Ras is een idee van de menselijke geest staat parmantig boven een stuk in NRC Handelsblad (25, 26 juli 2015). Auteur: Machteld Roede, fysisch antropoloog en specialist ter zake van ras. Wat ik me bij zo’n titel moet voorstellen weet ik niet zo gauw. Bestaat er ook een idee dat niet afkomstig is van de menselijke geest? De krant heeft al vaker laten zien dat zijn koppenmakers geen gelukkig hand hebben. De strekking van het stuk is trouwens duidelijk genoeg: menselijke rassen bestaan niet, althans niet volgens de biologie. Volgens de schrijfster is dat sinds 1950 vastgesteld. Curieus. Door wie? Op welke gronden? Ik heb altijd gedacht dat dit inzicht al langer gemeengoed was en ik denk bij voorbeeld aan Otto Klineberg die in de jaren dertig liet zien dat het lage IQ van zwarten aanzienlijk stijgt als ze in een betere sociale positie terechtkomen.

Dat ongelijkheid van rassen een rechtvaardiging vormde voor kolonialisme en slavenhandel, zoals in het stuk wordt opgemerkt, lijkt me wat kort door de bocht, zoals dat tegenwoordig heet. Misschien bij sommige kolonialen en slavenhouders, maar aan rechtvaardigingen bestond niet zo’n grote behoefte en bovendien waren er nog wel andere goede gronden te bedenken – laten we politiek-economische overwegingen vooral niet uitsluiten. Bovendien kan ongelijkheid op verschillende manieren worden uitgewerkt – hoeveel voorbeelden zijn er niet te vinden van uitspraken die gebaseerd zijn op (biologisch) rasonderscheid zonder dat daaraan een morele betekenis wordt verbonden. En, niet te vergeten: de positieve connotaties die verbonden worden met rasverschillen (‘Joden zijn slimmer dan andere mensen’; ‘Zwarten zijn muzikaler’; ‘Afrikanen staan dichter bij de natuur’).

Roede gaat speciaal in op de periode van het nazisme in Duitsland en de invloed die deze ideologie had op de denkbeelden over ras. Ze meldt dat de Duitse antropologie door het naziregime onder druk werd gezet om resultaten van wetenschappelijk onderzoek te vervalsen en naar de hand te zetten van de machthebbers. Dat zal ongetwijfeld gebeurd zijn. Overal wordt de geschiedenis herschreven als er een nieuwe politieke elite in het zadel komt – op dit moment vindt het plaats in Poetins Russische heilstaat en in het India van Narendra Modi en zijn Hindoefundamentalistische achterban, om maar een paar opmerkelijke plekken te noemen. De wetenschap laat zich maar al te graag corrumperen, ook in die sector is moed schaars. Toch vraag ik me af of Roede de situatie helemaal juist weergeeft.

Veel denkbeelden over ras zijn ‘biologistisch’ van aard: aan bepaalde groepen worden eigenschappen en kwaliteiten toegeschreven die zouden wortelen in de biologie, genen, instincten, erfelijke aanleg of soortgelijke begrippen. Biologismen bestaan op het gebied van ras, sekse en sociale klassen. Het nazisme ging niet alleen uit van dergelijke biologismen, maar ook van de ‘eugenetiek’: de wetenschap die zich bezighoudt met het vraagstuk hoe erfelijke eigenschappen mogelijkerwijs verbeterd kunnen worden, alsook met het beleid om zo’n verbetering te realiseren. Het verbod op voortplanting bij geestelijk gestoorden, bij voorbeeld, of uitroeiing van hele bevolkingsgroepen.

Roede vermeldt niet de bijna vanzelfsprekendheid waarmee biologistische uitgangspunten in de (Europese) wetenschapsbeoefening werden gekoesterd, de Duitse wetenschap was bepaald niet uitzonderlijk. Tal van geleerden hielden zich bezig met onderzoek naar geestelijke rasverschillen, de gewoonste zaak van de wereld. Ook in Nederland. Toen ik het betoog van Roede las, dacht ik aan het onderzoeksverslag van een aantal Nederlandse antropologen en sociologen over hetzelfde onderwerp. Het verslag verscheen in 1978, als hoofdstuk in een jubileumboek over vijftig jaar sociale wetenschapsbeoefening in Nederland: Toen en Thans, uitgekomen bij Amboboeken te Baarn onder redactie van Frank Bovenkerk en anderen. De auteurs hebben een zorgvuldige inhoudsanalyse toegepast op een achttal vooraanstaande tijdschriften waarin werd gepubliceerd over sociaalwetenschappelijk onderzoek – jaargangen 1930 – 1940. Onder de Nederlandse tijdschriften onder andere Mensch en Maatschappij, De Gids, een paar Duitse tijdschriften en, ter vergelijking, twee Amerikaanse tijdschriften.

