Van een pragmatische antropologie had ik tot voor kort nog nooit gehoord, terwijl het vak al zeker sinds het eind van de achttiende eeuw bestaat – in 1798 werd te Koningsbergen het werk Anthropologie in pragmatischer Hinsicht gepubliceerd. Auteur: Immanuel Kant, inderdaad, de filosoof van de rede. Het boek is zojuist in het Nederlands vertaald en uitgegeven (bij uitgeverij Boom, Amsterdam); een goede vriend maakte me erop attent. Of de pragmatische antropologie echt een ‘vak’ is weet ik trouwens niet, ik ben in filosofisch opzicht een volslagen leek. In het nawoord bij de vertaling heb ik geen toelichting kunnen vinden op de status van deze tak van de antropologie – wordt er nog iets mee gedaan? hoe wordt er over gedacht in de filosofie? en, belangrijker, bestaat het eigenlijk nog of is het altijd een persoonlijke hobby van de auteur gebleven?

Als ik het goed begrijp is het werk een bundeling van colleges die Kant gaf aan de Universiteit van Koningsbergen, de vertaler tekent aan dat het boek vol zit met nauw verholen verwijzingen naar Kants eigen leven en dagelijkse bezigheden. De maaltijd was voor hem het hoogtepunt van de dag, die werd bij hem thuis opgediend in het gezelschap van vrienden. ‘Er mocht over alles worden gepraat, maar niet over filosofie’, staat in het nawoord. In Pragmatische antropologie vindt de oplettende lezer allerlei tips voor de organisatie van een maaltijd waarmee de ‘humaniteit’ kan worden bevorderd.

Toch zijn Kants uiteenzettingen wel degelijk serieus bedoeld. In zijn voorwoord legt hij uit wat de bedoeling is. Mensen – Kant spreekt consequent van ‘de mens’, enkelvoud, een duidelijke filosofische keus, lijkt me, die ik niet overneem, ook al uit filosofische overwegingen, maar dan andere – dienen hun kennis en bekwaamheden te gebruiken ten behoeve van de vooruitgang, zegt hij. Het belangrijkste object voor de toepassing van die kennis en kunde is de mensheid zelf; ‘kennis van de mens is kennis van de wereld’, meent Kant, hoewel mensen slechts een deel vormen van alle schepsels op de wereld. De antropologie is de wetenschap die zich met de mensheid bezighoudt. Fysiologische antropologie is gericht op wat de natuur van de mensen maakt, pragmatische antropologie op wat mensen als vrij handelende wezens van zichzelf maken – of ‘zouden moeten maken’, voegt Kant toe: zijn pragmatische antropologie heeft een uitgesproken moralistische ondertoon.

In het boek wordt van alles overhoop gehaald – over het kenvermogen, de tastzin, het gehoor, smaak en reuk, geestesziektes, het genie, gevoelens van lust en onlust, verveling, vermaak, begeerte, hebzucht en eerzucht, karakter, uiterlijk, gelaatstrekken en wat al niet. Kant is een echte allesweter, kom daar vandaag de dag eens om! Ik was het meest geïnteresseerd in het onderwerp dat mij als ‘moderne’, niet-pragmatische antropoloog het meest aanspreekt: de studie van het volkskarakter.

Dat thema heeft de twintigste eeuwse antropologie jarenlang gedomineerd, vooral in de Verenigde Staten. Iedere antropoloog kent de naam van Ruth Benedict, auteur van het klassieke Patterns of Culture, een boek dat je gelezen moet hebben. Een cultuur is een min of meer samenhangend patroon van denkbeelden en gedragingen, luidde het uitgangspunt van de ‘cultuur en persoonlijkheid benadering’, waar ook iemand als Margaret Mead, leerling van Benedict, deel van uitmaakte. Iedere cultuur kiest als het ware een beperkt aantal kenmerken uit de enorme variatie van menselijke uitingsmogelijkheden en die kenmerken vormen de persoonlijkheidstrekken van de dragers van die cultuur. Iedere cultuur heeft zo een eigen gedaante, een eigen unieke identiteit; het is de opdracht van antropologen om die identiteit te achterhalen en te beschrijven. Op basis van haar onderzoek naar verschillende Indianenculturen komt ze tot haar fameuze onderscheid tussen Apollinische en Dionysische culturen – de verregaande ingetogenheid van de Pueblo’s in het Zuidwesten tegenover de uitbundigheid van de Indianen uit de grote centrale vlakten.

