Na Parijs 13/11 is er een stortvloed van commentaar en beschouwing over ons uitgestort—begrijpelijk. Een groot deel is trouwens nogal tegenstrijdig. De Franse president verklaarde de oorlog aan het terrorisme en sprak met ontzag over de professionaliteit van de vijand, ook in andere commentaren wordt verwezen naar de geoliede organisatie van IS en het jihadistische leiderschap—dat zou bestaan uit perfect getrainde hoge officieren van het voormalige Irakese leger. Geduchte tegenstanders, waartegen we ons nauwelijks kunnen wapenen. Anderen wijzen juist op de knulligheid en domheid van de terroristen, hun puberale zucht naar publiciteit en hun opgeblazen eigendunk (no pun intended); jongens en meisjes die het op de middelbare school in Brussel of Parijs niet konden redden en als losers in de kleine criminaliteit terechtkwamen, vaak na twaalf ambachten en dertien ongelukken. Als strijders in Syrië worden hun portretten en hun lugubere heldendaden over de hele wereld verspreid, eindelijk de aandacht die ze blijkbaar zo lang en tevergeefs hadden nagestreefd. En dat alles in de naam van religieus aandoende losse kreten en drogredenen.

Mij treft de retoriek van de angst waarin het commentaar gegoten is. Ondanks allerlei noties over de herkomst van de terreur en het terrorisme valt het verschijnsel blijkbaar niet duidelijk te lokaliseren. Ze leven ‘in een andere wereld’, zoals een kenner zei. En de socioloog Farhad Khosrokhavar verklaarde in de Groene Amsterdammer (19 november 2015) dat de IS kan beschikken over een ‘reserveleger’ in de grote steden van Europa dat zich zou bevinden in een ‘reservoir van mislukking, afwijzing, verongelijktheid en slachtofferschap’. Die reserves zouden onder andere te vinden zijn in het Brusselse Molenbeek, in Parijse voorsteden als Créteil, St Denis of Fleury-Mérogis, misschien ook Amsterdam-West. Ik heb diverse keren met ernst en overtuiging horen beweren dat zulke gebieden voor de autoriteiten gelden als no go areas en dat zelfs de politie er niet durft te patrouilleren, laat staan mensen aanhouden. Ik zag in tv-reportages uit zulke buurten opgewonden jongemannen hun grote instemming betuigen met de terroristische acties en uitschreeuwen dat Frankrijk één grote gevangenis voor ze is.

De gevreesde reservelegers verblijven niet alleen fysiek in een andere wereld, ook moreel: in hun wereld geldt de rede niet, je krijgt geen vat op ze, je weet niet hoe je ze moet benaderen. ‘Met liefde’, zoals een groot terrorismedeskundige in NRC Handelsblad (19 november 2015) liet optekenen, maar dat lijkt een moeilijke opdracht. Door alle beschouwingen en discussies heen schijnt de mystieke kracht van de radicalisering. Door schijnbaar bovenaardse invloeden worden sommige ontwortelde jongeren daardoor aangeraakt en dan ben je ze voor altijd kwijt. Vroeger verloor je de kinderen aan de Rattenfänger von Hameln, nu door een geheimzinnig, abstract proces. Sommigen wijden beschouwingen aan strategieën van deradicalisering en spreken hun vrees uit voor herradicalisering, maar ik heb nog nooit ergens gelezen of gehoord wat er precies mee bedoeld wordt.

