), maar al spoedig veranderden de achterste rijen van de collegezalen in een soort cafetaria’s waar koffie werd gedronken en hartstochtelijk werd gekletst. Je hoorde allerlei collega’s klagen over ‘ordeproblemen’ en sommigen schreven erover in universiteitsbladen of in de krant. Ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat ik nooit iemand uit mijn gehoor heb weggestuurd, maar ik heb herhaaldelijk met veel irritatie in mijn stem het gehoor verzocht stil te zijn of anders te verkassen naar een echt cafetaria. Meestal hielp dat, toch heb ik er een sterk gevoel van bevreemding aan overgehouden: wat doen die mensen op de universiteit als ze zo demonstratief ongeïnteresseerd zijn? Ach ja, natuurlijk, de politiek wil het: iedereen een diploma–maar helaas is lang niet iedereen geschikt voor een wetenschappelijke loopbaan, al mag je dat geloof ik niet hardop zeggen.

Een paar weken geleden verscheen de nieuwe Granta (nr 132, zomer 2015), ditmaal gewijd aan Possession, zoals gewoonlijk een prachtnummer. Ik las een verhaal van de Amerikaanse schrijver Marc Bojanowski: This Is New. Een mooi poëtisch verhaal over hoe een vader (duidelijk de schrijver zelf) met zijn dochtertje, nog een kleuter, wandelingen maakt om naar de kraaien te kijken. Iedere namiddag verzamelen zich duizenden vogels bij het plaatselijke kerkhof, all cronking and cawing, a regular murderers’ row of motion and noise. Het dochtertje is iedere keer weer gefascineerd: quo, daddy, quo, quo.

Langzaam wordt duidelijk waarom vader en dochter deze gewoonte hebben opgevat: hij is ‘huisman’, zoals dat in Nederland wordt genoemd, zijn vrouw verdient de kost. Maar dat is niet altijd zo geweest. Hij was docent aan de universiteit en hij hield zielsveel van dat werk:

there’s noting like that feeling when someone fully understands something complicated because of something you’ve articulated and demonstrated over time. That feeling is addictive. It is, in the old sense of the word, awesome.

Op een dag was er iets voorgevallen tijdens college. De docent vertoonde een documentaire, de collegezaal was verduisterd, maar een jonge vrouw had blijkbaar geen zin om te kijken, ze zat te prutsen aan haar mobiele telefoon. Hij liep naar haar toe en vroeg beleefd of ze het telefoontje wilde wegstoppen.

Ik heb die film al gezien.
Nou, kijk dan nog eens, het is belangrijk.
Niet voor mij.
Is het niet belangrijk om te studeren?
Klets niet, ik ben hier om iets te leren.
Leer dan.
Dit is geen leren. U probeert me te vertellen wat ik moet denken.

De docent realiseert zich met afgrijzen dat dit niet zomaar een stompzinnig juffie is met een grote bek, maar iemand die laat doorschemeren dat ze zich verveelt–onbereikbaar voor de rede.

Het incident groeit uit. De studente weigert niet alleen haar telefoontje op te bergen, ze neemt op wat de docent tegen haar zegt. Bojanowski schrijft:

Ik deed een stap naar voren en sloeg de telefoon uit haar hand, pas toen ik het apparaat op de grond hoorde kletteren, besefte ik wat ik had gedaan.

Hij werd op staande voet ontslagen–de studente was bovendien ook nog zwart in een groep van blanken en latino’s; de vakbond waar hij lid van was, wilde niet eens met hem praten over het incident.

I knew my career as a teacher was over.

Afgaande op de toespraken die dit jaar zijn gehouden bij de opening van het academische jaar zal er door onze onderwijsinstellingen een frisse wind gaan waaien: Bildung is het nieuwe steekwoord.
Ik vrees dat we daar niet al teveel van mogen verwachten, de verloedering is al veel te ver voortgewoekerd.