In maart 2011 werd het noordoosten van Japan door zware aardbevingen en een tsunami getroffen. Erger dan ooit. Bijna 25.000 mensen dood of vermist, ontelbare gewonden, materiële schade die opliep tot honderden miljarden euro. De kerncentrales bij Fukushima zwaar beschadigd en buiten werking gesteld. Een tikkende tijdbom. We hebben er lang niets meer over gehoord in Nederlandse kranten, maar afgelopen week stond in NRC Handelsblad (5 juni 2015) een reportage over ‘De kinderen van Fukushima’. Strekking: het gaat niet goed met ze, vermoedelijk als gevolg van grote psychische spanningen, ook bij de ouders. De beperking van bewegingsvrijheid en de onzekerheid over de toekomst dragen daar sterk aan bij. Een centraal kenmerk van een kernramp is de voortdurende angst voor kanker en allerlei andere gezondheidsproblemen.

Ook in Tokyo schokte de aarde, maar de stad werd ditmaal voor het ergste gespaard. Hoewel … Er viel weliswaar geen gebouw om, maar toch werd het stedelijke bestaan keihard geraakt. Dat laat een interessante dimensie zien van het begrip stedelijke kwetsbaarheid. Steden zijn niet alleen kwetsbaar door aanvallen van buitenlandse mogendheden of terroristen, door incompetente bestuurders en corrupte politici, door overstromingen, orkanen of droogten, maar dus ook door rampen die zich op afstand voltrekken. Fukushima maakte iedereen eens te meer duidelijk dat hier een groot deel van de elektriciteit wordt opgewekt waar het leven in Tokyo, zo ver naar het zuiden, van afhangt.

Een tijdje na de ramp was ik in Tokyo, op bezoek bij een collega, Japanologe aan de Universiteit van Cambridge. Ze was eind maart naar Japan afgereisd om onderzoek te doen in Yamana, een havenplaatsje in het getroffen gebied. Daarna zou ze een tijdje in Tokyo zitten om haar materiaal uit te werken en omdat ze mijn nogal morbide belangstelling voor stedelijke rampen kent, nodigde ze me uit. Ik was al eerder in Japan geweest, maar nooit met iemand die het land goed kent en de taal vloeiend spreekt. Het was leerzaam om haar verslagen te horen over het rampgebied. Yamana had omstreeks 20.000 inwoners, ruim duizend mensen waren dood of vermist. Net als elders lag er een beschermende tsunami-muur om het stadje, maar de golven waren er ditmaal met gemak overheen gespoeld. Er waren veel slachtoffers gevallen, ook vanwege het ‘cry wolf’-effect: er wordt zo vaak gewaarschuwd voor aardschokken en een tsunami terwijl er niets gebeurt dat mensen het op den duur wel geloven en geen voorzorgsmaatregelen meer treffen. Tja, en dan opeens is het een keer wel raak. Hoe verwoestend de natuur ook mag zijn, veel schade en narigheid ontstaat indirect, met name door brand omdat gasleidingen ontploffen of kachels omvallen. De buitenlandredacties van Nederlandse kranten schreven destijds vol ontzag over het gedisciplineerde karakter waarmee de ramp door de bevolking tegemoet werd getreden. Dat klopte in grote lijnen, maar er werd wel degelijk ook op grote schaal gestolen en geplunderd. Toch was het medeleven soms ontroerend, zoals toen groepen sumoworstelaars in de rampgebieden soep kwamen uitdelen. In Japan is dat ongeveer alsof de goden zelf uit de hemel waren neergedaald. Bij opruimings- en schoonmaakactiviteiten werden met grote zorg fotoalbums verzameld, gedroogd en tentoongesteld – een manier om de doden en vermisten in ere te houden.

In Tokyo werd me door verschillende mensen verteld dat je de eerste tijd na de ramp in de stad kon merken dat de gebeurtenissen ook hun weerslag hadden op het leven hier. Was het uit solidariteit? Misschien. Iemand die pendelt tussen Tokyo en Nagoya zei dat de betrokkenheid toe- of afneemt met de afstand: ten zuiden van Tokyo is Fukushima voor veel mensen heel ver weg. Het uitgaansleven en de vermaaksindustrie hadden stilgelegen of op halve kracht gedraaid, ook al vanwege de drastische teruggang in zowel het binnenlandse als buitenlandse toerisme. Maar eind mei, begin juni begon het gewone leven in Tokyo weer een beetje op gang te komen.

Toch manifesteerde de kwetsbaarheid op afstand zich óók in meetbare eenheden: door het uitvallen van de kerncentrales raakte de elektriciteitsvoorziening van de stad in het ongerede. ’s Zomers is het nat en benauwd in Tokyo, een hoge vochtigheidsgraad onder een dik wolkendek. Normaal gesproken wordt de stad afgekoeld door airconditioning op enorme schaal, maar daarop moest worden bezuinigd en dat voel je meteen. Bij de kwetsbaarheid van steden ben je misschien geneigd om aan grote, dramatische situaties te denken: instortende gebouwen, grootschalige opstanden, verzengende branden, tanks in de straten, rottende kadavers. Als het gaat om kwetsbaarheid op afstand is alles subtieler en als buitenstaander merk je vaak pas dat er iets aan de hand is als het je door insiders wordt verteld. Zonder mijn gids zou ik na mijn bezoek aan Tokyo desgevraagd naar eer en geweten hebben verklaard, dat er in de stad van die hele tsunami niets te merken was geweest. Maar nu had ik steeds een opschrijfboekje bij de hand om de terloopse opmerkingen van mijn collega en de andere mensen die ik ontmoette te noteren.

