In een oud nummer van De ingenieur (februari 2019) las ik een recensie van het laatste boek van Richard Sennett, Building and Dwelling—in het Nederlands vertaald als Stadsleven. Sennett werkt met contrasterende begrippenparen. Ville en cité staan voor de spanning tussen wat de planoloog of stedenbouwkundige ontwerpt en hoe die ruimte in de praktijk wordt gebruikt. Open stad staat tegenover gesloten stad. De ontwerpers die tot in detail hebben uitgedacht hoe de stad moet functioneren, maken de stad gesloten, terwijl de open stad een voortdurend experiment is waar aan ‘gesleuteld’ wordt met een steeds toenemende complexiteit als resultaat. ‘Rommelig’, in de Nederlandse vertaling. Sennetts voorkeur gaat daarnaar uit. De tegengestelde polen corresponderen met de Engelse titel, respectievelijk building  en dwelling. Het eerste is een ‘modelwoning’, onpersoonlijk en steriel, terwijl in een dwelling echt geleefd wordt, je voelt je er behaaglijk en op je gemak. Sennett is dol op dat soort begrippenparen, het is blijkbaar zijn favoriete manier om greep te krijgen op de werkelijkheid. Flesh and Stone is nóg zo’n paar, te vinden in zijn boek over The Body en The City; het ene paar besloten in het andere paar. Iets dergelijks vind je in de ondertitel van zijn The Conscience of the Eye: design versus social life. Ik las in een interview dat de auteur teleurgesteld was over de titel van de Nederlandse vertaling van zijn laatste boek: Building and Dwelling. Het betreft, in grote lijnen, een verhandeling over architectuur en sociologie (zoals in feite bijna al zijn werk) en dat zou in de titel tot uitdrukking moeten komen. Je zegt me dat de vertaling Stadsleven is, merkt hij op tegen de interviewer (van Bruzz). Dat is jammer, want zo gaat de spanning tussen de twee verloren. In mijn vak spreken we meestal gewoon over potentiële omgeving en effectieve omgeving, maar het is uiteraard hipper om steeds nieuwe woorden te gebruiken, ook al betekenen ze allemaal hetzelfde.

Die tegenstellingen zijn nodig om Sennetts standpunt duidelijk voor het voetlicht te brengen: hij is een voorstander van rommeligheid, zoals zijn positie in De ingenieur wordt getypeerd. Je moet volgens Sennett als stedenbouwer/planoloog niet streven naar een tot in de puntjes uitgedachte stad, maar de ingewikkelde chaos omarmen die volgens hem het gevolg is van de wisselwerking tussen de ‘gebouwde’ en ‘geleefde’ stad. Hoe modieus en tijdgebonden zo’n positie is, kun je zien in het licht van de wereldwijde lockdown die in maart 2020 is ingesteld en in afgezwakte vorm nog steeds geldig is. Chaos en rommeligheid zijn onder die omstandigheden letterlijk dodelijk. Tijdens de pandemie leven we onder het regime van de anderhalvemetersamenleving (in de bus of tram één meter; in Groot-Brittannië twéé meter, in vliegtuigen 0 meter), al dan niet in combinatie met mondkapjes. De boven ons gestelden zouden niets liever doen dan met stoffer en blik iedereen van pleinen, parken en straten opvegen en bij goed afgeschermde plekken over de schutting mikken. Maar afgezien daarvan is de tweedeling die Sennett aanbrengt niet erg overtuigend. Het echte leven is nu eenmaal moeilijk met zo’n simpel schepnetje te vangen. Hij gaat er schijnbaar vanuit dat er geen ‘chaos’ zou kunnen bestaan in steden die tot in de puntjes gepland zijn, dat iedereen zich aan de ‘functies’ houdt die de stedenbouwer achter zijn tekentafel heeft bedacht. Teveel eer. In de praktijk kunnen we zien dat er óók chaos en rommeligheid ontstaan in steden die in hun geheel, steen voor steen, door van bovenaf gestuurde ontwerpers zijn opgebouwd. Het Indiase Chandigarh, naar een ontwerp van Le Corbusier, is een sprekend voorbeeld, New Bombay evenzeer. Het lijkt erop dat Sennett uitgaat van de gedachte dat je als stedenbouwer/ontwerper/architect kunt bepalen hoe mensen zich gedragen. Dat uitgangspunt is in een grijs verleden (nou ja… 1962) door de Amerikaanse socioloog Herbert Gans al eens aangeduid als een physical fallacy: het misverstand dat gebouwen en straten en de planologische principes waarop deze gebaseerd zijn het menselijke gedrag kunnen vormen. De buildings zijn maar één van de vele sociale, culturele en economische factoren die leiden tot een ordelijke, dan wel chaotische, stad. Ik denk ook aan het onvolprezen Soft City van Jonathan Raban; hij laat zien dat stadsbewoners en bezoekers zich niet in de luren laten leggen door gedachten achter de ‘harde’ stedelijke omgeving, mensen geven hun eigen betekenis aan pleinen, straten en gebouwen. Dat is vaak iets heel anders dan de autoriteiten en hun ontwerpers voor ogen hadden.