Wat de onderzoekers allereerst opviel was het geringe aantal ‘biologistische’ artikelen vergeleken met het totaal aan bijdragen. In De Gids verschenen in de bewuste periode bijna 550 artikelen, daarvan hadden er in totaal 10 (tien!) een biologistische karakter, acht artikelen waren ‘pro-biologistisch’ of zelfs ‘pro-racistisch’, twee waren tegen (met name tegen de eugenetiek). In Mensch en Maatschappij lagen de verhoudingen iets anders: ruim dertig ‘pro-artikelen’, bijna twintig ‘tegen-artikelen’ op een totaal van bijna tweehonderd. In het American Journal of Sociology verschenen in die hele periode slechts twee biologistische stukken op een totaal van 417. In de American Anthropologist is de oogst niet veel groter. Het is tekenend voor het isolement van de Nederlandse wetenschapsbeoefening dat de Amerikaanse discussies over rasverschillen en dergelijke – Otto Klineberg had veel biologisten definitief de mond gesnoerd — uit de jaren toen en twintig, hier totaal niet waren doorgedrongen.

De onderzoekers bestudeerden ook een aantal Duitse tijdschriften, ik zei het al: Zeitschrift für Ethnologie en Kölner Vierteljahrschrift. Het eerste is tot 1940 blijven bestaan, het tweede moest in 1934 worden opgeheven. Op basis van Roedes analyse zou je sterk afwijkende cijfers verwachten, maar daar is geen sprake van: in het etnologische tijdschrift nog géén tien artikelen op de bijna driehonderd, in het Keulse kwartaalschrift nauwelijks 4 op 101. De onderzoekers opperen twee verklaringen voor de resultaten van hun onderzoek. De wetenschapsbeoefenaars voelden zich verheven boven het vulgaire politieke gedoe van de nazi’s en verwaardigden zich niet hier serieus op in te gaan. Dat zou heden ten dage zeker anders zijn: van academici wordt niet meer geaccepteerd dat ze zich opsluiten in ivoren torens. Bovendien, merken de onderzoekers op: in de vaktijdschriften richtte men zich tot vakbroeders en – zusters – het was niet nodig voor zulke goede verstaanders de absurde racistische claims van het nationaalsocialisme te gaan weerleggen.

Uit het relaas van Roede krijg je een beetje de indruk dat Nederland verlicht was vergeleken met Duitsland en dat allerlei Nederlandse geleerden zich op hoge toon hebben uitgesproken en zich hebben verzet tegen het racisme uit Duitsland. Uit het onderzoek in Toen en Thans blijkt dat niet. H.J.T Bijlmer stelde volgens Roede gefingeerde antropologische attesten op, net als Arie de Froe, maar diezelfde Bijlmer schreef in 1936: de makers van de Duitse sterilisatiewet zijn geen kritiekloze maniakken. De onderzoekers vragen aandacht voor iemand als W.A. Bonger, socioloog, criminoloog, maar ook vurig sociaaldemocraat en fel tegenstanders van het nazisme. Zijn werk is uitgesproken biologistisch: vrouwen zijn niet geschikt door de democratie, het gros van de bevolking is niet in staat om meer dan lager onderwijs te volgen, negers hebben een lage aangeboren intelligentie.

Racisme, seksisme en ‘elitisme’ zijn noodzakelijke uitvloeisels van biologistisch uitgangspunten. Dat geldt tot op zekere hoogte ook voor denkbeelden over de vermeende superioriteit van rassen of het oersterke ‘zwakke geslacht’. De voor- en tegenstanders van dubieuze ideologieën uit de jaren dertig hadden wat dat betreft meer gemeen dan je tegenwoordig misschien graag zou zien. De gedachte dat rassen niet bestaan, de conclusie van Roede, komt trouwens uit diezelfde denkwereld voort.

 

illustratie:
portret Otto Klineberg; bron: thegrio.com