Ruim een maand geleden verbaasde ik me op deze plaats over de praktijk van het promoveren aan de Universiteit van Groningen. De aanleiding was de gang van zaken rond Ad van Liempt en zijn werkstuk over Albert Konrad Gemmeker, tijdens de Tweede Wereldoorlog commandant van het ‘doorgangskamp’ Westerbork, Drenthe. Ruim een week voor de promotiedatum op 9 mei lag de handelseditie van het proefschrift op stapels in de boekhandel. Het boek werd uitvoerig besproken, de aanstaande jonge doctor werd geïnterviewd in kranten, op radio en tv—zelfs een enkele tv-gids besteedde ruimte aan de blijde gebeurtenis. Een strak georkestreerd mediaoffensief, mag je wel zeggen, ongetwijfeld om de commerciële voordelen van de vrije dagen op 4 en 5 mei ten volle uit te buiten. Ik schreef: Wat moet er tijdens de promotieplechtigheid nog worden gezegd, nu iedereen zijn mening al gegeven heeft en in alle kranten is gemeld dat de heer Van Liempt op zijn studie over Gemmeker zal promoveren. Inderdaad, de kaarten zijn geschud. Groningen had de bul ook per post naar het adres van de promovendus kunnen sturen. Een gang van zaken die aan andere Nederlandse universiteiten ondenkbaar is, en terecht.

Nu de rookwolken opgetrokken zijn en het feestgedruis is afgenomen, moeten we maar eens kijken naar de dissertatie zelf. De recensenten van dag- en weekbladen hebben de loftrompet gestoken over Gemmeker, superlatieven kwamen te kort. Een meesterwerk, niet minder. Ook Van Liempt zelf was danig in zijn nopjes en liet in De Volkskrant (4 mei 2019) trots doorschemeren dat hij de eerste was die de beruchte commandant van Westerbork had doorgelicht en dat was, zoveel jaar na de oorlog, de hoogste tijd. Op de vraag van de journalist: Is het niet vreemd dat er pas 74 jaar na de bevrijding een biografie ligt van de man die zo cruciaal is geweest bij de Jodenvervolging in Nederland?, antwoordde de promovendus: Die vraag is meteen het antwoord: dit boek is er gekomen vanuit mijn verontwaardiging dat het er nog niet was. Daar is niemand schuldig aan, maar ik vond het moeilijk te verdragen.

Is het proefschrift van Ad van Liempt inderdaad zó excellent dat we de schoonheidsfouten bij deze gang van zaken welwillend door de vingers kunnen zien?

Waar een academisch proefschrift aan moet voldoen, valt in het algemeen moeilijk te zeggen. In ieder vakgebied gelden min of meer eigen tradities en opvattingen. Begrijpelijk, want wetenschappelijk onderzoek in de chemie, ik noem maar een willekeurig voorbeeld, stelt door de aard van de discipline nu eenmaal volstrekt andere eisen dan in de literatuurwetenschap. Je vindt in een promotiereglement dan ook alleen maar globale en min of meer formele aanduidingen, en het reglement van de Groningse universiteit is daarop geen uitzondering. Over de inhoud spreekt het desbetreffende artikel (4.4) van een titelblad dat aan een bepaald format dient te voldoen, een kort cv van de promovendus en de zogenaamde stellingen. Meer ter zake is de eis dat het proefschrift een inhoudsopgave moet bevatten, een inleiding plus probleemstelling, een wetenschappelijke beschouwing, een conclusie en een samenvatting. Haal je de koekoek, denk je dan, daar moet zo’n beetje ieder betoog aan voldoen, maar voor de academische wereld kan het blijkbaar geen kwaad om een en ander nog eens te onderstrepen. Voor veel gewone mensen zijn proefschriften nu eenmaal vaak niet om doorheen te komen, onleesbaar. Gelden er voor biografieën speciale eisen? Sommigen zullen misschien menen van wel, maar in het Groningse promotiereglement wordt daarover geen woord gezegd.

