Stadsliteratuur

Onlangs las ik Alfred Döblins Berlin Alexanderplatz. Die Geschichte vom Franz Biberkopf. Voor het eerst gepubliceerd in 1929, een paar jaar later in een grote oplage op de nazibrandstapels van verderfelijke lectuur gesmeten. Ik las de nieuwe Nederlandse vertaling door Hans Driessen, zojuist uitgegeven door Wereldbibliotheek (zie de website Literair Nederland voor mijn recensie van 12 mei 2015). Een magistraal boek over het veelbewogen leven van psychopaat Biberkopf die aan het begin van het verhaal ontslagen wordt uit de gevangenis van Tegel, waar hij een straf heeft uitgezeten voor het vermoorden van zijn vriendin Ida. Hij heeft zich voorgenomen ‘fatsoenlijk’ te worden, maar dat gaat grondig mis. Hoe fascinerend de geschiedenis van Biberkopf ook mag zijn – veel speelt zich af in donkere kroegen aan het Alexanderplein, zoals de titel al doet vermoeden – Döblin schildert ook een onnavolgbaar stadsportret. ‘Zijn’ geliefde Berlijn heeft een centrale plaats in het boek.

 

Er zijn ontelbare romans die zich in de stad afspelen, maar de manier waarop verschilt aanzienlijk per schrijver. Aan de ene kant heb je de stad als een anoniem decor, aan de andere kant een concrete stad, strikt gesitueerd met plaats en tijd. Een voorbeeld van de eerste pool van dit continuüm zou je kunnen vinden in het curieuze boek van Iginio Ugo Tarchetti, Fosca, dat stamt uit 1869, maar net in vertaling bij Athenaeum/Polak&Van Gennep is verschenen. Het boek gaat over onmogelijke liefdes van de hoofdpersoon, de militair Giorgio; zijn verhouding met de gehuwde Clara loopt stuk op strenge conventies en de relatie met de foeilelijke Fosca mislukt al evenzeer, zij het om andere redenen. Waar de handelingen zich precies voordoen is van ondergeschikt belang, soms is het Milaan, soms een provincieplaats, het gaat uiteindelijk om de zielenroerselen van de hoofdpersonages. De stad komt erin voor als een abstractie, een soort geloofsbelijdenis van de schrijver, zonder toelichting of uitwerking. Tarchetti schrijft:

Wie ooit in een grote stad heeft gewoond kan niet meer wennen aan het dorpsleven, kan zijn overtuigingen, zijn ideeën en zijn gewoontes niet terugbrengen tot het bekrompen, vaak lachwekkende niveau van die van de plattelandsbevolking. Ik heb dorpen altijd beschouwd als centra van onwetendheid en barbarij, en vaak ook van corruptie. Het zijn mijns inziens de dorpen die de voortgang van de beschaving blokkeren, die een spaak in haar wiel steken. Als de enige bewoonde plekken op aarde Londen, Sint-Petersburg, Parijs, Rome en Berlijn zouden zijn, was er al lang een oplossing gevonden voor de problemen waar de mensheid al eeuwen mee worstelt

Het is een prachtig motto, daar niet van, maar in het boek is de uitspraak volstrekt vrijblijvend en vindt dus ook geen spoor van rechtvaardiging in het verhaal of de verdere beschouwingen van verteller of personages.

Döblin bevindt zich aan de andere pool van het continuüm. Zijn stad is meer dan alleen het kader waarbinnen het verhaal van Biberkopf zich afspeelt – ze is niet afgeleid van de ontwikkelingen die de personages doormaken, maar bestaat als zelfstandige kracht. Als Biberkopf uit de gevangenis komt durft hij de stad niet in, het duizelt hem, hij verzamelt eerst een tijdlang moed voordat hij de tram naar het centrum neemt.

De trams raasden bellend verder, gevel na gevel flitste onophoudelijk voorbij. En er zaten daken op die huizen, zijn ogen dwaalden naar boven: als die daken er maar niet af gleden, maar de huizen stonden recht. Waar moet ik, arme donder, naartoe, hij sleepte zich langs de muur van huizen, er kwam geen einde aan.

Berlijn is geen soft city die meegeeft met de luimen van de personages, Berlijn is een meedogenloze, keiharde realiteit waar je lelijk je hoofd kunt stoten als je niet uitkijkt. Döblin houdt de lezer voortdurend op de hoogte van de tijd en de plaats waar de handeling zich afspeelt,

De zon gaat op en onder, er komen heldere dagen, de kinderwagens rijden over straat, we schrijven februari 1928.

