India worstelt nog altijd met scherpe maatschappelijke tegenstellingen’, staat in een tussenkop bij een stuk over twee pagina’s over de Indiase verkiezingen die net begonnen zijn (NRC Handelsblad, 7 april 2014). Ruim 800 miljoen stemgerechtigden — het moet in etappes, anders zou de operatie onuitvoerbaar zijn. Half mei zijn de laatste kiezers aan de beurt. Op de vijfeneenhalfhonderd kiesdictricten zal toezicht worden gehouden door een leger van zo’n elf miljoen verkiezingsbeambten, politieagenten en soldaten. Het aantal stembureaus zit aan één miljoen en de kosten zullen minimaal een half miljard euro bedragen. Indiase verkiezingsverhalen zijn altijd boeiend. In NRC Handelsblad stonden wat voorbeelden. Het tekortschieten van transportmiddelen, bij voorbeeld. Vijf jaar geleden kon een dorpje hoog in de Himalaya niet per helikopter worden bereikt, zodat de verkiezingsautoriteiten te voet over gevaarlijke, besneeuwde bergpaadjes naar boven moesten om uiteindelijk vijfendertig mensen te laten stemmen. In het oerwoud van Gir (Gujarat) moet een stembureau worden ingericht voor één enkele kiezer; er gaat een heel team naar hem op zoek. Zoals de betrokken functionaris zei: ‘Voor elke stem doen we alles wat in onze macht ligt. Indien nodig gebruiken we daar elk denkbaar vervoermiddel bij. Helikopters, olifanten, kamelen. Soms moeten we dagenlange trektochten organiseren’. Het zal ongetwijfeld écht gebeuren, in dit specifieke geval, maar gelooft u zulke verhalen? Ik niet.

In de loop der jaren ben ik een beetje cynisch geworden over het karakter van de ‘grootste democratie van de wereld’, zoals India steevast wordt aangeduid in verkiezingstijd. Corruptie, intimidatie, grof geweld, de raadselachtige verdwijning van ontelbare stembiljetten of stemmachines, overvallen op stembureaus — het is allemaal aan de orde van de dag en zeker niet alléén maar in afgelegen streken. In Bombay, waar ik diverse verkiezingen heb meegemaakt, hadden hele buurten soms geen oproep gekregen. ‘Scherpe maatschappelijke tegenstellingen’, zeker, maar er is wel iets méér aan de hand.

De strijd zou bij deze verkiezingen vooral gaan tussen Narendra Modi, de huidige premier van Gujarat en lijsttrekker van de hindoenationalistische BJP, en Rahul Gandhi, de grote troef van de regerende Congress Party en jongste telg van de roemruchte Nehru/Gandhi-dynastie. Modi duidt zijn opponent spottend aan als de shehzada (‘het prinsje’) van het ‘sultanaat’ en fulmineert tegen de innige vervlechting van familie en partij die typerend zou zijn voor ‘Congress’. Voor het gemak vergeet hij even dat ook zijn eigen partij gekenmerkt wordt door ‘erfopvolging’ en dat hij omgeven is met zoons en dochters van gevestigde partijbonzen. Bovendien speelt de BJP in Uttar Pradesh mooi weer met de neef van Rahul: Varun Gandhi, die al enkele jaren parlementslid is voor de partij en die op zijn beurt de opvolger is van zijn moeder Menaka Gandhi — een fervent voorvechtster van zwerfhonden en andere zielige schepsels; typisch een onderwerp waarover hindoefanatici zich reusachtig kunnen opwinden. Op moslims mag je hakken, van de heilige koe blijf je af. Varun heeft inmiddels het een en ander op zijn kerfstok.

 

Sonia, de Italiaanse moeder van Rahul, is de weduwe van Rajiv Gandhi die zijn moeder Indira opvolgde toen zij door haar Sikh-lijfwachten overhoop geschoten werd. Rajiv werd zélf vermoord door bloeddorstige Tamil Tigers. Na zijn dood werd Sonia partijvoorzitter. Menaka is de weduwe van Sanjay, de jongste zoon van Indira. Hij werd niet vermoord, maar verongelukte in zijn privé-vliegtuigje. Indira en weduwe Menaka konden het niet met elkaar vinden en zijn met knallende ruzie uit elkaar gegaan — het is nooit meer goed gekomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Modi presenteert zich als een ‘schone’ kandidaat tegenover zijn politieke tegenstanders die vrijwel allemaal verwikkeld zijn in onontwarbare corruptieschandalen. Maar aan Modi kleeft nog steeds het bloed van duizenden moslims die in 2002 door hindoefanaten over de kling werden gejaagd in zijn eigen deelstaat Gujarat — hij zou medeplichtig zijn aan deze gruwelijke moordpartijen, of heeft ze tenminste oogluikend toegestaan. Hij speelt de kaart van economische groei; zijn deelstaat is geliefd bij buitenlandse investeerders en bedrijven — in Gujarat wordt niet moeilijk gedaan over milieuwetgeving of uitbuiting van arbeiders.

