Erich Maria Remarque is zo’n beetje de personificatie van de ‘Verloren Generatie’: verbitterd en gedesillusioneerd uit de oorlog gekomen en zwaar uit het maatschappelijke lood geslagen. Twaalf ambachten en dertien ongelukken. Pas jaren na de oorlog vond hij zijn bestemming, eerst als journalist, daarna als schrijver. Zijn bekendste werk – Im Westen nichts Neues – zou een soort afrekening zijn: in één klap alle frustraties van zich afgeschreven in de vorm van een documentair verslag van wat hij als soldaat had gezien, gehoord en meegemaakt. Mijn leesclub had het boek geselecteerd – in het kader van het streven naar het lezen van ‘klassieken’ en, dit jaar, de herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Alle leden kenden het boek van reputatie, maar op een enkele uitzondering na, had niemand het ooit eerder gelezen. Im Westen nichts Neues werd in 1929 voor het eerst gepubliceerd, ruim tachtig jaar geleden, maar lijkt nog nauwelijks aan actualiteit en leesbaarheid te hebben ingeboet. Het proza is kort en krachtig, het verhaal wordt opgebouwd aan de hand van dialogen en activiteiten, het aantal morele en politieke bespiegelingen is klein en zorgvuldig weggewerkt in de tekst. Toch is het onderwerp explosief: brute oorlogshandelingen, loopgraven, ratten, mosterdgas, kapotgeschoten lichamen, panische angst, afgrijselijke verwondingen, luizen, voedsel- en watergebrek, achtervolgingen door de vijand, de wankele moraal bij gewone soldaten. Je moet sterke zenuwen hebben.

Ein junger Franzose bleibt zurück, er wird erreicht, hebt die Hände, in einer hat er noch den Revolver – man weiss nicht, will er schiessen oder sich ergeben -, ein Spatenschlag spaltet ihm das Gesicht. Ein zweiter sieht es und versucht, weiterzufluchten, ein Bajonett zischt ihm in den Rücken. Er springt hoch, und die Arme ausgebreitet, den Mund schreiend weit offen, taumelt er davon, in seinem Rücken schwankt das Bajonett.

Pas recent is door archiefonderzoek bekend geworden dat de ontstaansgeschiedenis van het boek anders is dan velen hadden gedacht. Er zijn verschillende versies van het manuscript boven water gekomen waaruit blijkt dat Remarque behoorlijk aan de tekst heeft zitten schaven, zijn boek is wel degelijk een weldoordachte, goedgecomponeerde roman, geen documentaire die spontaan uit zijn gemoed opwelde. Uit zijn dagboeken blijkt dat hij zich daarover niet altijd gerust heeft gevoeld: Das Trinken; das Lügen über Autorennen; die Kriegssachen; die Buchwalddinge; der ganze verschobene und falsche Aufbau: alles, alles daher. Later schrijft hij dat zijn ‘complexen’ juist door zijn boek zijn aangewakkerd. Die Angst. Das Gefühl des Schwindlers.

Het is niet duidelijk wat Remarque precies heeft meegemaakt van de oorlog. Hij kwam in juni 1917 aan het front, maar werd na een maand ernstig gewond, aan been, hals en zij, naar het ziekenhuis gebracht waar hij maanden heeft doorgebracht – zijn tijd vullend met schrijven (en, vanzelfsprekend, luisteren naar de verhalen van zijn gewonde makkers). In het boek komt ter sprake dat zijn afdeling (althans als we de hoofdpersoon van het boek mogen beschouwen als de alter ego van Remarque) was gelegerd in Langemark, maar zelfs in de passage waar dit gebeurt schemert door dat dit vermoedelijk als (verkapte) provocatie was bedoeld: hij wil een officier op z’n nummer zetten die hem hooghartig een paar keer laat salueren.

Langemark deed de haren van iedere Duitser te berge rijzen. In het begin van de oorlog werd daar vreselijk gevochten tijdens de Eerste Slag bij Ieper. De Duitsers trokken op met de 51ste Reservedivisie die voornamelijk uit jonge vrijwilligers bestond: nauwelijks getraind, slecht bewapend. De slag werd berucht als de Kindermord bei Ypern en tot de slachtoffers behoorde onder anderen de jonge Peter Kollwitz die met steun van zijn moeder Käthe Kollwitz dienst had genomen; hij was precies één dag aan het front geweest. Het treurend ouderpaar is het beeldhouwwerk dat moeder Kollwitz ter nagedachtenis aan deze treurige geschiedenis heeft vervaardigd voor de Duitse oorlogsbegraafplaats te Vladslo.

Als je in de oorlog als Duitse soldaat tegen iemand zei dat je bij Langemark had gevochten, zou dat onmiddellijk respect moeten afdwingen. Bij de officier die Remarque ten tonele voert, werkt het niet, hij wordt er alleen maar bozer van: je haalt het niet in je hoofd om de anarchie van het front hierheen te verplaatsen!

 

 

De vraag is of het er toe doet bij de beoordeling van het boek wat Remarque precies uit eigen ervaring wist, uit eigen fantasie of van horen zeggen. Ik denk aan de passage waarin de hoofdpersoon (Paul Bäumer) een Franse soldaat om zeep brengt die tijdens gevechten bij hem in een bomkrater terechtkomt. Het stervensproces duurt lang en gaat met veel gerochel gepaard. Bäumer is bang dat hij door Franse soldaten gevonden zal worden die hun makker zullen wreken, dus probeert hij de stervende een beetje op te lappen om van zijn goede wil te getuigen. De man sterft in zijn armen en Bäumer doorzoekt zijn papieren en ontdekt wie hij heeft gedood: Gérard Duval, boekdrukker. Hij schrijft het adres op en neemt zich voor de weduwe na de oorlog te bezoeken of haar iets te sturen. Ich habe den Buchdrucker Gérard Duval getötet. Ich muss Buchdrucker werden, denke ich ganz verwirrt, Buchdrucker werden, Buchdrucker –

Iemand die zulke scènes kan schrijven heeft de oorlog wel degelijk meegemaakt, ook al is hij misschien niet in Langemark geweest, ook al duurde zijn actieve dienst misschien maar een maand.