Grote publieke ruimten zoals stations, vliegvelden, supermarkten, warenhuizen en winkelcentra zijn uitgerust met liften en roltrappen – onmisbaar in een miljoenenstad die in de hoogte gebouwd is. Sommige restaurants, winkels of kantoren bevinden zich op de achtste, tiende of vijftiende verdieping van een wolkenkrabber; wie zou daar ooit komen met de trap? Toch moest er bezuinigd worden en lang niet alle roltrappen of liften werkten of konden maar een deel van de dag worden gebruikt. Supermarkten die normaal gesproken 24 uur per dag geopend zijn, waren nu ’s nachts gesloten en in de hele stad werd drastisch bezuinigd op verlichting, ook reguliere straatverlichting. Datzelfde gold voor reclame of andere vormen van informatievoorziening zoals verkeersborden of richtingaanwijzers. Winkels die zich gewoonlijk afficheren met uitdagende lichtbakken of kunstzinnige neonreclames, zagen er niet zo spectaculair uit als je had verwacht op grond van hun reputatie. Dat sprak vooral in het Akihabaradistrict, beter bekend als Electric City. De naam zegt het al: een dichte verzameling van felverlichte en met schreeuwerige reclame uigeruste warenhuizen en winkelketens op het gebied van de elektronica – alles wat God gemaakt heeft voor computers, geluidsdragers en beeldverschaffers, is hier te koop. Maar de koopjespaleizen zagen er zonder al die glitter en glans wat somber en afgedragen uit, ook al omdat onder de huidige omstandigheden weinig animo bestaat om dit soort producten te kopen. Wat altijd zwart ziet van de consumenten, leek nu zelfs nogal verlaten.

Wat voor verlichting geldt, gaat net zo hard op voor de airconditioning. In de benauwde zomers van Tokyo kon je altijd op adem komen door een station of een warenhuis binnen te lopen: na enkele tellen was je dan door de airco weer tot normale temperaturen afgekoeld. Ik kon me dat ook van een vorig bezoek aan Tokyo herinneren. Dat was nu niet meer zo gemakkelijk. Ik ben gewend aan tropische steden met een hoge vochtigheidsgraad, maar het klimaat van Tokyo was af en toe zelfs voor mij wat teveel van het goede; ik zat vaak moe en bezweet op een bankje om een beetje bij te komen – de airco werkte op halve kracht of helemaal niet. Helaas waren ook de treinen voller dan anders omdat de dienstregelingen waren aangepast aan de nieuwe realiteit: minder treinen dus.

Maar voor de stadsbevolking waren er enkele verlichtende maatregelen. Hier en daar kon je weer gewone elektrische fans kopen, een overblijfsel uit een primitieve fase in de Japanse geschiedenis en een goedkoop alternatief voor de airco. Ook zag je menigeen met een waaier over straat lopen – maar of dat zo uitzonderlijk was, weet ik niet eens. Grote bedrijven hadden de kledingvoorschriften versoepeld. Mannen mochten zonder stropdas op kantoor komen en hier en daar werd zelfs toegestaan om in ‘vrijetijdskleding’ te verschijnen. Ik moest geloven wat me werd verteld, maar ik heb er weinig van gezien. Hier en daar zag ik een geïsoleerde heer inderdaad zijn stropdas afdoen, maar de keurig geklede man in maatpak, met smetteloos overhemd en stropdas, domineerde nog altijd het straatbeeld. Voor zover ik kon zien, tenminste.

Tokyo is bepaald geen rampgebied en de situatie is fundamenteel verschillend van de streken waar mensen familieleden, werk, huis en haard zijn kwijtgeraakt, maar desondanks is de stad op streng dieet gezet en moeten de bewoners zich plotseling aanpassen aan een strikter, kariger, strenger bestaan. Het is opmerkelijk dat je niets merkt van gekanker, onvrede, woede of erger. Zelfs in zo’n grote stad zijn mensen blijkbaar in staat om zich collectief te schikken en aan te passen; je moet niet denken aan de golven van zelfbeklag en verongelijkte woede die een land als Nederland zouden overspoelen als er iets op die schaal zou gebeuren.

Hoe kan dat? Japanners weten uiteraard dat ze altijd zullen leven onder de doem van aardbevingen en tsunami’s, maar je zou toch ook denken dat er iets in de Japanse cultuur zit dat tot zulke inschikkelijkheid en opofferingsgezindheid leidt. Toch hebben de gevolgen van Fukushima blijkbaar iedereen verrast. De ontwikkelingsstoornissen bij kinderen waren niet voorzien en niemand weet goed hoe ermee om te gaan. Deze kinderen vereisen een diagnose, maar na de ramp van vier jaar geleden staat de gezondheidszorg in Fukushima onder zware druk, meldt de krant. Er zijn geen therapeuten of andere experts met ervaring. Wat gaat er gebeuren als de kinderen straks volwassen worden? Hoe gaan ze reageren als ze te horen krijgen wat er in maar 2011 is gebeurd? Er ligt nog een enorm, onontgonnen, onderzoeksgebied klaar voor de Japanologie.

 

illustraties:
kindje in bus en omroepgebouw Tokyo: foto’s Lodewijk Brunt (copyright)