Laat ik voorop stellen dat de eisen die je aan een dissertatie moet stellen op zichzelf nuttig en noodzakelijk zijn. Een probleemstelling is een betoog waarin de auteur uiteenzet welke specifieke vragen hij zich heeft gesteld, wat de achtergrond van die vragen is—waarom zijn deze van belang, waar komen ze vandaan—en hoe hij van plan is ze te benaderen en te beantwoorden. Van welke hypothesen is hij uitgegaan en op welke manier denkt hij deze te kunnen verifiëren of falsifiëren. In lang niet alle wetenschappelijke disciplines kan het onderzoek met, uit theorieën afgeleide, veronderstellingen zó strak worden opgezet, maar de auteur zou op z’n minst moeten streven naar ondubbelzinnigheid en duidelijkheid over de opzet van zijn onderzoek. Hoe de resultaten van zijn onderzoek aansluiten bij de stand van zaken in zijn onderzoeksgebied en hoe zijn vragen de academische discussie over het onderwerp verder brengen. Niet voor niets zegt menige academische onderzoeker dat de vragen aanzienlijk belangrijker zijn dan de antwoorden. De vraagstelling geeft structuur aan het verslag: de auteur laat zien welke stappen hij zet om zijn vragen te beantwoorden. De inhoudsopgave rolt hier als vanzelfsprekend en logisch uit voort, en je weet als lezer wat je in de beschouwingen en conclusies te wachten staat.

Wat is de probleemstelling van Ad van Liempt?

Laat ik het maar meteen, onomwonden, zeggen: ik heb geen idee. In Van Liempt’s dissertatie is geen ‘inleiding plus probleemstelling’ opgenomen, de fundamentele eis die de Groninger universiteit stelt. Wél een Woord vooraf, dat misschien als inleiding is bedoeld. De auteur klaagt op deze plaats over het teloorgaan van archieven en papieren en over het feit dat zijn hoofdpersoon, Gemmeker, zoveel mogelijk sporen van zijn leven heeft uitgewist—er is geen privécorrespondentie bewaard gebleven, zelfs geen familiefoto’s. Er was dus niets en de indruk die je uit deze aantekeningen vooraf overhoudt, is dat de auteur bijna letterlijk bergen heeft moeten verzetten om desondanks zijn materiaal bijeen te krijgen, pfff. We zullen zien dat dit nogal meevalt…

Maar waar was al dat gezwoeg voor nodig? Je moet goed zoeken om tussen de regels door een glimp op te vangen van de bedoelingen van de auteur. Het in kaart brengen van leven en werken van commandant Gemmeker, staat in het Woord vooraf te lezen. Het schrijven van Gemmekers levensverhaal, vermeldt de auteur ook, en wel in chronologische volgorde. Ook zou de auteur belangstelling hebben voor het beeld van de man, of: een indruk van zijn persoonlijke leven. Dat is alles. Hoewel, een paar bladzijden verder, in een volgend hoofdstuk, staat nog een passage die kan duiden op iets als een vraagstelling: wat was die Gemmeker, die twee jaar lang kon beschikken over het lot van tienduizenden slachtoffers, voor man? Tja, vager kan het bijna niet.

