Segregatie is een universeel sociaal verschijnsel. Mensen hebben altijd voldoende redenen om zich af te zonderen: geslacht, leeftijd, etnische achtergrond, taal, godsdienst, beroep, status, vaardigheden. ‘Soort zoekt soort’. Maar behalve door een positieve aantrekkingskracht tegenover de eigen stam, wordt segregatie soms bewerkstelligd door druk van de omgeving: de gevestigde autoriteiten staan niet toe dat hun eigen bevolking besmet wordt door het contact met geminachte of gevreesde buitenstaanders. Begin zestiende eeuw bestemde de Venetiaanse republiek het stadsdeel Cannaregio tot een gebied voor joden, het gheto novo, later aangevuld met het gheto vecchio, oude districten van kopergieterijen en ijzersmederijen. Het getto was omringd door water; je kon via twee bruggen de stad in. ’s Avonds gingen de poorten op slot, alleen met speciale toestemming kon je er ’s nachts uit. Afgesloten buurten voor speciale bevolkingsgroepen tref je over de hele wereld, maar vanaf deze tijd raakt het woord getto in zwang, ook al gaat het om volstrekt andere bevolkingsgroepen dan joden.

Het begrip is uitgerekt en voor wetenschappelijke doeleinden nauwelijks bruikbaar. Een paar aardige illustraties daarvan zijn te vinden in de recente studie van de Amerikaanse socioloog Mitchell Duneier: Ghetto. Hij vertelt de anecdote van de zwarte geleerde W.E.B. du Bois, die omstreeks 1900 door Europa trekt. Hij loopt met een vriend door een Poolse stad en de mannen worden op straat aangestaard. Du Bois realiseert zich dat hij als zwarte man het nodige opzien baart. Maar zijn reisgezel haalt hem uit zijn droom: het gaat niet om Du Bois, maar om zijn vriend; als jood wordt hij niet geacht zich in deze buurt te bevinden. Du Bois is verbijsterd, hij was er vast van overtuigd dat segregatie en ‘apartheid’ bij uitstek zwarten betrof en een kenmerk waren van de Verenigde Staten, met name de Zuidelijke deelstaten. Bovendien was het Du Bois niet eerder opgevallen dat zijn kameraad er ‘joods’ uitzag. Een hardnekkig misverstand, zegt Duneier, want als hij tijdens colleges vertelt over joodse getto’s, kijken zijn studenten hem met ogen vol ongeloof aan; daar hebben ze nog nooit van gehoord. Mensen hebben blijkbaar uiteenlopende associaties bij het begrip.

In zekere zin doet Duneier daaraan mee. In zijn betoog over de zwarte getto’s in steden als Chicago, Los Angeles, Philadelphia en Washington—aan de hand van befaamde en klassieke sociologische studies—verwijst hij naar slums elders in de wereld. Mij trof dat hij daarbij ook de Indiase stad Mumbai noemde. Tja, als het gaat om dat soort buurten heeft die stad een reputatie; de roemruchte wijk Dharavi, in de buurt van het Shivaji Chhatrapati International Airport, zou de allergrootste slum van Azië zijn. Maar is Dharavi een getto? Een slum? Het hangt natuurlijk af van je definitie. Je kunt alles wel een getto of slum noemen: einde discussie.

 

 

Een getto wordt doorgaans getypeerd door het afgesloten karakter; niet iedereen mag erin, niet iedereen mag eruit. De ‘hardheid’ van die afsluiting verschilt. In Venetië gingen ’s avonds de deuren op slot, maar kon je overdag vrijelijk naar binnen en naar buiten. Sommige Amsterdamse hofjes kunnen ook op slot en zijn dat ook, maar de bewoners beschikken over sleutels en gaan in en uit zoveel ze willen. Dat komt overeen met bij voorbeeld de pols in een stad als Ahmedabad, in de Indiase deelstaat Gujarat. Een wirwar van straatjes en buurtjes die zonodig voor buitenstaanders kunnen worden afgesloten. Het andere uiterste is het getto van Warschau, door de Duitsers geconstrueerd: een buurt die hermetisch van de omgeving is afgesloten met permanente bewaking en prikkeldraadversperringen. Het overbevolkte gebied werd uitgebuit en uitgehongerd met criminaliteit, armoede en ziekte als gevolg. Voor perverse Nazi-ideologen—nooit verlegen om een cirkelredenering—een uitgelezen rechtvaardiging van hun handelen: zie je wel dat dit volk niet deugt, het is maar goed dat we ze isoleren.

Het isolement betreft in vele gevallen één bepaalde, min of meer duidelijk identificeerbare bevolkingsgroep, soms afkomstig uit een gemeenschappelijk gebied van herkomst. Religieuze groepen als joden, moslims, christenen, maar ook etnische groepen, specifieke migranten, beoefenraren van bepaalde beroepen. Dit is de reden waarom in Nederland ‘etnische buurten’ nooit serieus als getto’s kunnen worden aangemerkt: die buurten worden bevolkt door een veelvoud van etnische en/of nationale groepen. Zou je Amsterdam-Nieuw West als getto aanduiden, dan zeg je in feite dat de Turkse en Marokkaanse achtergronden van de bewoners er niet toe doen, één pot nat.

