Soms is het bevredigender om een oude film of tv-serie opnieuw te bekijken dan om hijgerig achter de nieuwste producten van Netflix of HBO aan te rennen. De afgelopen weken heb ik me opnieuw vermaakt met Commissaris Salvo Montalbano, de schepping van de eerder dit jaar op 93-jarige leeftijd overleden Siciliaanse auteur Andrea Camilleri. De verhalen spelen zich af in het stadje Vigata, pseudoniem van Camilleri’s woonplaats Porto Empedocle. De tv-versies zijn vervaardigd door de RAI en werden buiten Italië met tussenpozen onder andere uitgezonden door BBC 4. Daar maakte ik kennis met Montalbano en ik heb vrijwel alle afleveringen op dvd aangeschaft.

Montalbano is een ouderwetse speurneus, hij zet de wet een beetje naar zijn hand als het zo uitkomt, laat zich leiden door zijn intuïtie, is niet al te kieskeurig met zijn vingerafdrukken op de plaats van het delict en heeft een gezonde afkeer van de blaaskaken die boven hem staan in de hiërarchie: hoofdcommissarissen, rechters, officieren van justitie. Hij is niet bang om met plaatselijke maffiabazen onder één hoedje te spelen. Hij heeft een paar trouwe paladijnen, inspecteurs Fazio, Mimì, Galuzzo, die hem op handen dragen. Zijn vriendin Livia woont in Genua, ze komt van tijd tot tijd op bezoek, maar er gaan vele afleveringen voorbij dat we haar niet zien. Hij woont zelf in Marinella, bij de haven, zijn huis heeft een groot terras aan het strand, menige aflevering begint met Montalbano die komt aanzwemmen uit zee. Als hij met zijn badhanddoek het terras betreedt, gaat vaak de telefoon: de opgewonden Catarella van de telefooncentrale meldt in rap Siciliaans dat er een lijk gevonden is; het duurt altijd even voordat Montalbano begrijpt wat Catarella, die iedere naam verkeerd uitspreekt, bedoelt.

Er moet tussen de middag uitvoerig worden gegeten in het restaurant van Galogero, aan zee, met verse vis. Tijdens het eten mag er niet worden gesproken, voedsel is heilig. Als Montalbano ’s avonds thuiskomt en zich verheugt op de maaltijd die zijn schoonmaakster Adelina voor hem in de ijskast heeft gezet, gaat steevast de telefoon, wat tot veel gemopper en gevloek aanleiding geeft.

 


Aan de lunch…. niet storen

De ‘zaken’ die Montalbano behandelt, gaan mij doorgaans boven de pet, er wordt zoveel gekletst en er worden zoveel zijweggetjes ingeslagen dat ik al snel de draad kwijt ben en me vervolgens concentreer op de eigenaardigheden van de commissaris en de talloze schilderachtige types die de revue passeren, om maar te zwijgen van de schitterende straatjes en gebouwen van Vigata en de schilderachtige locaties waar de verhalen gesitueerd zijn; ook de filmmuziek, van Franco Piersanti, is onovertroffen. De vernieuwde kennismaking met Montalbano kreeg een nieuwe dimensie omdat mijn partner in crime vloeiend Italiaans spreekt en me de scheldwoorden en verwensingen kon uitleggen die in de (Engelse) ondertiteling discreet weggemoffeld worden. Andrea Camilleri maakt in zijn werk uitbundig gebruik van het Siciliaans, maar daar moet mijn vriendin helaas ook afhaken.

De avonturen van Montalbano zijn wereldwijd aangeslagen, opmerkelijk dat de auteur er pas na zijn zeventigste aan begonnen is. Het werk omvat inmiddels zo’n vijfentwintig titels, die in meer dan dertig talen vertaald zijn en bij elkaar ruim twintig miljoen keer verkocht zijn. Montalbano zorgt voor een stroom toeristen, fans die de locaties bezoeken en de sfeer opsnuiven. De bestuurders van Porto Empedocle hebben besloten de naam van het stadje te wijzigen in Porto Empedocle Vigata. De serie schijnt vooral in de Verenigde Staten buitengewoon populair te zijn en bepaald niet alleen bij de talrijke Amerikanen van Italiaanse afkomst.