Met een wetenschappelijke probleemstelling hebben die aanduidingen niets van doen. Wat wil hij precies, een chronologisch levensverhaal, een paar indrukken van een persoonlijk leven, een ‘beeld’ van een man. Zijn dat verschillende dingen of is het één pot nat? En wat wil de auteur aantonen? Is hij iets op het spoor wat nog niet eerder boven water is gekomen? Heeft hij de overtuiging dat Gemmeker een volstrekt ander persoonlijk leven heeft geleid dan altijd is gedacht? In welk opzicht vult een biografie van Gemmeker de bestaande discussies in het vakgebied over Westerbork, of over de Holocaust, de aard van de Duitse bezetting, het verloop van de Tweede Wereldoorlog aan? En in verband daarmee: hoe verhouden zich de onderzoeksresultaten met wat er al over Gemmeker en zijn leven en werken bekend was? Stuk voor stuk zijn dit onderwerpen die in een inleiding, plus probleemstelling, thuishoren. Maar, zoals gezegd, niets van dit alles is terug te vinden bij Van Liempt. Zelfs geen enkel woord over zijn directe voorgangers, wat frappant is, want anders dan hij van de daken heeft geroepen, is Gemmeker wel degelijk al eerder onderwerp geweest van serieuze wetenschappelijke studie. Ik noem slechts Albert Konrad Gemmeker. Commandant van Westerbork, door Lotte Bergen, zes jaar geleden verschenen, en Westerbork. Het doorgangskamp en zijn commandant, door Nanda van der Zee, oorspronkelijk dertien jaar geleden verschenen. Je kunt ook denken aan Frank van Riet’s De bewakers van Westerbork uit 2016, met tientallen verwijzingen naar Gemmeker. Daarnaast is er nog veel meer over Gemmeker geschreven, het is volstrekt onbegrijpelijk dat Van Liempt aan deze literatuur en bronnen voorbijgaat, hoewel hij de boeken van zowel Bergen, Van Riet als Van der Zee in zijn bibliografie heeft opgenomen, zij het soms met storende fouten. Het is trouwens de vraag óf hij er wel aan voorbijgaat, vrijwel alles wat hij presenteert over Gemmeker is al door zijn voorgangers gezegd, maar ze krijgen er geen krediet voor.

Deze opvallende verdwijntruc is geen van de juichende recensenten van het eerste uur opgevallen—laten we voor het gemak maar veronderstellen uit onnozelheid. Maar het moet de leden van de promotiecommissie, allen historici die hun sporen in de Nederlandse oorlogsgeschiedenis hebben verdiend, zeker zijn opgevallen.*) Ze hebben er geen aanleiding in gezien om het werkstuk af te keuren, maar dat hadden ze met het Groningse promotiereglement in de hand kunnen—en ook moeten—doen. Je kunt nu alleen maar gissen naar de redenen, een nadere beschouwing lijkt mij noodzakelijk. Zoals ook naar het feit dat de keurige, correcte ingezonden brieven aan NRC en De Volkskrant van Lotte Bergen over deze omissie door de redacties botweg geweigerd werden.

Iemand die nalaat om duidelijk uiteen te zetten welke onderzoeksvragen hij precies behandelt, en waarom, komt hopeloos in de knoop bij zijn beschouwingen. Dat laat zich al aflezen aan de hoofdstukindeling, nog een vereiste bij het promoveren aan de Groningse universiteit. Welnu, er is een Inhoud in het boek opgenomen, maar doordat de auteur niet de moeite heeft genomen de hoofdstukindeling in te leiden of te verantwoorden, is dat geen wegwijzer voor de beschrijvingen die volgen. Pakkende titels, als je ervan houdt, maar vooral raadselachtig: Alles moet weg, Naar het einde, De koning vermaakt zich, Op vol vermogen, In de kolenmijn, Het zwaard van Damocles en, grote verrassing, De centrale vraag, het laatste hoofdstuk voor het ‘nawoord’. De vereiste conclusie, zie het promotiereglement, ontbreekt. Een chronologie is er niet uit af te leiden, net zo min als de plek waar we moeten zoeken naar het antwoord op de vraag naar het beeld van de man, of sporen uit zijn persoonlijke leven.