Soms specifieker: we krijgen de dag en de tijd, het weerbericht, de krantenkoppen, het nationale en internationale nieuws. Maar Döblin gaat nog verder:

Aanvoer op de veemarkt: varkens 11.543, runderen 2016, kalveren 1920, schapen 4450.

De slacht word je niet bespaard:

En het kalfje: prrr-rrrr, heel, heel stijf, gestrekt zijn pootjes. De zwarte fluwelen ogen van het kalfje zijn plotseling heel groot, ze staan stil, zijn wit omrand, dan draaien ze weg. De man kent dit al, ja, zo kijken de dieren, maar we hebben vandaag nog zoveel te doen, we moeten verder, en hij zoekt onder het kalfje op de bank, daar ligt zijn mes, met zijn voet schuift hij de schaal voor het bloed op de goede plaats. Dan zoef, dwars door de hals wordt het mes getrokken, door de keel, door alle kraakbeen, de lucht ontsnapt, de spieren worden ook doorgesneden, de kop heeft geen houvast meer, de kop valt op de bank. Het bloed spuit, een zwartrood vocht met luchtbellen.

Het winkelbestand, de gemeentelijke bureaucratie, overlijdensberichten, geboortecijfers, verkeersongelukken, reclameopschriften, advertenties, etalages, routes van de trams, de prijs van een enkeltje, openings- en sluitingstijden, vergunningen voor straatventers – in 1927 stierven in Berlijn, de doodgeborenen niet meegerekend, 48.742 personen, aan kanker, tuberculose, hartkwalen, vaatziekten, kinkhoest, beroertes, longontstekingen, difterie, roodvonk, mazelen (…) er werden 42.696 mensen geboren.

Döblin laat je als lezer de stad ontdekken, mee met Biberkopf:

Wat is dat voor een stad, wat een reusachtige stad, en wat voor leven, wat voor levens heeft hij er al geleid. Bij de Stettiner Bahnhof stapt hij uit, dan loopt hij de Invalidenstrasse uit, daar is het Rosenthaler Tor. Fabisch Confectie, daar heb ik staan venten, dashouders, afgelopen Kerstmis. Met de 41 gaat hij naar Tegel en als de rode muren opdoemen (…) wordt Franz kalmer. Dat hoort bij mijn leven en dat moet ik bekijken, bekijken.

Je daalt af tot aan de ingewanden van de stad en wordt net als Franz Biberkopf overdonderd door het gigantische mechanisme dat van mensen mieren maakt.

Toen ik Berlin Alexanderplatz had uitgelezen, kon ik niet onmiddellijk omschakelen naar een ‘neutraal register’, zoals dat heet. Om weer een beetje tot mezelf te komen las ik het laatste boek (althans in mijn bezit) van een andere ‘stadsschrijver’, maar van een verschillend kaliber: de Schotse Denise Mina. The Red Road (2013) lag nog op het stapeltje ongelezen boeken. Zoals in al haar werk, speelt de handeling zich af te Glasgow, overigens net als Berlijn een stad die ik goed ken, waar ik zelfs een jaartje heb gewoond. Mina schrijft ‘misdaadromans’, als dat tenminste een bestaand genre is. Haar hoofdpersoon is een vrouw, maar in de loop der jaren steeds een andere, je vermoed een zekere parallellie met Mina’s eigen bestaan. Maureen O’Donnell is een wat vaag type dat vrijwilligerswerk doet in een vrouwenopvangtehuis, Paddy Meehan is aanvankelijk jong maatje bij de krant, later columniste, Alex Morrow, eerst gewoon DS, in latere boeken DI, werkt als inspecteur bij de Strathclyde Police. Bij haar eerste optreden is ze hoogzwanger, verderop in het werk van Mina is ze de moeder van een tweeling. In The Red Road heeft ze een manspersoon thuis die voor de tweeling zorgt, maar of hij fulltime huisman is weet ik eigenlijk niet.

