Wie Chicago een beetje kent, weet moeiteloos 1250 East 54th Street te vinden. Handig als je daar op bezoek gaat: het 12e blok ten oosten van State Street en het 54ste blok ten zuiden van Madison Street. Het schaakbordpatroon van veel Amerikaanse steden biedt overzichtelijkheid en vertrouwdheid, je zult er niet snel verdwalen. De blokken hebben identieke afmetingen en (dikwijls) dimensies – als je vier blokken verderop moet zijn, hoef je niet te raden hoe ver dat is, de afstanden liggen vast. Bovendien veranderen straten gewoonlijk niet van naam, ook als een straat twintig of dertig kilometer lang is, heet hij nog steeds hetzelfde.

Ik ontleen bovenstaand adres trouwens aan socioloog Howard Becker. Hij noemt het als voorbeeld in een paragraaf over stedelijke oriëntatie in zijn laatste boek, het onlangs verschenen What About Mozart? What About Murder? (University of Chicago Press, 2014) – hij is geïnteresseerd in concrete ‘gevallen’ van menselijk gedrag en in de vraag hoe je vanuit zulke gevallen tot algemene uitspraken kunt komen. De opmerkingen over het vinden van je weg in de stad passen in een uiteenzetting over het maken van vergelijkingen. Als je aan de Amerikaanse oriëntatie gewend bent, betoogt hij, sta je niet onmiddellijk open voor alternatieve manieren om de ruimte te organiseren maar ben je eerder geneigd om onbekende steden in het buitenland te beschouwen als misvormde, onvolledige of afwijkende versies van het ‘eigen’ schaakbordpatroon.

 

 

Dat wat je gewend bent lijkt ‘natuurlijk’, je hoeft er niet over na te denken en het is vaak een schok als je tot het besef komt dat het elders op een andere manier beleefd wordt. Kevin Lynch heeft zich al in een grijs verleden met dit soort kwesties beziggehouden, als architect en stedenbouwkundige was hij geïnteresseerd in de ‘leesbaarheid’ van steden. Een duidelijk identificeerbare omgeving biedt veiligheid en draagt bij aan de intensiteit van de ‘menselijke ervaring’, schreef hij in zijn klassieke The Image of the City (1960) en hij baseerde zich hierbij niet alleen op antropologisch onderzoek bij woestijnvolken en bewoners van oerbossen, maar ook op ervaringen van moderne stedelingen. Je zult tegenwoordig niet meer snel verdwalen in een moderne stad, je bent omgeven door andere mensen, er bestaan plattegronden, straatnaambordjes, verkeersborden en tal van andere aanwijzingen om op af te gaan – om maar te zwijgen over zoeksystemen op je mobiele telefoon of tablet – maar wie de weg kwijt is, ervaart gevoelens van angst en soms paniek. Ik heb nog herinneringen aan zekere gevoelens van onzekerheid tijdens verdwaaltochten door sloppenwijken van Mumbai – smalle, donkere steegjes en geen enkel concreet aanknopingspunt – bovendien dikwijls onoverkomelijke taalproblemen.

Bijna dagelijks merk ik dat het nog niet zo simpel is om aan buitenlanders uit te leggen hoe Amsterdam in elkaar zit. Ik woon op een plek waar je nu eenmaal regelmatig wordt aangeklampt door mensen die de weg kwijt zijn; hoewel het red light district praktisch om de hoek ligt, zijn mensen toch in staat om tussen het Rembrandtplein en de Nieuwmarkt hun oriëntatie te verliezen; het Rembrandthuis, de Waterloopleinmarkt, de Dam, het Centraal Station, allemaal populaire bestemmingen die als sneeuw voor de zon lijken te verdwijnen als je eenmaal door Amsterdamse straatjes zwerft. Misschien dat de mobiele telefoon wél uitkomst zou bieden, maar dat kan ik uiteraard niet weten, ik vraag er niet naar, spreek alleen zoekende mensen. Soms laten mensen me hun bestemming zien op een plattegrond, er staat een cirkel omheen en pijlen naartoe, maar dat schijnt niet te helpen. Het valt me op dat de kaart vaak op z’n kop wordt gehouden en ook dat de kaartjes zo klein zijn dat je er de straatnamen nauwelijks op kunt ontcijferen; tja, sommige kleine Amsterdamse straatjes hebben lange namen. Die nauwelijks uit te spreken zijn met al die ‘g’-klanken.

