Een pad maak je nooit in je eentje, stond in de kop van een groot stuk over de Amerikaanse auteur Robert Moor (NRC 4, 5 mei 2019). In het Wetenschapskatern, serieuzer kan het niet. Hij heeft een boek geschreven: On Trails, aanleiding om hem te interviewen. Prachtige illustraties van fotograaf Jan Dirk van der Burg die een jaar of tien geleden een boek publiceerde over paden, met name olifantspaden. Daarover gaat ook het vraaggesprek. Moor besteedt niet alleen aandacht aan door mensen gemaakte olifantspaden, maar betrekt er de dierenwereld bij, inderdaad olifanten, ook mieren. Hij ziet een belangrijke overeenkomst: olifanten zijn kuddedieren, maar mensen net zo goed en dat is volgens hem precies de achtergrond van paden: je maakt een pad dus nooit in je eentje. Hij weet het uit ervaring, vertelt hij de ondervraagster. Tijdens zijn studie heeft hij het geprobeerd: maanden achtereen stak ik op dezelfde plek een stukje af, dwars over een grasveld, in de hoop dat ik een blijvend spoor zou nalaten. Niet dus.

Ik las het stuk met belangstelling, de manier waarop mensen zich oriënteren, vooral in de stad, is een belangwekkend en weinig bestudeerd onderwerp. Maar mijn wenkbrauwen gingen af en toe omhoog. Moor zegt over olifantspaden dat ze nooit zomaar ontstaan, er moet een doel zijn dat meerdere mensen willen bereiken. Tja, wat zegt het dan dat zijn eigen pogingen mislukten? Als hij de enige was die dat plekje over het grasveld afsneed, was er blijkbaar geen doel dat door anderen werd gedeeld. Aan de andere kant vertelt hij met vertoon van geleerdheid dat de negentiende eeuwse filosoof Henry Thoreau in zijn beroemde boek Walden beschrijft dat hij, tot zijn schrik, een paadje had uitgesleten tussen zijn hut en de vijver, zijn dagelijkse wandelingetje. Je kunt dus blijkbaar wel degelijk een pad in je eentje maken, maar misschien moet je daar filosoof voor zijn. Overigens, wat Moor precies gezegd heeft, weet ik uiteraard niet, er zat tenslotte een journalist tussen.

Kun je uit olifantspaden afleiden dat mensen kuddedieren zijn? Hmmm. Zo’n uitspraak wekt mijn argwaan. Hoezo kuddedieren? Volgens mijn woordenboeken is een kuddedier, toegepast op mensen: iemand zonder individualiteit, die deel uitmaakt van de kudde, iemand die zonder eigen oordeel de massa volgt. Dat werkt bij olifanten en mieren, maar bij mensen? Moor geeft zelf een voorbeeld waaruit blijkt dat dit dus juist niet het geval is. Mieren houden zich aan de regels als ze zich van A naar B begeven, ze blijven keurig op hun lijntje lopen, maar uit onderzoek naar menselijk gedrag blijkt het tegendeel. In iedere menigte tref je mensen die, misschien uit ongeduld of welke andere overweging dan ook, tussen andere mensen door zigzaggen in plaats van geduldig met de ‘kudde’ mee te lopen. Daardoor moet vervolgens iedereen langzamer lopen, moppert Moor, veel beter kunnen we ons net als mieren aan de regels houden.

Zelf heb ik ook wel eens over olifantenpaden geschreven, onder andere in De straat op, samen met Kees Tamboer. We beschreven hoe je vroeger met de tram naar het Amsterdamse Tropenmuseum kon gaan als je een bezoek wilde brengen aan de Dappermarkt. Vóór het museum stapte je uit op de grootste tramhalte van de wereld, aan de rand van een fraai plantsoen, aan alle kanten omgeven door drukke wegen. Het was niet duidelijk wat je vervolgens geacht werd te doen. Je moest feitelijk honderd meter terug, de ‘verkeerde richting’ uit, naar het enige zebrapad tussen de halte en het trottoir. We schreven: Ja, kom zeg, dan maar recht op het doel af, dwars door het gras van het plantsoen. We betoogden dat het niet meevalt om de openbare ruimte zodanig in te delen dat alle verkeersdeelnemers goed worden bediend, maar dat in Amsterdam de voetgangers altijd de dupe zijn. Een vorm van discriminatie die burgerlijke ongehoorzaamheid uitlokt. En, concludeerden we, zo ontstaan olifantspaden, informele paden die gemaakt worden door voetgangers die de van hoger hand opgelegde route niet begrijpen of te omslachtig vinden. Vooral in tekentafelbuurten als de Bijlmer ritselt het van zulke paden. We schreven vanuit een visie die volstrekt tegengesteld is aan die van de gezagsgetrouwe Amerikaan Moor.

 


Ja, kom zeg, dan maar door het plantsoen

Navigatiekennis waar het bij paden mede om gaat, is van levensbelang voor alles en iedereen in beweging. Dat geldt zeker voor de oorspronkelijke bewoners van Amerika en Australië, waar Moor ook een woordje aan wijdt. Ik herinner me een verslag over de Luritcha, Centraal-Australië; ze werden uit hun woongebied verdreven na jaren van droogte, maar konden overleven dankzij de precieze topografische kennis van de oudere mannen in hun gemeenschap: die hadden ervaring en wisten nog wat hun ooit was verteld door hun vaders en grootvaders over de kenmerken van het woestijngebied waar ze woonden: ze overleefden doordat ze een netwerk van kleine waterputjes konden lokaliseren. Knowledge of this kind allows mobility, which may make possible a better standard of living, aldus de auteur aan wie ik het verslag ontleen.

Voetpaden zijn van betrekkelijke waarde voor groepen die voor hun levensonderhoud van de zee afhankelijk zijn, zoals de bewoners van de Trobriand-eilanden die beschreven zijn door de beroemde antropoloog Bronislaw Malinowski in zijn Argonauts of the Western Pacific. Er valt niet te laveren met de boten waarmee de Trobrianders varen, als de wind draait moeten ze terugkeren. Als het windstil is worden de boten een prooi van de sterke stromingen. Op zee kun je daardoor hopeloos verdwalen en als je vlakbij de kust bent, loop je het risico op de rotsen te pletter te slaan. Je moet in feite over olifantspaden in zee varen: de kortste weg naar je bestemming. Mocht je daarvan afwijken dat hangt je lot aan een zijden draadje: als je landt op een ‘vijandelijk’ eiland word je afgeslacht, als je tussen de rotsen lek slaat, zwem je tussen scholen bloeddorstige haaien. Navigatie vindt plaats via de sterren, wolken, het kleuren van de hemel.

Maar ook voor de bewoners van moderne, grote steden is het vinden van de juiste ‘paden’ om veilig aan de overkant te komen, van levensbelang. Dat heeft niets te maken met kuddegedrag of kuddegeest, dat heeft te maken met ontwikkelde navigatiekunst. De kans dat je door haaien of wilde stammen wordt verscheurd is klein in een stad als Amsterdam, maar de kans om door een gemotoriseerde gek van de weg gemaaid te worden is levensgroot.

 

illustraties:
Robert Moor; bron: fotograaf Donna Svennerik
Plantsoen bij Tropenmuseum; bron: fotograaf Lodewijk Brunt