Zo, dat weten we nu, de Amerikaanse president Trump heeft een nieuw spelletje ontdekt: gooien met bommen. Hij liet de zwaarste conventionele bom op een verondersteld ISIS-complex in Afghanistan vallen, 10.000 kilo. Eerder al smeet hij bommen op een vliegveld in Syrië. Hij krijgt de smaak te pakken. Militair-strategisch hebben deze bombardementen geen enkele betekenis, hij had ze net zo goed ergens in zee kunnen laten vallen of kunnen verwerken tot hijskranen. Waar het om gaat is zijn reputatie. In de korte tijd van zijn presidentschap daalde zijn populariteit in sneltreinvaart, maar sinds hij ‘de vijand’ met grof geweld bestookt, schiet hij weer even hard omhoog in de peilingen. Een ‘sterke man’ is wat de Amerikanen van hun president verlangen, een macho die niet met zich laat spotten. Vuist op tafel.

Onlangs studeerde ik nog eens in de geschiedenisboeken over India en Pakistan, op zoek naar een kwestie waarover ik binnenkort moet schrijven. Ik stuitte op de gebeurtenissen die zich bijna veertig jaar geleden afspeelden toen het oostelijke deel van Pakistan zich afscheidde van het westelijke deel. India speelde daarin een centrale rol, ook vanwege de korte oorlog tussen beide landen die in december 1971 werd uitgevochten.

De creatie van Pakistan is nooit een succes geweest. Al in 1948, direct na de onafhankelijkheid, kwamen de tegenstellingen tussen de beide landsdelen scherp naar voren. Oost en West waren beide islamitisch, maar dat was de enige overeenkomst. In West-Pakistan was een coalitie van machtige grootgrondbezitters en hoge militairen aan de macht, Oost-Pakistan, door bijna 1500 kilometer Indiaas grondgebied van het Westen gescheiden, werd beschouwd als een primitief achterland. Het Bengali werd door het Punjabi en Urdu overwoekerd, ook al werd die taal door het merendeel van de bevolking gesproken. Oost-Pakistan voelde zich een kolonie van West-Pakistan, slachtoffer van achterstelling en uitbuiting. In de vroege jaren vijftig braken er onlusten uit en bij de verkiezingen van 1954 werd de Muslim League, de partij van Mohammed Ali Jinnah—de stichter van Pakistan—in Oost-Pakistan verpletterend verslagen door een combinatie van partijen onder de Awami League van Sheikh Mujibur Rahman. De militairen onder generaal Ayub Khan namen de macht in handen. Na de oorlog met India in 1965 maakten de militairen plaats voor een burgerregering. In 1966 richtte Z.A. Bhutto de Pakistan People’s Party op in West-Pakistan, terwijl Mujibur een manifest publicerde met vergaande eisen voor regionale autonomie. Beide politici werden door het leger opgepakt en in de bak gesmeten. Generaal Yahya Khan, de opvolger van Ayub, herstelde het dictatoriale militaire regime. In 1970 werden er opnieuw verkiezingen gehouden: Bhutto won in het Westen, ‘Mujib’ in het Oosten, met bijna 100% van de stemmen. Wéér werd de volksvertegenwoordiging ontbonden, maar overleg tussen Khan, Bhutto en Mujib leverde niets op. Mujib deed wat hij had beloofd: hij riep de onafhankelijkheid uit van Oost-Pakistan dat voortaan Bangladesh zou heten, het land van de Bengalen.

Ramachandra Guha beschrijft in zijn India After Gandhi wat er gebeurde: Een colonne tanks rolde de campus (van de Universiteit van Dhaka, LB) op en beschoot de slaapzalen. Studenten werden opgepakt, neergeschoten en in haastig gedolven graven gegooid die door tanks werden geëgaliseerd. Krantenbureau’s en huizen van politici werden onder vuur genomen. Mujib werd gearresteerd en naar een geheime plek in West-Pakistan vervoerd. Op het platteland werden op grote schaal oorlogsmisdaden verricht, dorpen in de fik gestoken, boerenbedrijven met de grond gelijk gemaakt. Een journalist schreef: er heerst een spookachtige stilte in plaatsjes die eens bruisten van leven.

