In zijn recente boek Het rijtjeshuis (uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2013) meldt Bernard Hulsman dat 60% van de Nederlandse bevolking een rijtjeshuis bewoont, dat vier van de zeven miljoen woningen in dit land rijtjeshuizen zijn, driekwart van na de Tweede Wereldoorlog. Het gaat hier om ‘hét’ Nederlandse huis. Op zichzelf verbaast me dit niet, rijtjeshuizen zijn net zo Nederlands als ontbijtkoek, Albert Heijn, appelstroop of Sinterklaas, maar toch vraag ik me af hoe de auteur aan die cijfers komt. Staan rijtjeshuizen als zodanig ergens geregistreerd? Is het een schatting? Uit de duim gezogen? Geen overbodige vraag want Hulsman zegt zelf, met nadruk, dat rijtjeshuizen onderling nogal verschillen (‘ongelooflijk grote variëteit’) – wat goed te zien is op de prachtige foto’s van Luuk Kramer in het boek. In zekere zin woon ik ook in een rijtjeshuis, aan een Amsterdamse gracht, maar ik weet zeker dat mijn woning op geen enkele officiële lijst als rijtjeshuis voorkomt – wie je ernaar vraagt zal het pand aanduiden als ‘grachtenhuis’ of zoiets. Pas in het ‘Nawoord’ van Hulsman vond ik een definitie, terloops opgeschreven, tussen haakjes: ‘herhalingen van exact dezelfde woningen in een aaneengesloten rij’. Daar hoort nog iets bij, want rijtjeshuizen worden niet door individuele particuliere opdrachtgevers gerealiseerd, maar door woningbouwcorporaties of projectontwikkelaars, al dan niet in combinatie met de (gemeentelijke) overheid.

 

Hulsman ziet de oorsprong van het rijtjeshuis in zestiende- en zeventiende eeuwse hofjes en arbeiderskolonies en volgt de geschiedenis tot en met de vinexwijken uit de jaren 1990 en 2010, waarin het rijtjeshuis prominenter dan ooit figureert. Tuindorpen, doorzonwoningen, bloemkoolwijken – het hele Nederlandse palet van sociale woningbouw en stedenbouw passeert de revue. De schrijver is zelf afkomstig uit een groot rijtjeshuisgezin, wat misschien zijn liefdevolle aandacht voor het verschijnsel verklaart. Dat had trouwens ook heel anders kunnen uitpakken, want het rijtjeshuis staat bij velen in een kwaad daglicht: fantasieloos, eenvormig, saai, monotoon.

Hulsman schrijft de negatieve kwalificaties toe aan de Nederlandse ‘intelligentsia’ en benoemt cabaretier Youp van ’t Hek tot een soort woordvoerder, die ‘Henk en Ingrid’ hekelt als spitsburgers in een doorzonwoning met een Opel voor de deur. Het venijn van de schrijver is aan mij niet erg besteed. Als er al iets als een intelligentsia zou bestaan in Nederland, lijkt het me een bizarre gedachte dat Youp van ’t Hek daar de spreekbuis van was. En het is wat pover om als enig concreet voorbeeld van die ‘eeuwenlange kritiek’ op nieuwbouwwijken en rijtjeshuizen een song op te voeren van de … Amerikaanse zanger Pete Seeger (‘Little boxes on the hillside’). Je zou dan tenminste nog Frans Halsema kunnen noemen met zijn snijdende liedje over Buitenveldert uit 1969. Maar afgezien daarvan: rijtjeshuizen en nieuwbouwwijken zijn vaak vreselijk saai, lelijk, monotoon en volstrekt fantasieloos. Ook in de nieuwste vinexwijken. Mag dat niet worden gezegd?

Ook Pieter Hoexum is defensief over rijtjeshuizen in zijn Kleine filosofie van het rijtjeshuis (uitgeverij Augustus, 2014): hij woont er zelf en doet zijn best de lezer ervan te overtuigen dat je daar nét zo goed woont als overal elders. Hij maakt een onderscheid tussen ‘stoep’ en ‘trottoir’ en licht dit toe aan de hand van zijn eigen ervaringen in Purmerend; stoep is meer dorps, volgens de auteur, trottoir meer stads. In zijn eigen zijstraatje ligt een stoep, maar de stoep langs de nabijgelegen laan heeft ’iets deftigs’, ‘meer een trottoir’. Hij loopt er dagelijks om zijn dochtertjes van en naar school te brengen, maar ook om te mijmeren en de sfeer op te snuiven. De stoep en het trottoir in samenhang, concludeert hij, maken van zijn buitenwijk ‘een tamelijk gewone stadswijk’. Hij zegt het alsof iemand uitdrukkelijk het tegendeel heeft beweerd, maar net als bij Hulsman wordt er een tegenpartij gesuggereerd, niet genoemd. In allerlei nieuwbouwwijken wordt de stoep tot een geitenpaadje teruggebracht, alles staat in het teken van de auto. Je wordt blijkbaar niet geacht daar te wandelen. Hoexum zal gelukkig zijn dat dit in Purmerend anders is, maar mag zijn ogen niet sluiten voor de loop- en wandelvijandigheid die je overal in vinexland tegemoetkomt.