 


De schrijver en zijn model: Luca Zingaretti als Montalbano

Onwillekeurig vraag je je af of Montalbano ervoor gezorgd heeft dat de Amerikaanse publieke opinie over Sicilië en de Sicilianen in gunstige zin gewijzigd is. Dat zou opmerkelijk zijn, gezien de belabberde positie die de Siciliaanse immigranten in de Verenigde Staten lange tijd hebben ingenomen. De eersten werden op grote schaal geworven door de suiker- en katoenplantages in het Diepe Zuiden; er was een schreeuwende behoefte aan arbeidskrachten als gevolg van de afschaffing van de slavernij en de zogenaamde ‘zwarte exodus’ die daarop volgde: miljoenen bevrijde slaven die naar de industriegebieden in het noorden en oosten trokken, wég uit het gehate Dixie. De Sicilianen werden gelokt met bizarre beloften, maar in de praktijk moest er van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat worden geploeterd, vaak voor minder dan een dollar per dag. Bij regen lag het werk stil en werd er geen loon uitgekeerd. Ouderen, vrouwen en jongens kregen niet meer dan 25 cent of 50 cent per dag. Om toch wat extra’s te verdienen werkten sommige immigranten ’s nachts door—bij het licht van petroleumlampen werd het suikerriet gekookt, geplet en geraffineerd.

De Sicilianen werden gehaat en gevreesd. Toen in Little Palermo, een immigrantenbuurt van New Orleans, de gele koorts uitbrak in 1898, kregen de Sicilianen de schuld, ze zouden de ziekte hebben meegenomen van hun eiland. Zodra het maar enigzins kon, trokken de immigranten eveneens van de plantages naar de grote industriecentra. Veel Sicilianen vestigden zich als kleine winkeliers of handelaartjes in groenten en fruit. In Chicago kwamen velen terecht in de buurt die bekend stond als Little Hell, voornamelijk bewoond door Zweden en Ieren. De gevestigde groepen trokken weg en binnen de kortste keren werd de buurt overgenomen door de Sicilianen, Little Hell werd Little Sicily, een klassiek voorbeeld van etnische successie. De buurt werd door de bekende socioloog Harvey Zorbaugh gekarakteriseerd als The Colony: from the various towns of western Sicily they have come, settling down again with their kin and townspeople here, until the colony is a mosaic of Sicilian towns. De Siciliaanse cultuur botste hard op de Amerikaanse gewoonten en gebruiken, vooral ook op de Amerikaanse wetgeving. Criminaliteit kon nauwelijks worden aangepakt in een omgeving waar omertà een eerste eis is: mondje dicht tegenover de autoriteiten, alles oplossen in eigen kring en op de eigen manier.

De Italiaanse journalist Enrico Deaglio heeft zojuist een geschiedenis van de Sicilianen in de Verenigde Staten gepubliceerd: Storia vera e terribile tra Sicilia e America. Ik las een recensie in The New York Review of Books (6 juni 2019). De auteur heeft op basis van archiefonderzoek vastgesteld dat er omstreeks de vorige eeuwwisseling minstens 50 lynchpartijen hebben plaatsgevonden van Sicilianen, onbestraft en met instemming en zelfs aanmoediging van de hoogste autoriteiten. ‘Blanke’ Amerikanen wisten niet goed raad met de Sicilianen die bijna op voet van gelijkheid omgingen met zwarten. Ook in Italië zélf werden Sicilianen trouwens met een scheef oog aangekeken. Deaglio citeert de hoogste vertegenwoordiger van premier Camillo Cavour op Sicilië, die al na een kort verblijf op het eiland uitriep: Sicilië is niet Italië! Het is Afrika: vergeleken met die Sicilianen vormen de Bedoeïenen het toppunt van de menselijke beschaving.

Omertà, het wantrouwen tegenover de autoriteiten, pogingen om conflicten in eigen kring op te lossen zijn stuk voor stuk elementen die prominent naar voren komen in het werk van Andrea Camilleri en het optreden van Salvo Montalbano; maar blijkbaar leidt dit tegenwoordig niet langer tot een diepe afkeer van de Sicilianen, maar tot vertedering. De ongrijpbare en onbegrijpelijke sluipmoordenaars, dieven en messentrekkers van zo’n honderd jaar geleden, zijn blijkbaar noble savages geworden.

 

illustraties
Andrea Camilleri; bron: in-cyprus.com
De schrijver en zijn model; bron: maltatoday.com.mt
Montalbano aan de lunch; bron: movieplayer.it