De Amerikaanse consul-generaal in Dhaka, Archer Blood, stuurde een telegram naar Washington waarin hij protesteerde tegen de blinde Amerikaanse steun voor het moorddadige Pakistaanse militaire regime. Zijn befaamde Blood telegram sprak harde taal: Onze regering heeft nagelaten zich uit te spreken tegen de onderdrukkling van de democratie. Onze regering heeft nagelaten om te protesteren tegen de wreedheden. Onze regering heeft een houding aan de dag gelegd die velen zouden karakteriseren als moreel failliet. Ook de Amerikaanse ambassadeur in Delhi liet dergelijke geluiden horen: we moeten met kracht protesteren tegen deze wreedheden. Beide diplomaten kregen een spreekverbod uit Washington.

De burgeroorlog heeft naar schatting tussen drie en vier miljoen dodelijke slachtoffers gekost, ook onder de omvangrijke Hindoebevolking van Oost-Pakistan: hun bedrijven werden vernield, hun huizen in de brand gestoken, hun tempels verwoest. Vele honderdduizenden vluchtelingen kwamen onder deerniswekkende omstandigheden over de grens met India, de Indiase overheid richtte opvangkampen in en uit de schaarse voedselvoorraden werden de verdreven Bengali’s naar vermogen bedeeld.

 


President Nixon dreigt met de bom

Tegen deze achtergrond voerde de Amerikaanse president Nixon regelmatig gesprekken met zijn minister van Buitenlandse Zaken, dr Henry Kissinger. Zoals we weten werden deze gesprekken allemaal opgenomen; ze zijn bekend geworden onder de naam Pentagon Papers. De Amerikanen stonden zwaar onder druk: de oorlog in Vietnam liep niet zoals het moest, ze leken de greep op de ontwikkelingen in het Verre Oosten te verliezen. Pakistan was een trouwe bondgenoot, Yahya Khan was als tussenpersoon ingeschakeld om contacten te leggen met China—in 1972 zou Nixon zijn roemruchte reis naar China ondernemen en aan tafel zitten met Mao Tse Tung. India dreigde een samenwerkingsovereenkomst te sluiten met de Sovjet Unie, wat door de Amerikanen werd beschouwd als een dolkstoot in de rug. Terwijl India probeerde de miljoenen vluchtelingen onderdak te verlenen, zei Nixon: Wat die verdomde Indiërs nodig hebben is een massale hongersnood. En Kissinger: Het zijn smerige schoften. Nixon kon het goed vinden met de Pakistaanse militairen, stuk voor stuk sterke mannen, opgeleid aan de Sandhurst Academy—de gekozen Indiase politici waren hem te intellectueel: de culturele elite aan de Oostkust van de Verenigde Staten liep weg met premier Indira Gandhi. Kissinger beschouwde haar als een bekakte schooljuffrouw die haar gesprekspartners leek te behandelen als achterlijke kinderen. Het hielp beide heren niet dat ook de flower power-beweging in opstand kwam tegen de West-Pakistaanse inval: Beatle George Harrison en Ravi Shankar organiseerden hun onvergetelijke Concert for Bangladesh in New York.

 


Indira Gandhi, bekakte schooljuffrouw

Het bezoek van Indira Gandhi aan een aantal Westerse hoofdsteden viel slecht in Washington en toen in december 1971 de oorlog officieel uitbrak, zagen Nixon en Kissinger dit eenstemmig als haar schuld: Ik word er strontziek van om op die manier te zijn belazerd door die Indiërs, we hebben dat klerewijf nog zo gewaarschuwd. Nixon liet weten dat de Amerikanen niet zouden protesteren als de Chinezen van de gelegenheid gebruik zouden maken om India binnen te vallen: Zorg dat ze doodsbang worden, die verdomde Indiërs! De USS Enterprise werd gemobiliseerd om een atoombom op Bangladesh af te schieten. Kissinger was sterk vóór, Nixon aarzelde.

Bruine moslims, verraderlijke Indiërs, bitches, dreigementen, intimidaties. Het is ontnuchterend om te zien hoe de ‘geopolitiek’ in de praktijk functioneert. Iedereen maakt zich druk over Donald Trump. De geest lijkt uit de fles met deze chaoot die lijkt te handelen naar de stemming van het moment. Hannah Arendt signaleerde dat er in de cocon van Washington geen relatie met de realiteit bestaat. De Verenigde Staten gedragen zich als de machtigste staat op de wereld met geen andere bedoeling dan de wereld te laten zien dat zij de machtigste staat van de wereld zijn. Er is niets nieuws onder de zon, Trump past in een lange traditie van politiek als vuilbekkerij.

 

illustraties
Donald Trump; bron: allaboutphones.nl
Richard Nixon; bron: usnews.com
Indira Gandhi; bron: biography.com