Een index of register wordt door de Groningse universiteit niet vereist, maar strekt wel tot aanbeveling (‘zo mogelijk’, luidt de formulering). Daar is Ad van Liempt aan tegemoetgekomen, zij het ten dele: op de pagina’s 375 tot 382 is alleen een Personenregister opgenomen, geen zakenregister. Ongelukkig, want omdat de hoofdstuktitels geen aanwijzing geven over de aard van de beschouwingen van de promovendus, ben je als lezer op de index aangewezen om je weg door het boek te vinden. Maar zelfs met het personenregister is dat geen simpele opgave. Om een voorbeeld te noemen: alle Gemmekers staan bijeen, zowel Albert Konrad als ook zijn familieleden, waaronder zijn dochters Lotti (die in de dissertatie schijnbaar naar believen Lotti dan wel Lotte wordt genoemd) en Rosemarie. Curieus genoeg is dochter Erika zoek, zij staat een paar bladzijden verder onder de naam van haar echtgenoot Schaldach. Bij Hendrik van Dam heb je drie vindplaatsen, maar het gaat hier om verschillende Van Dams, dus ook dat is even zoeken. Bij sommige namen worden paginanummers genoemd waarop de betrokkenen helemaal niet voorkomen. En als je eenmaal doorhebt dat het register slordig en onbetrouwbaar is, zoek je soms naar spelden in een hooiberg. De auteurs die in de bibliografie worden genoemd, zijn lang niet allemaal terug te vinden in het register, ik noem maar weer een paar voorbeelden: Lotte Bergen, Eva Moraal, Willy Lindwer, Koert Broersma. Wil je weten op welke plaatsen en op welke manier die auteurs worden gebruikt, dan ben je gedwongen met je vingertje alle noten (ruim twintig pagina’s) langs te lopen die achterin het proefschrift zijn opgenomen. Ach, je kunt er mee leven als het niet anders kan, maar als academisch geschrift schiet het werkstuk van Van Liempt ook in dit opzicht schromelijk tekort.

De slordigheid die het register kenmerkt, zie je overal in het boek terug: nodeloze herhalingen, stijlbloempjes, irrelevante uitweidingen, zinnen die niet lopen, merkwaardige wisselingen van het woordgebruik (‘register’). Soms zo pijnlijk dat je geneigd bent au te roepen. De auteur merkt op dat de spoorwegstaking in september 1944 een voordeel opleverde: er zou na de staking nooit meer een volgeladen trein uit Westerbork vertrekken. In de laatste trein van begin september werd onder anderen nog de familie Frank weggevoerd, die had pech, volgens Van Liempt. Hij herhaalt het nog eens uitdrukkelijk: pech dat ze niet een paar weken later waren gearresteerd, toen er geen treinen meer reden. ‘Voordeel’. ‘Pech onderweg’, alsof het om een lekke band ging.

Het opvallendste element in de beschouwingswijze van de promovendus is zijn neiging om zijn hoofdpersoon allerlei eigenschappen en kwaliteiten toe te dichten zonder spoor van toelichting of bewijs. Hoewel hij de lezers van zijn werkstuk uitdrukkelijk in de waan heeft gebracht dat Gemmeker niets heeft nagelaten dat licht zou kunnen doen schijnen op zijn beweegredenen en motieven, laat hij geen kans voorbijgaan om de acties van de kampcommandant nader te duiden. Zo zou Gemmeker een sterk ontwikkeld gevoel voor orde en tucht hebben (p.132). Bron? Als Gemmeker op bezoek is in zijn geboortestad Düsseldorf ziet hij met eigen ogen wat het Britse ‘pinksterbombardement’ heeft aangericht. Het is wel zeker, meent Van Liempt, dat hij geschokt en verbitterd terugkeerde naar zijn villa op de Drentse hei (p.144). Bron? Het is waarschijnlijk dat Gemmeker gedreven werd door een tomeloze ambitie (p. 35). Bron? Gemmeker werd gekenmerkt door eerzucht en discipline (p. 18). Bron? Toen Gemmeker de oekaze kreeg dat hij bepaalde groepen niet mocht deporteren, sprak het volgens de promovendus vanzelf, dat de commandant ontstemd was, of liever gezegd: hij was laaiend (p.157). Bron? Gemmeker leed volgens de auteur aan een manische vorm van autoriteitenvrees, die elk ander gevoel overheerste (p.190). Bron? Ondanks die autoriteitenvrees, whatever that may be, weigerde hij na zijn vlucht uit het kamp een administratieve klus te doen. Dat pikte Gemmeker niet, hij protesteerde bij de hoogste baas (p.195). Bron? Van Liempt concludeert dat Gemmeker weliswaar de dans van een veroordeling in Duitsland ontsprongen is, maar dat zijn levensavond niet onbezorgd is geweest (p. 332). Bron? Hij was weliswaar vrij, vervolgt de auteur (p. 332), maar zo vrij was hij niet — de mogelijkheid van een nieuwe straf bleef hem achtervolgen. Het verleden gunde hem weinig rust. Bron? We zoeken de bronnen vergeefs in de voetnoten of het register, de oerbron van dit alles is uiteraard de dikke duim van Ad van Liempt.

