Hadden er palmbomen langs het Amsterdamse IJ moeten staan? Ja, als het aan Friso Roest en Wijnand Duyvendak, beroepsactievoerders, had gelegen. Het werd nee. Het originele pleidooi voor zo’n tropische toets werd zo’n 25 jaar geleden afgestoken toen er alom plannen werden gesmeed voor de herinrichting van de strook grond tussen IJ en binnenstad: de IJ-oevers ten westen en oosten van het Centraal Station. Een immens, kilometerslang gebied. Het project groeide met vallen en opstaan en kwam oorspronkelijk voort uit zorgen om de verloedering van de De Ruyterkade waar zich al geruime tijd een trefpunt van zwervers, illegalen en zogenaamde heroïnehoertjes had gevormd. Maar de plannen zouden volgens de actievoerders veel te kostbaar en omvangrijk zijn, een soort ‘Manhattan aan het IJ’. Megalomaan en veel te ambitieus voor een stadje als Amsterdam, zegt Roest. Ik lees over hem in de VPRO gids (nr 48, 26 november/2 december 2016). Het blad interviewde Roest in het kader van een tv-programma: Onzichtbaar Nederland. Daarin zou de geschiedenis van het IJ-oeverproject worden belicht. De interviewer maakt er een aardig, romantisch jongensverhaal van: twee Hansjes Brinker die er met ludieke protesten moedig voor hebben gestreden dat het project werd afgeblazen. Ach, het is er toch gekomen, maar Roest heeft zijn begerig oog laten vallen op een volgend project, de omgeving van Amsterdam Noord: daar zal de komende tijd nog veel actie te voeren zijn.

 

 

De eerste plannen voor het IJ-oeverproject kwamen uit handen van een zogeheten PPP-constructie: een partnership van de publieke en private sector. De samenwerking werd gebundeld in AWF, de Amsterdam Waterfront Financieringsmaatschappij. Gemeente, rijksoverheid, banken. Rem Koolhaas was opgetrommeld om zijn gedachten te ontvouwen over hoe Amsterdam met dit project in de vaart der volkeren zou worden opgestuwd. In een aflevering van Nul20 (nr. 31, maart 2007) stond dat de architect een ‘bomvolle Koepelzaal in vervoering wist te brengen’. Dat was in september 1992, een paar maanden later viel het partnership uiteen: de private partij liet weten dat het project onvoldoende geld zou opbrengen om de grootschalige uitbreiding van de infrastructuur, waaronder een vierbaansweg als boulevard voor het snelverkeer, te kunnen betalen. Bovendien heeft de AWF een stedenbouwkundige visie die afwijkt van de wensen in de Amsterdamse gemeenteraad. De raadsleden willen een duidelijke aansluiting met de Amsterdamse binnenstad, de AWF denkt eerder aan een afzonderlijk stadsdeel met een eigen dynamiek. Het is een hectische periode, de vastgoedmarkt is weer eens ingezakt en de politieke verhoudingen in de stad zijn niet bepaald geschikt voor de eendrachtige uitvoering van grootse plannen, de PvdA heeft bij de laatste verkiezingen een geduchte knauw gekregen en ziet met lede ogen aan dat een Groen Links (voormalig CPN)-wethouder, Jeroen Saris, zich ontfermt over de portefeuille Ruimtelijke Ordening en IJ-oevers.

 

 

Het is moeilijk je het stedelijke klimaat van die tijd nog voor de geest te halen. Er had zich nog maar net een zekere omslag in de waardering van steden voorgedaan. ‘Steden zijn weer in’, kon je in tal van beschouwingen lezen (en horen), na een periode waarin zich een ware stedelijke exodus had voorgedaan; in Nederland verloren de grotere steden tussen eind jaren zestig en begin jaren negentig honderdduizenden inwoners, allerwegen verkommerden de binnensteden door verkeerschaos en problemen als drugsverslaving en massaal voorkomende criminaliteit. Maar langzaam trokken de stedelijke economieën weer aan. Mensen die jarenlang in nogal saaie groeikernen op het platteland hadden gewoond, werden gelokt door de belofte van een pluriform, veelzijdig leefklimaat in de stad—studenten die in vroeger jaren de stad subiet zouden hebben verlaten na voltooiing van hun opleiding, bleven in toenemende mate hangen en op grote schaal vond gentrification plaats. De Zuidoost-as in Amsterdam was in korte tijd als een soort boomtown de grond uitgeschoten. In 1992 vielen de binnengrenzen in Europa weg, de nationale eenheden moesten in economische zin plaatsmaken voor steden en stedelijke agglomeraties als de groeikernen van de toekomst.

Met dit perspectief werd het IJ-oeverproject geboren. Ontwikkelaars en stedenbouwkundigen hadden een begerig oog laten vallen op de waterfront-beweging die vooral in Noord-Amerika van de grond was gekomen. Met name in steden als Baltimore, Boston, Toronto werd de aanpak van verwaarloosde binnenhavens en rivieroevers een schoolvoorbeeld voor stedelijke revitalisering. Het Waterfront Center in Washington, DC, organiseerde sinds begin jaren 1980 conferenties voor delegaties uit de hele wereld: hoe ontwikkel je waterkanten? Zelfs als er nauwelijks water in de buurt is: … if you do not have a waterfront, then dig it! Amsterdam omarmde het idee op het moment dat de eerste kritiek naar buiten kwam: met name de gelijkvormigheid van al die projecten was een doorn in het oog van velen; steeds opnieuw zag je dezelfde elementen verschijnen: funmarkets, jachthavens, schoeners aan de kade, dure appartementen in woontorens en terrasvormige gebouwen, kantoorkolossen en, niet vergeten, een of ander cultureel centrum, een museum of concertzaal. Ook werd het verdwijnen van oude vormen van havenbedrijvigheid en andere ambachtelijke activiteiten betreurd: er ontstonden maar al te vaak eenvormige, monoculturele enclaves die waren afgescheiden van het reguliere stadsleven. Er werd in Amsterdam geen principieel andere weg gekozen.

 

 

De IJ-oevers zijn uiteindelijk ‘ingevuld’ door de gemeente, waarbij de Dienst Ruimtelijke Ordening (DRO) een hoofdrol heeft gespeeld. Veel van de bovengenoemde, algemene kritiek is ook in Amsterdam te beluisteren geweest en misschien nog wel. Of dat veel invloed heeft gehad op de plannen? Friso Roest was er vroeg bij met zijn bezwaren, maar hij was bepaald geen pionier. In de Amsterdamse Raad voor de Stedenbouw waren soortgelijke kritische geluiden al veel eerder uitgesproken. Het IJ-oeverproject is indrukwekkend als je er IJburg, het Java-eiland en het KNSM-eiland bij betrekt en helemaal als je ook de ‘goeie kant’ van het IJ beschouwt: de ontwikkeling van Amsterdam Noord. In het begin werd er aan Noord nauwelijks een gedachte gewijd, maar zo langzamerhand groeien de beide oevers duidelijk naar elkaar toe. In sfeer en karakter. Sommigen beschouwen het gebied als een guur windgat, maar de zelfbenoemde criticus van het eerste uur, Friso Roest, is er tenslotte zelf gaan wonen. Zelfs zonder palmbomen.

 

illustraties
alle foto’s genomen door Lodewijk Brunt (copyright)