En slum? In het woordenboek vind je ‘achterbuurt’, ‘krottenwijk’, ‘sloppenwijk’, ‘vervallen stadsbuurt’ en soortgelijke omschrijvingen. De associatie is met verloedering, afbraak, onbewoonbaar verklaard. Maar voor Dharavi zijn zowel getto als slum volstrekt onbruikbare begrippen. De buurt is nergens afgesloten van de stad, de bewoners zijn even divers als elders in Mumbai en van een buurt in afbraak is al helemaal geen sprake, eerder het tegendeel. Ik kan me herinneren hoe ik de buurt voor het eerste binnenkwam—het staat beschreven in het onderzoeksjournaal dat ik altijd bijhield als ik in Mumbai woonde. Ik citeer een paar hoofdlijnen:

Als je met de lokale trein (Western Lines) in Mahim uitstapt, moet je met een loopbrug over het spoor naar Oost Mahim. Daar loop je langs de zwarte, stinkende kreek Dharavi binnen. Eerst naar kumbharwada, de buurt van de pottenbakkers. De enige geplaveide straat loopt hier, 90 ft Road. Alles is hier op het pottenbakken ingesteld; middenin de wijk diepe putten om de klei te maken, hier en daar grote ovens en overal pottenbakkers aan het werk. Sommigen op een met de hand aangedreven wiel. Alles is handwerk, maar als je het resultaat ziet, denk je dat het uit de fabriek komt; iedere maat en vorm is hetzelfde. Ik heb zitten kijken naar de produktie voor holi, net als divali een hoogtijperiode. Maar ze maken ook sierpotten en beelden, groot en klein. Voor de ovens wordt kapok gebruikt; in een aangrenzende buurt vind je de matrassenmakers, die op basis van verzamelde kapok de goeie gedeelten opnieuw gebruiken voor nieuwe matrassen en kussens; de oude kapok gaat naar de pottenbakkers.

 

 

De ovens roken en stinken, maar omdat ze in de eigen buurt gesitueerd zijn, schijnt niemand er last van te hebben. Het werk vindt buiten plaats, in de open lucht, in de ‘publieke ruimte’. Veel voorzieningen lijken ‘collectief’ te zijn–dat geldt voor de kleiputten, vermoedelijk ook voor de verkoop van de eindprodukten. Langs de weg zijn er diverse uitstallingen voor potten en beelden, maar het grootste deel van de produktie is voor elders bestemd, ook het buitenland.

 

 

Dharavi is een lappendeken van etnische, regionale en religieuze buurten. Ik loop een eind door de omvangrijke Tamil Nadu-wijk. Opschriften in Telegu en mannen in lungi’s. De wijk heeft lange, rechte stegen in gridvorm. In Dharavi is weliswaar waterleiding en electriciteit aanwezig (tenslotte wordt de buurt door allerlei politici als vote bank gebruikt), maar de vuilophaal is een groot probleem. Op allerlei punten ligt afval torenhoog opgestast; wat een ongelooflijke stank! Op allerlei plekken worden wegen verbreed en geplaveid, wat tot onvoorstelbare herrie en dichte wolken uitlaatgassen leidt; de vooruitgang rukt op! De winkeltjes in de Tamil Nadu-wijk zijn pietepeuterig, maar druk met spelende kinderen, kletsende buurvrouwen en–zoals altijd in India–vrolijkheid, gelach, geschreeuw. Ik ga naar binnen in een winkel voor video’s of dvd’s, ik zoek een exemplaar van de film Nayakan (met Kamal Hassan), die zich voor een deel in Dharavi afspeelt. Succes, eindelijk, ik speur er al weken naar. Er moet eerst even een piratenversie worden gemaakt, een jochie wordt erop uitgestuurd. Ik word uitgenodigd op een krukje te gaan zitten, er komt thee. Zoals het altijd gaat in India: drie, vier mannen bemoeien zich met de transactie, er worden allerlei telefoontjes gepleegd en na een minuut of twintig duikt er een prachtige piratenversie op, waarvan je je afvraagt waar dat nu weer gefabriceerd is.

 

 

Dharavi is niet alleen de lokatie van de pottenbakkers, maar ook van leerlooiers, zilver- en goudsmeden, tassen- en koffermakers, textielbewerkers, kleermakers, naaisters. Een rijke infrastructuur van restaurants, theehuizen, sportclubs, tempels, moskeeën, kerken. Een dichte bevolking van ruim één miljoen op minder dan 200 hectare voormalige moerasgronden. ‘Klein India’, volk uit alle windstreken. Het is een gemeenschap onder hoge druk; het ambachtelijke atelier van de stad waar veel geld wordt verdiend en de gevestigde bevolking—de pottenbakkers zitten hier al 100 jaar—voor geen geld zou willen verhuizen naar andere delen van de stad. Dharavi is alles behalve een getto, je moet er letterlijk en figuurlijk heel wat voor over hebben om hier te mogen wonen en werken. De buurt is ook alles behalve een stadswijk in verloedering, de bewoners hebben per persoon gemiddeld een minimale ruimte tot hun beschikking, maar het is hún ruimte en ze zijn er trots op.

 

illustraties
Foto’s van Dharavi genomen door Lodewijk Brunt (copyright)