In plaats van te liefhebberen in kanarieboekjes voor de psychologie, zou de promovendus zijn voordeel hebben kunnen doen met de inzichten uit het werk van de historici die hem vóór waren in hun portretten van Gemmeker. Eva Moraal bij voorbeeld in haar proefschrift Als ik morgen niet op transport ga, uit 2014. Met behulp van haar knappe analyse van de manieren waarop de gevangenen van Westerbork hebben gereageerd op Gemmeker en zijn maîtresse, had Van Liempt een levensechte kampcommandant kunnen neerzetten in plaats van de wazige sprekende pop die nu uit zijn bladzijden oprijst. Van Liempt suggereert dat Gemmeker tot zijn laatste dagen antisemiet geweest is. Wie zal het weten? Een van de sterkste aanwijzingen heeft hij gevonden in de woede waarmee de voormalige commandant reageerde op de naamgeving van zijn kleindochter Ruth, een jodennaam vond hij. Maar Nanda van der Zee wijdt uitvoerig aandacht aan Gemmeker’s stiefkleinzoon Heiko (door Van Liempt Heico genaamd): die twee konden het uitstekend met elkaar vinden; en Heiko had zowel een joodse moeder als een joodse vader. Selectief antisemitisme? Van der Zee heeft ook scherp gekeken naar de film over Westerbork die Gemmeker heeft laten maken. Ze wijst op de nauw verholen pogingen van de filmer om ondanks de zware censuur te laten zien dat het om een strafkamp ging en niet op een vrolijk soort vakantieparadijs dat Gemmeker graag had willen laten zien. In Van Liempt geen woord over de inhoud, hij verliest zich in gebabbel over filmcamera’s en andere omstandigheden waaronder gefilmd moest worden. Van der Zee, door Van Liempt met dedain aangeduid als ‘schrijfster’, laat ook het protserige karakter van Gemmeker zien, ze typeert hem als een pasja, een roi fainéant en licht dat toe aan zijn theatrale verschijning. In het proefschrift van Van Liempt dringt iets van die typering door, hoofdstuk 7 heet De koning vermaakt zich. Maar alweer ontbreekt een bronvermelding en in tegenstelling tot Van der Zee doet de auteur geen poging om de beeldspraak toe te lichten. Het hoofdstuk bestaat uit een handvol paragrafen zonder enig onderling verband. Het babbelgehalte reikt soms tot in de hemel.

Ook het negeren van Lotte Bergen is een gemiste kans, al was het alleen maar omdat zij het optreden van Gemmeker interpreteert als doelbewuste strategie om  de rust en orde in het kamp zoveel mogelijk te bestendigen. De commandant was een gentleman op grond van opportunistische overwegingen, niet vanwege een of ander autoriteitscomplex. Overigens moet Van Liempt Bergen’s boek vaak in handen hebben gehad: het omslag van zijn eigen boek is er een replica van. Niet alleen de illustratie, een portret van Gemmeker, maar ook de titel: Albert Konrad Gemmeker. Commandant van Westerbork heet het boek van Bergen, Gemmeker. Commandant van kamp Westerbork is de titel die Van Liempt gekozen heeft; zelfs het gebruikte lettertype is identiek. Maar het moet worden gezegd: Van Liempt heeft een smaakvoller afbeelding gekozen van de commandant dan Bergen. Niet zomaar een foto, maar een fraai schilderij door Hedda Kuyper. Wie deze kunstenares is, en onder welke omstandigheden het schilderij is gemaakt, komen we uit de dissertatie niet te weten, Van Liempt zwijgt in alle talen.