 

Hetzelfde bij zijn verdediging van de ‘hokjesgeest’. Hoexum vergist zich wel eens in de straatjes van zijn nieuwbouwwijk, maar weigert dit toe te schrijven aan het stedenbouwkundige ontwerp of de architectuur van de huizen. Het ligt aan zijn eigen ‘verstrooidheid’. Het is mij in nieuwbouwwijken herhaaldelijk overkomen dat ik verkeerde straatjes insloeg, maar met mijn verstrooidheid had dit niets te maken, wel degelijk met het suffe stedenbouwkundige ontwerp. Zoals veel mensen op elkaar lijken, zo lijken ook veel huizen op elkaar, besluit de auteur en volgens hem is er niets mis met herhaling: ‘herhaling is de oervorm en bron van alle kunst’. De straatjes van zijn wijk zijn net zo gevarieerd als Bach’s Goldbergvariaties, zegt Hoexum. De eenvormige ‘hokjes’ waar de bewoners in gestopt worden laat individuen tot hun recht komen: ‘de hokjes bieden vrijheid en ruimte om zowel jezelf te zijn als ergens bij te horen’. Tja, zo ken ik er ook nog wel een paar.

De auteur draaft door. Hokjesgeest is benepen provincialisme, het is nogal absurd om daarvoor te pleiten aan de hand van Bach en allerlei andere stralende kunstenaars en denkers – dit alles om aan te tonen dat jouw buurtje in Purmerend toch zo gek nog niet is. Ik wil dat best geloven zonder al die geleerde referenties en het betoog van Hoexum zou aanzienlijk overtuigender zijn als hij zich mat met redelijke bezwaren tegen Nederlandse nieuwbouwwijken en rijtjeshuizen – dat moet toch niet al te moeilijk zijn. Nu zet hij stropoppen op, die hij met een bajonet en andere zwaar geschut te lijf gaat – wat win je daarmee? Je zou willen dat hij wat meer vertelde over zijn woonervaringen, zijn gezinsleven in de nieuwbouwwijk. We lezen dat hij twee dochtertjes heeft, waarvan één dol is op paarden, maar we horen weinig of niets over hun vriendjes en vriendinnetjes, hun scholen, hun vermaak, hun woonplezier. Ook niet over de inrichting van het huis – behalve de werkzolder van meneer zélf – de verbouwing, de verhoudingen met de buren. Hoe heeft de crisis doorgewerkt op de wijk? Werkloosheid? Echtscheidingen? Weet hij het niet, of interesseert het hem niet?

Wat zulke dingen betreft kun je beter terecht bij De democratie van het zand. Zelf bouwen in het Homeruskwartier van Almere (uitgeverij Prometheus-Bert Bakker, 2014). De journaliste Corine Koole (plus fotograaf Ralph Kämena) is doorgedrongen tot in de woningen van de bewoners van deze ‘experimentele wijk’ en laat zien hoe ze die allemaal naar hun eigen hand hebben gezet — particulier opdrachtgeverschap. De droom van architect Carel Weeber, die in 1997 pleitte voor het ‘wilde wonen’: afschaffing van wat hij ten onrechte de ‘staatsarchitectuur’ noemde en vrij baan voor het toepassen van de eigen inzichten van de bewoners. Ze kopen een kavel en zetten daar met behulp van een bevriende architect hun ‘droomhuis’ neer. Hoexum heeft gelijk: het zijn uiteindelijk allemaal hokjes waar je in wordt gestopt, maar de Almerense hokjes zijn op maat van de specifieke behoeften van degenen die er wonen. Het Homeruskwartier is het kindje van oud-wethouder en PvdA-Eerste Kamerlid Adri Duivesteijn en de gemeente Almere zal Koole ongetwijfeld met geld en faciliteiten bijgesprongen zijn om het boek tot een aangenaam visitekaartje te maken, wat het ook geworden is. Het is allemaal positief, geen wanklank wordt gehoord. Maar de auteur lijkt wel degelijk overtuigd door wat ze gezien en gehoord heeft, de vraaggesprekken en afbeeldingen geven aan dat je in vinexwijken naar tevredenheid gevarieerd kunt wonen. De populariteit van het project was grenzeloos – bij de uitgifte van nieuwe kavels waren mensen bereid om dagenlang te kamperen voor het verkrijgen van de goeie plekjes. Overigens koos het merendeel van de gegadigden voor cataloguswoningen. ‘Maar ook dat is een keuze’, schrijft Koole, ‘Over mooi en lelijk heeft de gemeente Almere geen mening’. Juist de diversiteit van de wijk, de grote variatie, maakt het geheel herkenbaar.

 

Het zou mooi zijn deze twee modellen, de ‘hokjes’ en de ‘variatie’ tegenover elkaar te zetten – hoe werkt het uit? op de stoep, het trottoir, de burenrelaties, de scholen? Een project voor de toekomst? Dat moet snel, want ook Hulsman ziet toekomst in een project als dat in Almere. Technische vooruitgang maakt het mogelijk, wetgeving maakt het mogelijk. We krijgen ongetwijfeld andere nieuwbouwwijken te zien, maar ook verschillende nieuwbouwwoningen. Hulsman: ‘Het nieuwe rijtjeshuis is niet langer een rijtjeshuis’