De uitgangspunten van deze stroming en die van de Kantiaanse antropologie lijken oppervlakkig gezien grotendeels overeen te komen. De filosoof spreekt over een volk als een hoeveelheid mensen die op een bepaalde lokaliteit bijeenwonen en een geheel vormen. Het gaat erom, volgens Kant, de karakters van die volken zoveel mogelijk systematisch weer te geven aan de hand van voorbeelden; dat biedt de mogelijkheid oordelen te vormen en weer te geven wat het ene volk van het andere kan verwachten, zodat je daar je voordeel mee kan doen. Het is allemaal wat slordig geformuleerd, maar dat kunnen we misschien toeschrijven aan het karakter van de tekst: een verzameling collegedictaten. Het ‘maatschappelijk nut’ van zo’n benadering, als Kant dat tenminste zou bedoelen, heeft zich bij onderzoekers als Benedict en Mead duidelijk bewezen. Zuni-kinderen leken op Amerikaanse scholen niet mee te kunnen komen. Hoe kwam dat? Hadden ze een inferieure intelligentie? Waren ze lui? Gestoord? Nee, Benedict liet zien dat je je bij de Zuni nooit op iets mocht laten voorstaan, ook al had je nog zulke goede ideeën, het gaf geen pas om daar als individu mee te pronken, de Zuni-cultuur was gericht op samenwerking en onderlinge solidariteit – waarden die principieel in botsing kwamen met de zware Amerikaanse nadruk op individuele ontplooiing, onderlinge concurrentie, elkaar voortdurend te slim af zijn en de loef afsteken.

De benadering staat of valt met gedegen, empirisch onderzoek – aan de hand van uitvoerige gevalsbeschrijvingen, levensgeschiedenissen, analyse van poëzie en andere vormen van kunst, kun je met aanbevelingen komen die niet alleen theoretisch belangwekkend zijn , maar die in de praktijk ook ‘werken’. Kant heeft daar zo zijn eigen gedachten over, hij ziet niet veel in empirisch onderzoek, hij is meer van de ’rede’, wat dat dan ook mag zijn.

Hij formuleert een paar mogelijke verklaringsgronden voor de verschillen tussen volken. Regeringsvorm heeft er niets mee te maken, zegt hij, want de volgende vraag zou dan zijn: hoe komen de verschillende regeringsvormen tot stand? Ook klimaat en lokaliteit worden als mogelijke verklaringsgronden afgewezen. Op zichzelf misschien niet ten onrechte, maar in de tekst ontbreekt zelfs maar de kleinste verwijzing naar enige argumentatie voor zulke standpunten. Kants betoog wordt extra pijnlijk zodra hij overgaat tot wat je kunt beschouwen als een proeve van zijn pragmatische antropologie – een overzicht van de belangrijkste kenmerken van enkele Europese volken.

Fransen zijn hoffelijk, beweert Kant, en dat komt door hun smaak voor beschaafde conversatie. Waar die smaak vandaan komt? Geen idee! De Franse hoffelijkheid strekt zich in het bijzonder uit tot vreemden die het land bezoeken, het hele Franse volk is ‘beminnelijk’. Maar, de andere kant van de medaille is de Franse ‘lichtzinnigheid’: bepaalde ‘vormen’ worden afgeschaft om geen andere reden dan dat ze ‘oud’ zijn of te zeer geprezen werden, ‘hoewel er heel goed mee te leven viel’ (Kant publiceerde zijn boek ruim tien jaar na de Franse revolutie!). Allerlei typische Franse begrippen zijn niet of moeilijk in andere talen om te zetten omdat ze zo nauw verwant zijn aan het Franse volkskarakter: esprit, frivolité, galanterie, coquette, bon mot, bureau d’esprit en nog veel meer. Je vraagt je af hoe je kunt weten dat je deze begrippen onvertaalbaar zijn… ze zijn immers onvertaalbaar?! Het lijkt me niet een kwestie waar Kant lang van wakker heeft gelegen.

