Maarten Steenmeijer moedigt in zijn recente ‘vertaalboek’ – Schrijven als een ander. Over het vertalen van literatuur (Amsterdam, Wereldbibliotheek, 2015) – meer aandacht aan voor vertalen. ‘Geef dit prachtige vak de plaats die het verdient’, roept hij uit, ‘vol in de schijnwerpers van ons onderwijs en ons culturele leven’. Daar kan weinig tegenin gebracht worden, maar of dat moet inhouden dat je als vertaler (of, als het daar toch om gaat: schrijver, geleerde of intellectueel in algemene dienst) gaat meebabbelen in kletsprogramma’s op de Nederlandse tv, zoals hij suggereert, weet ik zonet nog niet. Uit de vele voorbeelden in zijn boek kun je opmaken dat vertalen dikwijls een moeizame aangelegenheid is, waarbij je niet alleen met weerspannige teksten te maken hebt, ook met onvriendelijke auteurs en drammerige uitgevers. Ondankbaar werk vaak, slecht betaald.

Steenmeijer vraagt, terecht, aandacht voor het ‘grote leed’ van de vertaler, maar het ambacht kent ook veel ‘klein leed’. Op deze plaats heb ik al dikwijls geschreven over de roman Shaalbhanjika die Dick Plukker en ik uit het Hindi vertalen. Het werk vordert gestaag – voor zover dat lukt in de betrekkelijk weinige tijd die we er aan kunnen besteden. We maken ieder onze eigen vertaling en komen eens per week bij elkaar om het resultaat naast elkaar te leggen en te bespreken. Daar rolt dan een gezamenlijk eindproduct uit. We hebben onze persoonlijke, speciale hang-ups en stijl, de samenwerking zorgt voor meer nuance en evenwichtigheid. Hopen we.

Van de week waren we bezig met het dertiende hoofdstuk. Hoofdpersoon Cetan, filmmaker, staat op het punt om aan de slag te gaan met zijn nieuwe film die geïnspireerd is op zijn grote jeugdliefde, inmiddels overleden. Hij heeft een actrice gevonden, Greshal, die perfect is voor de rol van deze Padma. Aan de vooravond van de eerste opnamedag verkeert hij met Greshal in het vroegere huis van Padma in Udaipur, vlakbij het Picholameer. Flarden van herinneringen aan Padma komen bij Cetan boven. Zoals de allerlaatste keer dat hij haar ontmoette. Ze hadden elkaar een tijd niet gezien – Cetan studeerde aan de filmacademie van Pune. Maar Padma’s zuster Mridula had zelfmoord gepleegd en ter gelegenheid van die trieste gebeurtenis kwam Cetan over. Toen ze elkaar spraken, vroeg Cetan of ze nog wel eens aan vroeger dacht. ‘Nee’, zei ze beslist en ze legde uit dat ze ‘voor de dag’ leeft: nu is nu, morgen is weer een andere dag. En als Cetan straks terug zou gaan naar Pune, ging haar eigen leven gewoon verder. ‘Denk maar niet dat ik hier op je ga zitten wachten’. Zo ongeveer.

Als ze dat heeft gezegd, staat er (in onze voorlopige vertaling): Padma oogde treurig, maar haar stem klonk vastberaden toen ze dit zei ( पद्मा का स्वर उदास हो आया था, पर निष्कम्प वाणी में उसने कहा ). Ze vervolgt: Je gebruikt je droefheid als een sluier waar je je achter verstopt als het je zo uitkomt ( तुम्हारे पास उदासी का एक झीना-सा आवरण है, जिसे जब चाहे ओढ़ लेती हो, जब उतार देती हो ).

Hier rinkelt een belletje. Tegen wie heeft ze het? Aan de werkwoordsvormen (letii, लेत; detii,  देती ) kun je zien dat dit over een vrouw gaat, maar er is niemand anders in de buurt, ze is samen met Cetan. Heeft ze het over zichzelf? Ook in het Hindi komt het wel voor dat mensen iets over zichzelf zeggen in de tweede persoon. Maar als dat in dit geval van toepassing is, waar slaat het dan op? Ze heeft zich net ferm uitgesproken – ondermijnt ze die flinkheid meteen?

Met zo’n vraagstuk kun je als vertaler lang en intensief bezig zijn, het kost tijd en energie, want onwillekeurig ga je het voorafgaande na om te zien of je de tekst eigenlijk wel goed begrepen had. En nog eens. Is er toch niet een logische verklaring te vinden voor deze hoogst merkwaardige uitspraak van Padma? Onzekerheid. Ook de opmaak van de pagina (inspringen, witregel, nieuwe alinea) biedt geen houvast. De omstreden zin over de sluier is met een komma verbonden aan de voorafgaande zin, die eindigt met toen ze dit zei. Alsof ze dus nog steeds aan het woord is.

Maar dan opeens gaat er bij collega Plukker een lichtje branden: die komma deugt niet, dat moet een punt zijn! Het is niet Padma die het beeld van de sluier gebruikt, maar Cetan. Alles valt nu op z’n plaats, inderdaad, zó moet het zijn, Cetan verwijt Padma opportunisme. Het past bij zijn bokkigheid, Padma is voor hem onbereikbaar, hij heeft alles voor haar over, zij wijst hem af (hij is te jong en van de verkeerde kaste).

Als lezer ben je voor de interpretatie van teksten mede afhankelijk van leestekens en in Europa of de Verenigde Staten kun je daar over het algemeen blind op varen: er staat een punt waar een punt hoort te staan en een komma waar een komma hoort te staan. In het Hindi geldt dat niet. Oorspronkelijk is een rechtop staand streepje het enige leesteken in Hindi-teksten –। —  ‘onze’ punt, die het eind van een zin aangeeft. Het Hindi kent ook geen hoofdletters.

. , : ! ? ; “ “

Maar sinds kort hebben onze leestekens ook daar ingang gevonden. Helaas kun je er niet blind op varen – voor zetters en drukkers, maar vermoedelijk ook schrijvers, is het gebruik van punten, komma’s, aanhalingstekens, uitroeptekens en vraagtekens geen ‘tweede natuur’. In de tekst van Shaalbhanjika hebben we herhaaldelijk zitten puzzelen. Aanhalingstekens worden soms geopend maar niet meer gesloten, een vraagteken zou eigenlijk een uitroepteken moeten zijn; wat betekenen in godsnaam drie puntjes? Ook de alinea-indeling lijkt soms volkomen willekeurig. Laat ik het maar niet over de spelling hebben!

Als vertaler hoor je dat soort dingen te weten, het is een alledaags onderdeel van het nederige ambacht. Aan de heroïek van het vertalen, de supervondsten, de gelukkige oplossingen, het gevoel voor het juiste woord, ben je dan nog helemaal niet toe.