De retoriek van de angst plaatst de terroristen en het verschijnsel van terreur buiten ons gezichtsveld. Je zou dit, met een fraaie Engelse uitdrukking, de denial of coevalness kunnen noemen: een poging om de groep over wie je het hebt in een andere dimensie te situeren, een wereld waarin ‘normale’ reacties en denkwijzen niet (meer) gelden. Een bekend mechanisme. Ten tijde van de verstedelijking en industrialisering in Europa, hier wat eerder, daar wat later, trokken er horden landverhuizers naar de nieuwe centra, voor werk, scholing, en een nieuw, opwindend bestaan. De gevestigde bevolking werd geconfronteerd met vreemd volk, andere gebruiken en gewoonten, eigenaardige dialecten, onbekende etnische eigenschappen. Het snel groeiende Londen werd in de eerste helft van de negentiende eeuw aangeduid als het ‘grote Babylon’, niet in de laatste plaats vanwege de letterlijke en figuurlijke spraakverwarring die volgde op de immigratie. Een enkele journalist of schrijver waagde zich onder de nieuwkomers en schreef over ziekte, armoede, criminaliteit, onwetendheid en promiscuïteit. De autoriteiten werden met klem aangesproken: er moest iets gebeuren en snel ook, anders zou ‘onze’ beschaving tenonder gaan. Het beroemde pamflet The Bitter Cry of Outcast London uit 1883 riep uit, in kapitalen: WE MUST FACE THE FACTS AND THESE COMPEL THE CONVICTION THAT THIS TERRIBLE FLOOD OF SIN AND MISERY IS GAINING UPON US. IT IS RISING EVERY DAY.

Henry Mayhew, de schrijver van de indrukwekkende, vierdelige ‘encyclopedie’ van de toestand van de massa van de Londense bevolking—London Labour and the London Poor—ontvouwde zijn theorie van de wandering tribes. Iedere beschaving, betoogde hij, bestaat uit een gevestigde bevolking met daaromheen een cirkel van nomaden, zwervers en andere ongrijpbare groeperingen, die erop uit zijn deze beschaving te ondermijnen. Het gaat om dieven en profiteurs, ze pikken ‘ons’ geld en ‘ons’ werk en ze vormen een bedreiging van ‘onze’ manier van leven. Ze ontwikkelen een eigen taal—cuze-cat—om hun perfide bedoelingen te maskeren. Deze paupers, bedelaars en zwervers bezitten zelf niets, maar bestaan van what they acquire by depredation from the industrious, provident, and civilized portion of the community. Al zulke Sonquas, Fingoes, Bushmen, Bedouins ontwikkelen niet alleen parasitaire manieren van leven, maar zijn ook te onderscheiden door raciale kenmerken: anders gevormde schedels, meer spierkracht, geringere intelligentie. Ook hier een denial of coevalness. Andere wereld, andere wezens.

Mayhew was geen botte reactionair of verkapte racist, hij was een buitengewoon slimme waarnemer, een meesterlijke stylist en een scherpe maatschappelijke analyticus. Hij was een van de weinige vertegenwoordigers van de Britse gezeten middenklasse die zich onvervaard onder de ‘gevaarlijke klassen’ begaf, contacten legde en vraaggesprekken voerde, op straat, bij mensen thuis. De lezers van de tijdschriften waarin hij publiceerde, vooral de Morning Chronicle, protesteerden heftig tegen de reportages die hij aanleverde: ze wensten hun ontbijt niet te laten bederven door invoelende verhalen over arme sloebers en sappelaars van de straat.

Veel van de kwalificaties die in de negentiende eeuw golden voor het stedelijke proletariaat kun je in bijna ongewijzigde vorm teruglezen in wat je vandaag de dag hoort over migranten en hun nazaten uit Derde Wereld, in het bijzonder de moslims onder hen. Vluchtelingen, asielzoekers. De retoriek van de angst heeft ruime toepassingsmogelijkheden. Gevaar bestrijd je er niet mee—misschien biedt de retoriek troost of houvast.

Maar ik denk dat je er vanuit zou moeten gaan dat er wel degelijk van coevalness sprake is. Misschien begrijpen we beter wat er aan de hand is als iemand ons een keer kan uitleggen wat er precies met radicalisering en alles wat daarmee samenhangt, wordt bedoeld, hoe het werkt, hoe je het kunt herkennen. Misschien helpt het als we ons realiseren dat IS en zijn  reservelegers zich niet in andere dimensies bevinden, maar in een wereld waar we allemaal deel van uitmaken, met alle redelijkheid en onredelijkheid vandien.

 

illustraties:
‘terreur’; bron: www.strippagina.nl
Henry Mayhew; bron: www.victorianlondon.org