In de beschouwingen over de verkiezingen zoals we die in Nederlandse media tot ons krijgen, wordt een cruciaal aspect doorgaans niet genoemd: de steeds groeiende verstrengeling van politiek en criminaliteit. Concreet gesproken: naar schatting wordt ruim éénderde van alle leden van de Indiase Lok Sabha (Tweede Kamer) verdacht van ernstige criminele delicten, geen winkeldiefstalletjes of rijden onder invloed, maar moord, doodslag, afpersing, zware mishandeling, ontvoering, corruptie, omkoperij, verkrachting.

Atiq Ahmed, voorman van de Samajwadi Party in Uttar Pradesh, is een goed voorbeeld. Op de website van India TV stond een verslag van een verkiezingsbijeenkomst in Sultanpur, waar Ahmed het onder anderen zal opnemen tegen Varun Gandhi. Hij arriveerde een dag of wat geleden in de stad met duizenden aanhangers in een colonne van honderden auto’s en vrachtwagens. Ahmed sprak de menigte toe: ‘We zijn hier vandaag gekomen om de geografie van Sultanpur te bestuderen. We gaan de strijd op alle mogelijke manieren aan. We zijn gekomen om onze grenzen af te bakenen’. Voor zijn tegenstanders was hij niet bang, liet hij weten: ‘Ik ben ze in alle talen de baas’. Er lopen bijna tweehonderd aanklachten tegen hem, maar hij liet in een interview weten dat hem dit niet kan schelen, integendeel: ‘Het doet me niks, ik heb mijn halve leven in de gevangenis doorgebracht. Ik doe alles voor mijn volgelingen, wat de gevolgen ook zijn’.

 

 

 

 

 

 

 

 

BBC News meldde twee jaar geleden dat de Indiase douane in beslag genomen wapens voor een zacht prijsje aan volksvertegenwoordigers en VIP’s verkoopt, tussen 1990 en 2012 alleen al zou het maar liefst om zo’n achthonderd vuurwapens zijn gegaan. De prominente aanwezigheid van zware criminelen in de vertegenwoordigende instellingen werkt ondermijnend: wie kun je nog vertrouwen? De ‘grootste democratie van de wereld’ wordt van binnenuit uitgehold, een proces dat niet van vandaag of gisteren dateert, maar al heel lang doorziekt. ‘Vroeger keek je als vader wel uit om je dochter uit te huwelijken aan een misdadiger, maar tegenwoordig speelt dat geen rol meer. Het kan mensen niets meer schelen, de tijden zijn veranderd’, las ik ergens.

De voortschrijdende criminalisering van de politiek, met alle corruptie, intimidatie, geweldpleging die daarmee samenhangt, lijkt voor een deel het gevolg van een zwakke overheid, terwijl die overheid er tegelijkertijd nóg verder door verzwakt wordt. Wie is nog in staat om de burgerij bescherming te bieden? Daarbij komt de hopeloze situatie op het gebied van de rechtspraak — omkoopbare rechters, jarenlange achterstanden die nooit meer kunnen worden ingelopen, incompetente advocaten. Wie bescherming nodig heeft, neemt het recht in eigen hand. Voor een paar tientjes koop je een vuurwapen en voor honderd euro huur je een moordenaar, bij voorbeeld in Bihar, de deelstaat waar al decennia geen recht en orde meer heersen. Als je een rechtszaak begint, begin je aan een gebed zonder einde; een bezoekje aan een ‘politieke fixer’ gaat sneller en is goedkoper. In ruil voor stemmen wordt de zaak snel en efficient geregeld. Hoe meer misdaden iemand op z’n geweten heeft, hoe machtiger hij blijkbaar is. Misdaad maakt geen pariah van je, het maakt je tot een politicus met aanzien. Dat is het motto van vandaag.

Geeta Pandey, correspondent van BBC News, merkt op: ‘Gelukkig zijn de criminelen aardig verdeeld over de verschillende politieke partijen, stel je voor wat er zou gebeuren als ze de handen inéén zouden slaan en een regering zouden vormen?’ Ze zouden in één klap de grootste partij zijn

Een nachtmerrie.