 


Het staatsieportret


Het andere omslag, de inspiratiebron

En dan de verrassing! Het laatste hoofdstuk voor een nawoord is hoofdstuk 14, getiteld De centrale vraag. De auteur licht toe dat Gemmeker tot het laatst heeft volgehouden dat hij niet wist waar de gevangenen uit zijn kamp naartoe werden gebracht. Dat heeft hem gered, want er is nooit een zaak-Gemmeker tot de Duitse strafrechter doorgedrongen. Dus, zegt Van Liempt, blijft de vraag of dat werkelijk zo was, intrigeren. Is dit dan uiteindelijk toch de achterliggende probleemstelling van de hele onderneming? Het is alsof je de goochelaar achtereenvolgens een duif uit zijn hoge hoed hebt zien halen, een parkiet, een kikker, een hagedis, een slang, een meeuw en dan tenslotte een konijn. Want om dat konijn ging het uiteindelijk, hoor je, als de voorstelling afgelopen is. In het hoofdstuk komt nog eens aan de orde wat door het hele boek al is onderstreept, Gemmeker moet het geweten hebben. Maar dat is bepaald geen onverwachte conclusie: Lou de Jong had het al gezegd en na hem iedereen die zich over de kwestie heeft uitgesproken, en dat zijn er heel wat geweest. De promovendus doet een duit in het zakje dat hij ons op de eerste bladzijden al heeft laten zien: Gemmeker heeft geen sporen nagelaten en is daarom de dans ontsprongen. Je vraagt je af waarom die vraag zo blijft intrigeren. Wat een climax had moeten zijn, een laatste hoofdstuk met duidelijke conclusies en aanbevelingen voor nader onderzoek, is in feite een nieuw begin van de beschouwingen die we net achter de rug hebben. Het gebabbel kan weer van voren af aan beginnen.

Ook Van Liempt heeft geluk gehad. Een promotiecommissie van enig academisch  niveau zou zijn werkstuk pertinent hebben geweigerd als dissertatie. Onder de maat in ieder opzicht. Niet alleen slordig en rommelig, maar ook zonder structuur of lijn. Geen enkele originele gedachte, onverschillig voor de stand van zaken in de discipline, minachting voor al het werk dat vóór hem is verricht. Liefdeloos knip- en plakwerk. Vrijwel alles wat hij te berde brengt over Gemmeker en het kamp Westerbork, vind je bij eerdere auteurs terug en stukken beter. In Groningen hebben ze niet de moeite genomen die teksten naast elkaar te leggen. Ze hebben het vermoedelijk niet eens willen proberen. Oude vrienden onder elkaar…. die mats je toch even?! Die gedachten komen onwillekeurig bij je op.

Je vraagt je in gemoede af of ze daar in het noorden wel goed bij hun hoofd zijn.

 

*) De promotiecommissie stond onder leiding van de beide promotores Johannes Renders en Doeko Bosscher, de beoordelaars waren Dirk Wolffram en Stefan van der Poel; van buiten de Universiteit van Groningen waren M.J. Schwegman en J.T.M. Houwink ten Cate toegevoegd.

 

Naschrift

Op aanraden van vrienden heb ik bovenstaande tekst aan diverse media aangeboden, maar noch De Groene, noch Vrij Nederland was geīnteresseerd in de kwestie… goed om  te weten.

Reactie

De psychiater, psychotherapeut, traumatoloog en publicist Carla Rus heeft zich eveneens gebogen over het proefschrift van Ad van Liempt en haar gedachten daarover op papier gesteld. Ze reageerde op bovenstaande beschouwing, waarvoor ik haar erkentelijk ben. Ik verwijs graag naar haar eigen fraaie website, waar haar doorwrochte betoog te lezen is.
Zie: www.carlarus.nl