Een interessante vraag is trouwens wat Sennett precies beschouwt als ‘chaotisch’. Je moet tussen de regels doorlezen om daarachter te komen. Als bewonderaar van Jane Jacobs (Death and Life of American Cities) is hij een groot voorstander van een gemengde bevolking, in etnisch homogene wijken ziet hij niets, de stad moet flexibel genoeg zijn om immigranten op te kunnen vangen en ze een plaats te bieden in de bestaande voorzieningen. Maar ik weet zeker dat Jacobs een dergelijke menging niet als ‘chaos’ zou aanduiden. Waarom zou ze? Bovendien is een ‘gemengde buurt’ geen garantie voor een aantrekkelijk stadsleven. Er zijn talloze praktijkvoorbeelden van wijken die desintegreren, om maar een neutraal woord te gebruiken, als gevolg van de toestroom van vreemdelingen. Het soort ‘dorpse’ stadsleven dat Jane Jacobs zo gloedvol aanprijst—mensen die gezellig zitten te keuvelen op straat terwijl ze hun spelende kinderen in de gaten houden—is lang niet ieders kopje thee. Daartegenover zijn er fraaie voorbeelden van ‘gesloten buurten’ waar het goede leven probleemloos gerealiseerd wordt. Mijn gedachten gaan in dit verband altijd uit naar de Italiaanse wijk in Boston die door William F. Whyte zo onnavolgbaar geportretteerd is in Streetcorner Society, een ‘klassiek’ sociologisch meesterwerk. De bewoners spreken Italiaans en kennen elkaar van haver tot gort; in tijden van nood komt onderlinge hulp en solidariteit van de grond; jeugdbenden beschermen de grenzen van  de buurt en zorgen voor interne sociale controle.

Ik twijfel er wel eens aan of Sennett wel zo’n goede waarnemer is, je komt er in zijn werk ook niet makkelijk achter wat voor soort wetenschapsman hij eigenlijk is. In zijn jeugd zag het ernaar uit dat hij musicus zou worden, cellist, maar door een ingrijpende operatie aan zijn linkerhand werd die weg afgesloten. Volgens de berichten is hij daarom sociologie en geschiedenis gaan studeren, maar sommigen typeren hem als arbeidssocioloog, anderen als planoloog, terwijl je ook aanduidingen ziet als stadssocioloog en zelfs godsdiensthistoricus.

 


Michael Sorkin: stadswandelingen

In The Conscience of the Eye bekent hij dat hij zich bij voorkeur lopend door Manhattan beweegt (hij woont tegenwoordig in Londen). Hij beschrijft de tocht vanaf zijn appartement in Greenwich Village naar een van zijn favoriete Franse restaurants in de buurt van het United Nations-hoofdkwartier. Een avontuurlijke tocht van een paar kilometer die dient als illustratie van de veelzijdigheid en complexiteit van de stad. Exposure heet het hoofdstuk, met als ondertitel In the presence of difference. Veelbetekenend: de auteur stelt zich dus bloot aan uiteenlopende stedelijke ervaringen. Onderweg passeert hij Washington Square; hij meldt dat dit tien jaar eerder een gewilde plek was voor drugsverslaafden, maar dat de heroïnehandel inmiddels heeft plaatsgemaakt voor cocaïnehandel (zijn boek dateert uit 1990). De handelaars zijn geagiteerd en lijken gevaarlijker dan de handelaars van destijds. That’s it! Meer heeft de auteur over de plek, waar hij dikwijls, misschien wel dagelijks, voorbijkomt, niet te melden.

Dagjesmensen en buitenlui zullen misschien onder de indruk zijn van deze ‘rommeligheid’ en ‘chaos’, maar het lijkt me geen voorbeeld van een voldoende planologische, laat staan sociologische beschrijving. Vergelijk dit portret met dat van Michael Sorkin die eveneens noteert hoe hij van zíjn appartement—ook in Greenwich Village—dagelijks naar zijn kantoor loopt. Twenty Minutes in Manhattan heet zijn boek, dat net als dat van Sennett de veelzijdigheid en complexiteit van de stad tot onderwerp heeft. Washington Square is ons buurtpark, zegt Sorkin: een centrum van de stedelijke jeugdcultuur, een verzamelplaats voor kinderen uit de buurt, muzikanten, bedelaars en verkopers van marihuana. Het park is aan alle kanten omgeven met gebouwen van New York University en vormt daardoor als vanzelf een ontmoetingsplaats voor academici. Sorkin heeft het verder over de hondenuitlaatplaats, skateboarders, kleuters en jonge moeders in de afgeschermde zandbak, zonnebaders en joggers. Bij de fontein worden voorstellingen gegeven, politieagenten lopen rond en hier en daar worden pretzels en hotdogs verkocht. The homeless and addicts hang out, many waiting on meals served up by adjoining churches. One corner is given over to chess-players, their tables with pieces set up and clocks primed, ready to hustle would-be Bobby Fischers.

In nog geen volle pagina geeft Sorkin haarscherp aan wat stadsleven betekent en hij is niet eens socioloog of planoloog of historicus, maar een simpele architect. Ik geloof niet dat Sennett onze stadsgids moet zijn.

 

illustraties
Richard Sennett; bron: rogercremers.com
Michael Sorkin; bron: dezeen.com