 

In welke gedaanten Mina haar centrale personages ook laat optreden, ze hebben allen duidelijke overeenkomsten: een getroebleerde verhouding met het ouderlijk huis – een duidelijke suggestie van seksueel misbruik door de vader dat  door de moeder met de mantel der liefde werd bedekt, een halfbroer die iets met drugshandel en georganiseerde misdaad heeft – en (vermoedelijk als consequentie) een problematische relatie met superieuren, de hoofdredactie van de krant, politici of commissarissen van de politie. Geen ‘heldinnen’ als hoofdpersoon, eerder integendeel: ze zijn te dik, drinken te veel, slaan verkeerde mannen aan de haak, worden door hun collega’s nauwelijks serieus genomen. Mina kan goed schrijven, haar plots zijn intelligent, de afwikkeling van het verhaal vaak verrassend, snel gemonteerd en goed gedoseerd, maar misschien niet cynisch genoeg voor werkelijk populair succes, hoewel haar werk af en toe verfilmd is – ik heb tenminste ooit de filmversie gezien van Field of Blood – een verhaal met Paddy Meehan in de hoofdrol.

Wat me in haar boeken aantrekt is de stad, met de oplossing van misdaad heb ik over het algemeen niet zoveel affiniteit. Allerlei plekken in Glasgow komen regelmatig terug. Zoals het grote ziekenhuis uit de tweede helft van de negentiende eeuw:

The Albert Hospital was a blackened Victorian monstrosity. It stood alone at the head of the town, dwarfing the squat medieval cathedral.

Ik ben er talloze keren geweest, het ziekenhuis en de kathedraal liggen naast de roemruchte Necropolis van Glasgow, een indrukwekkende dodenstad van waaruit je over heel Glasgow-Oost kijkt, recht boven het voetbalstadion van Celtic. Ook de zondagsmarkt, de Barras, kom je bij Mina vaak tegen, net als de Gorbals, een oude arbeiderswijk aan de ‘andere kant’ van de rivier, de Clyde, waar in de negentiende eeuw veel Ieren terechtkwamen en immigranten uit Oost-Europa die van hieruit de overtocht naar het beloofde land Amerika hoopten te maken, maar wel eens bleven hangen, soms omdat ze meenden al in Amerika te zijn aangekomen. In de jaren vijftig en zestig is de Gorbals tegen de vlakte gegaan – op die plek zijn lelijke woontoren verrezen die al spoedig no go areas werden met ongekend hoge cijfers voor werkloosheid, drugsgebruik, criminaliteit, narigheid. In haar laatste boek worden de torens van de Gorbals afgebroken, in één ervan wordt een lijk gevonden en onverklaarbare voetafdrukken.

Ook het Schotse klimaat is een vast element in Mina’s boeken, dat kan niet missen:

usuallly, Glasgow’s weather vacillates between freezing rain and not-so-freezing rain but sometimes, on a five- to ten-year cycle, the weather turns and the city doesn’t know itself.

Terugkerende plekken zijn verder het chique West-End, met schitterende huizen in lommerrijke lanen, Kelvingrove Park, Botanic Gardens, Glasgow University en de vele studentenvoorzieningen: bars, restaurants, koffiehuizen. Maureen O’Donnel woont bovenop Garnethill, op de grens tussen de oude stad en West-End waar het ‘progressieve’ gemeentebestuur in de jaren zestig een vierbaansweg langs getrokken heeft om de stad ‘open te gooien’ – zoals de ‘progressieve bestuurders’ van Amsterdam, geestverwanten, dit later ook (vergeefs) probeerden te imiteren met het doortrekken van de Weesperstraat naar het Centraal Station. De Clyde, People’s Palace en People’s Park zijn standaardingrediënten van Mina’s boeken. Irn-Bru, sigaretten, voetbal, alles wat je associeert met Glasgow is er te vinden.

Maar wat een verschil met Döblin! Berlijn is hoofdpersoon, Glasgow figurant. De stad van Mina verandert al naar gelang de stemming van de personages, als een soort achtergrond bij de afwikkeling van het verhaal. Als Paddy Meehan vrolijk is, schijnt de zon, als Maureen O’Donnell somber is, regent ‘t. Er is ontegenzeggelijk leven in het Glasgow van Denise Mina, en haar boeken staan vol van concrete, herkenbare aanknopingspunten. Toch komt de stad komt niet uit boven een plattegrond. De beweging, het rumoer, de dynamiek wordt hooguit veroorzaakt door de verplaatsing van decorstukken.

 

illustraties
Denise Mina; bron: amirite.com
Alfred Doblin; bron: www.tagesspiegel.de

By |2017-01-20T17:05:28+00:00woensdag 13 mei 2015|Categories: Blog|Tags: , , , , , |Reacties uitgeschakeld voor Stadsliteratuur