Iedereen speelt rollen, dat is het centrale uitgangspunt van sociale wetenschappen als sociologie en antropologie. Ik meen me te herinneren dat Ralf (‘Baron’) Dahrendorf het boekje Homo Sociologicus schreef dat ik als student moest lezen; het werd vertaald als de ‘rollenspelende mens’. Of dit de vertaling van de docent was die het boekje voorschreef, dan wel een officiële Nederlandse vertaling, ben ik vergeten – ik kan zelfs het boekje niet meer vinden in de bibliografie van de in 2009 overleden Dahrendorf, die overigens behalve academicus ook politicus was en deel uitmaakte van het House of Lords. Het aantal rollen dat mensen spelen kan nogal verschillen. Sommigen hebben een bijna onoverzichtelijk groot ‘rolrepertoire’, terwijl de actie radius van anderen betrekkelijk beperkt is. Bovendien kan het repertoire zich in de loop van iemands leven sterk uitbreiden en tegen het eind, dikwijls, weer even sterk inkrimpen. Ook in de aard van de rollen die mensen spelen tekenen zich vaak accentverschuivingen af, al naar gelang iemands werk of persoonlijk leven. Ik heb lang de rol van zoon gespeeld, mijn moeder is oud geworden, maar nu heb ik geen ouders meer en is die rol dus uit mijn repertoire verdwenen. Ik ben overigens nog wel broer.

Aan de universiteit, waar ik een groot deel van mijn werkzame leven heb doorgebracht, was ik docent, onderzoeker, bestuurder, collega, promotor, onderzoekscoördinator, supervisor. Om maar een paar rollen te noemen die me zo snel te binnen schieten. Die hele verzameling is weg, als sneeuw voor de zon gesmolten, hoewel er soms nog wel eens wat rafelige draadjes blijken te bestaan – ik word aangesproken als alumnus of als emeritus als er iets nostalgisch te vieren is of als er geld wordt ingezameld. Tegenwoordig ligt veel meer de nadruk op rollen die ik speel in de persoonlijke sfeer: vader, grootvader, vriend, buurman, vrijwilliger, verenigingslid, klant, concertbezoeker. In plaats van ‘rollen’ zou je misschien ook wel van ‘maskers’ kunnen spreken, en verscheidene geleerden hebben dat inderdaad gedaan (F.G. Bailey: Mirrors and Masks), maar het betoog krijgt dan ongewild een sterke saus van cynisme.

Erving Goffman, mijn favoriete antropoloog/socioloog, zei: we hebben dus allemaal verscheidene selves (hoe vertaal je dat in het Nederlands? Zelfen?) en we staan voor de opdracht om vast te stellen in hoeverre deze verbonden zijn, overlappen, verwant, gerelateerd. Ieder van ons is de beheerder van een holding company. Een beheersmaatschappij voor alle rollen die we moeten spelen, al dan niet onderling verbonden. Het is de opdracht van de (sociaalwetenschappelijke) onderzoeker, aldus nog steeds Goffman, om uit te vinden hoe iemand zijn holding company draaiend houdt, hoe iemand met al die verschillende identiteiten weet te woekeren. Een hulpmiddel is het begrip role distance, roldistantie. De actor houdt afstand tussen de rol die hij speelt en zijn (emotionele, psychologische) betrokkenheid, embracement op zijn Goffmaniaans. Om het in gewone taal te zeggen: je kunt niet alle rollen met evenveel overtuiging spelen, vooral niet als je een groot repertoire hebt of als er potentieel strijdige rollen in je holding company zitten. Roldistantie is, in de woorden van Goffman, de wedge between doing and being.