Vanaf het Centraal Station, ruwweg gesproken, lopen er radialen de stad in, richting Oost, Zuid en West (aan de overkant van het IJ ligt Noord – de stad ligt daar met haar rug naartoe). De grachtengordel vormt een gedeeltelijke omarming van het centrum, globaal gesproken vanaf het IJ tot aan de Amstel, de radialen snijden daar doorheen. De Amstel verdrinkt ergens bij de Munt, zodat er geen duidelijke grens bestaat tussen, laten we zeggen, Oost en West, zoals bij voorbeeld de Seine Parijs verdeelt in linkeroever en rechteroever of de Noord-Zuidlijn van de lokale spoorlijn Mumbai scheidt naar Oost en West: dat zijn duidelijke oriëntatiemarkeringen, onmisbaar bij het vinden van je bestemming.

 

Het Amsterdamse Centrumgebied is dooraderd met talloze kleine straatjes en steegjes die iedere toerist tot wanhoop kunnen brengen. Ook bewoners trouwens. Mijn jongste zoon kon er nooit aan wennen dat hij van de Dam naar huis moest fietsen door vier verschillende straatjes: Damstraat, Doelenstraat, Oude Hoogstraat, Nieuwe Hoogstraat – in feite één rechte lijn tussen Dam en Anthonies Breestraat, niet meer dan een paar honderd meter. Oude Hoogstraat en Nieuwe Hoogstraat liggen in elkaars verlengde, maar de Doelenstraat en de Nieuwe Doelenstraat liggen wel bij elkaar in de buurt, maar niet in elkaars verlengde. De Doelenstraat verbindt de Damstraat met de Oude Hoogstraat, de Nieuwe Doelenstraat de Munt met de Kloveniersburgwal en – zou je kunnen zeggen – de Staalstraat. Geen mathematische logica. Ook het onderscheid tussen Prinsengracht, Korte Prinsengracht en Nieuwe Prinsengracht is moeilijk uit te leggen, terwijl daar nog van een zekere continuïteit sprake is. Het komt vaak voor dat mensen op zoek zijn naar de Blauwburgwal en bij de Groenburgwal of Blauwe Brug terechtkomen, wat niet naast te deur is; ze raken ernstig in verwarring als je ze via de Grimburgwal weer terugstuurt. En wie kan moeiteloos alle negen straatjes van de ‘Negen Straatjes’ in de juiste volgorde opnoemen? De Jordaan ontleent haar charme aan de wirwar van kleine straatjes, alles op mensenmaat, maar in feite is dat het enige stuk van het centrum waar iets als een schaakbordpatroon aan ten grondslag ligt. Je kunt dan wel weer in verwarring raken als je tussen alle namen van bloemen en struiken opeens van de Elandsgracht in de Hazenstraat of Konijnenstraat belandt.

Je zou graag willen weten hoe een typische Amsterdamse oriëntatie uitpakt in andere steden. Voelen Asterdammers zich eerder op hun gemak in Parijs, Boedapest, Kopenhagen, Wenen, Antwerpen dan in Amerikaanse schaakbordsteden? Je zou bijna menen van wel: de schaal, de beloopbaarheid, de vorm van die steden hebben duidelijke overeenkomsten. Maar voor zover ik weet wordt naar dat soort vragen nooit serieus onderzoek gedaan. Ik herinner me dat ik me ooit eens volkomen misplaatst heb gevoeld in een stad, ongemakkelijk en onveilig. Het was zo’n Amerikaanse stad met een schaakbordpatroon, mathematisch voorspelbaar, overzichtelijk, kraakhelder van opzet: Phoenix, Arizona – ik was net aangekomen voor een congres en ik besloot even een blokje te gaan lopen. Na twintig minuten realiseerde ik me iets vreemds. Ik had verschillende automobilisten al onderzoekend naar me zien kijken. Was er iets aan de hand met mijn kleding? Bevond ik me ik in verboden gebied? Langzaam drong het tot me door: er liep niemand anders over straat, ik was de enige voetganger… Ik kan het niet ontkennen, paniek maakte zich van me meester.

 

illustraties
plattegrond schaakbordpatroon Manhattan; bron: www.jvw.nl
plattegrond Centrum Amsterdam; bron: www.orangesmile.com