De Engelsen hebben geen eigen karakter, maar hebben iets verworven wat erop lijkt. Ik parafraseer nog steeds Kant. Centraal is de minachting en haat voor alles wat niet Engels is, waardoor de Engelsen dan ook regelrecht staan tegenover de beminnelijke Fransen. Spanjaarden zijn wreed, Italianen ijdel, maar ze zijn ook messentrekkers, bandieten en sluipmoordenaars. Duitsers daarentegen zijn eerlijk en huiselijk, ze hebben een scherp verstand en zijn vlijtig. Duitsers zijn bescheiden en gastvrijer dan welk ander volk dan ook. De vertaler suggereerde het al: de warme toon die de filosoof aanslaat over de Duitsers zal wel komen omdat hij een zelfportret aan de man probeert te brengen. Het is geen wonder dat Kant vurig pleit tegen het vermengen van volken: dat is ‘niet bevorderlijk voor het menselijke geslacht’, meent hij te weten. Als hij kennis zou hebben van de mondialisering anno nu, zou hij zich in zijn graf omdraaien – maar ja, daarin is hij niet de enige, zoals we weten.

Ach, zo gaat het maar door. Arme studenten in Koningsbergen, jaar in jaar uit hebben ze deze prietpraat van de Kantiaanse borreltafel moeten aanhoren! Stereotypen en vooroordelen worden neergeschreven als hogere wijsheden, ik vrees dat de pragmatische antropologie vooral een weerslag is van de tafelgesprekken die Kant met zijn vrienden gehouden heeft tijdens en na afloop van de dagelijkse maaltijden.

Ruth Benedict bepleitte het cultureel relativisme, dat een centraal antropologisch begrip geworden is. Iedere cultuur, betoogde ze, heeft haar eigen ‘morele logica’ die je alleen kunt begrijpen vanuit de cultuur als geheel. Ze keerde zich tegen de gedachte dat ‘vreemde culturen’ moreel verwerpelijk zouden zijn omdat ze afwijken van ‘onze’ eigen cultuur: denkbeelden en gewoonten hebben in eerste instantie betekenis voor de leden van de cultuur in kwestie. Die moet je bestuderen, niet van te voren belachelijk maken. Als je een oordeel wilt uitspreken over de waarde van een cultuur, dien je terdege te weten wat je maatstaven zijn. Moraliteit hangt samen met de context, is altijd relatief.

Uit Kants beschouwingen blijkt niets van enig relativisme. Zijn taalgebruik is doordesemd van racistische noties en gevoelens van superioriteit. Zijn pragmatische antropologie lijkt mij een volstrekt verwerpelijke bezigheid, die niet tot verlichting maar tot duisternis leidt. De filosoof staat in allerlei kringen hoog aangeschreven en wordt hier en daar zelfs als een soort Messias beschouwd. Laten we aannemen dat daar vanuit de filosofie goede redenen voor zijn, maar voor zijn denkbeelden over de antropologie geef ik geen cent. Integendeel. Wie naar begrip voor ‘andere’ volken of culturen zoekt, zal uit zijn ogen moeten kijken. Op z’n minst. Misschien ligt hier wel de reden dat Kant als antropoloog zo’n potsierlijke vertoning is; hij heeft letterlijk zijn hele leven doorgebracht in Koningsbergen, leefde precies volgens de klok en heeft geen beminnelijke Fransman, onbetrouwbare Italiaan, eigenwijze Engelsman of wrede Spanjaard ooit van nabij waargenomen. De hele pragmatische antropologie is ontsproten aan de provincialistische, kleinburgerlijke geest van een moralistische huismus.

 

 

illustraties:
Immanuel Kant; bron: www.vn.nl
Ruth Benedict; bron: en.wikipedia.org
Zuni chief Lutakawi; bron: en.wikipedia.org