Die roldistantie is mooi af te lezen aan het gedrag van voetbalmanagers tijdens de wedstrijden van hun team. Het Engelse voetbalprogramma Match of the Day heeft daar gelukkig veel aandacht voor. Gus Poyet, trainer van Sunderland, lijkt de hele wedstrijd langs de kant ‘mee te voetballen’: alle toeschouwers kunnen zien dat hij intens betrokken is bij alles wat er op het veld gebeurt. Hij springt huizenhoog als er een doelpunt valt, stort in ellende terneer als dit doelpunt aan de ‘verkeerde kant’ van het veld gescoord wordt. Zelfs Arsène Wenger, de ‘gentleman’ van het Engelse trainersgilde, laat zich wel eens gaan en raakte niet zo lang geleden zelfs bijna in een vuistgevecht verwikkeld met de trainer van de tegenpartij, de eeuwige treiteraar en ruziezoeker José Mourinho. Louis van Gaal zit erbij als een voetbalprofeet; ik zie hem zelden of nooit op het veld kijken, hij zit de hele wedstrijd te schrijven, dikke blocnotes op zijn knieën. Soms vraagt hij wat aan het rijtje paladijnen dat aan weerszijden van hem zit. De stand? Doet hij intussen zijn achterstallige correspondentie met de belastingdienst? Liefdesbrieven? Gedichten? Je weet maar nooit met die Louis.

De reserve bij het rollenspel hoeft overigens voor de buitenwereld niet zichtbaar te zijn, sommige mensen zijn meesters in het verbergen en verhullen. Maar soms kun je in een rolconflict terechtkomen: de verschillende rollen die je speelt stellen ogenschijnlijk onverenigbare eisen – je moet dan opeens een kant van je ‘zelf’ laten zien die niet iedereen van je kent. En dat is aanleiding tot verwarring, ontmaskering, soms woede. Iemand die ik ken was de zoon van een leraar op zijn eigen middelbare school. De leraar moest objectief en neutraal zijn, maar was natuurlijk ook gewoon vader van zijn leerling. De zoon lijdt nog steeds onder de herinnering aan het strenge regime van zijn vader die in een poging alle schijn te vermijden dat hij zijn zoon ‘voortrok’ steeds absurd hoge eisen aan hem stelde en veel te lage cijfers gaf. De zoon werd desondanks genadeloos gepest door zijn klasgenoten – de tekortkomingen van zijn vader werden hém aangerekend.

Rolconflicten zijn eventueel te vermijden door rolsegregatie. Als de leraar zijn zoon naar een andere school had gestuurd was er geen vuiltje aan de lucht geweest: de rollen van vader en onderwijzer zouden dan van elkaar gescheiden zijn gebleven. In bepaalde situaties is dat een moeilijke opgave. Onderzoekers die zich in bepaalde gemeenschappen begeven, bij voorbeeld, lopen het risico dat als ze met bepaalde mensen goed kunnen opschieten, ze bij anderen niet meer hoeven aan te kloppen. Het heeft me veel hoofdbrekens gekost om mijn rollen gescheiden te houden toen ik zelf onderzoek deed in de sterk verzuilde Alblasserwaard: als je ‘links’ was begaf je je niet vrijwillig in kringen van ‘rechts’, je deed niet eens je boodschappen bij de ‘verkeerde’ kruidenier. Als onderzoeker moet je daar doorheen zien te laveren en voorkomen dat mensen gaan twijfelen aan je oprechte bedoelingen of zelfs: je karakter.

Een ander devies is audience segregation: zorg ervoor dat degenen die je meemaken in één hoedanigheid niet in de buurt zijn als je optreedt in andere hoedanigheden. Je wordt er wel eens mee geconfronteerd tijdens de voorbereidingen van bepaalde bijeenkomsten – ik kan de gespreksflarden moeiteloos oproepen: ‘komt die ook, nou dan kom ik niet! waarom? dan kan ik niet vrijuit spreken!’. Je hebt hulptroepen nodig om je te behoeden voor ongewenste confrontaties – in de politiek en het grote bedrijfsleven is het managen van rollen en publieken (waaronder de persmedia) tot op grote hoogte geformaliseerd, met de spin doctor of voorlichter als symbool. Het relletje dat onlangs uitbrak over het optreden van staatssecretaris Van Rijn is een fraai voorbeeld van hoe dit complex werkt. Intimidatie vooraf, intimidatie achteraf, paaien van de partijaanhang, schadebeperkende strategieën, hele teams ingeschakeld om alle plooien glad te strijken. Daar zijn flink wat manuren in gaan zitten. De heer Van Rijn zat zowel in een rolconflict: bewindsman en zoon, als in een situatie waarin rolscheiding of publieksscheiding geen optie meer waren. Goffman zou hebben gesmuld.

 

bron foto Erving Goffman: sociology.ed.ac.uk
bron foto maskers: nl.dreamtime.com