In City & Community (september 2015), een uitgave van de American Sociological Association, schrijft Herbert Gans over twee soorten stadssociologie in de Verenigde Staten. De auteur is voorzichtig, maar ik denk dat zijn inzichten ook buiten de Amerikaanse sociologie geldig zijn—voor zover dat specialisme tenminste elders beoefend wordt. De stadssociologie omvat veel verschillende tradities, benaderingswijzen en theoretische preoccupaties; het is een tak van de sociologie die aan het eind van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw tot ontwikkeling kwam—in het spoor van de industrialisatie en verstedelijking. In Duitsland had je geleerden als Georg Simmel en Ferdinand Tönnies die zich over het stadsleven bogen en via Duitse universiteiten kwam de belangstelling tot bloei aan sommige jonge Amerikaanse instellingen voor hoger onderwijs, met name aan de University of Chicago. Daar werd onderzoek naar de eigen stad sterk gestimuleerd, niet alleen onder sociologen maar ook onder geografen, historici en andere academici. Er werden in die hoek inzichten en theoretische noties ontwikkeld die ook in de algemene sociologie langzaam maar zeker gemeengoed zijn geworden en omdat Chicago een razendsnel groeiende typische ‘immigrantenstad’ was, is veel van het gedachtegoed nog steeds actueel. Acculturatie, assimilatie, etniciteit, gettovorming, etnisch ondernemerschap, etnische successie, politiek populisme, criminaliteit, armoede—het is allemaal uitvoerig terug te vinden in het werk van deze eerste generatie stadssociologen.

Gans, die jarenlang voorzitter was van de Amerikaanse Sociologische Vereniging en auteur is van verschillende ‘klassieke’ studies, ook op het gebied van de stadssociologie, onderscheidt twee brede stromingen: objectgericht en relatie- of mensgericht. De objectgerichte stadsonderzoekers bestuderen de (fysieke) stad als zodanig, dan wel de onderdelen waaruit de stad bestaat (nog steeds wordt er druk gediscussieerd over de vraag wat een stad nou eigenlijk is). Ze houden zich bezig met grondgebruik, buurten, stedelijke instellingen, nieuwbouwwijken, de openbare ruimte in het algemeen of speciale onderdelen zoals parken, restaurants, stations, vermaakscentra, culturele instellingen. Veel studies kun je samenvatten als onderzoek naar aspecten van ruimte en plaats (space and place). De relatiegerichte stadsonderzoekers zijn vnzelfsprekend eveneens geïnteresseerd in ruimte en plaats, maar eerder als factoren op de achtergrond, in zoverre deze elementen van belang zijn voor sociale verhoudingen en arrangementen. Ze kijken naar mobiliteit, naar groei en verval en naar wat er in al die plaatsen gebeurt: wie bezoeken bepaalde culturele instellingen? welke cafés zijn populair? welke stadsdelen trekken welk soort publiek? Het alledaagse leven staat in de belangstelling, conflicten, werk, politiek, gezinsleven, alleenstaanden, relaties tussen de seksen.

Het onderscheid van Gans is nuttig, maar nogal abstract. Hij laat zien dat in concrete studies beide perspectieven door elkaar lopen, afhankelijk van de probleemstelling en het soort onderzoek. Iets wat hij trouwens ook bepleit, het ene perspectief kan niet zonder het andere. Het doet me denken aan een ander begrippenpaar dat de auteur ontwierp in zijn fraaie essaybundel uit het begin van de jaren negentig: People, Plans, and Policies. Ook hier wijst hij op het gevaar van fysisch determinisme, de gedachte dat je als planner, ontwerper of architect vormen zou kunnen ontwerpen die het menselijke verkeer in bepaalde banen leiden. Oscar Newman was zo iemand: de pleitbezorger van de ‘veilige omgeving’. Door woningen op een bepaalde manier te construeren kon je zorgen voor ‘ogen op de straat’, effectieve sociale controle die straatmisdaad zou terugdringen. Sommige architecten menen dat hun creaties de onderlinge harmonie van bewoners zou bevorderen–gemeenschappelijke voorzieningen dwingen mensen immers tot samenwerking! Met de mogelijkheid van intense conflicten en algehele oorlogvoering wordt voor het gemak geen rekening gehouden. Gigantische woonprojecten—zoals het beruchte Pruitt-Igoe complex in Saint Louis, ontworpen door World Trade Center-architect Minoru Yamasaki en zestien jaar na de oplevering alweer gesloopt—zijn op zulke misverstanden gebaseerd.

De begrippen waarop ik doel zijn potentiële en effectieve omgeving. De landschapsarchitect kan een schitterend park ontwerpen en daarmee een bepaalde potentiële omgeving scheppen, maar hoe het park daadwerkelijk ervaren en gebruikt wordt, is een totaal andere kwestie: de effectieve omgeving. Het begrippenpaar is onmisbaar voor iedere stadsonderzoeker, het maakt je attent op de discrepantie tussen ideaal en werkelijkheid, op de inherente spanningsverhouding tussen ontwerp en praktijk. In zijn onvolprezen Soft City wees de Britse auteur Jonathan Raban—leek op het gebied van de stadssociologie—op het verschijnsel. Ontwerpers en beleidsmensen denken dat ze een stad ontwerpen die voor iedereen leesbaar is omdat hun ontwerp gebaseerd zou zijn op rationele principes. Van iedere straat kunnen ze aangeven hoe lang en hoe breed hij is, hoeveel stenen er in verwerkt zijn, hoeveel lantaarnpalen, bomen en wegwijzers, maar in het dagelijkse gebruik kom je met zulke objectieve kennis geen stap verder. De stadsbewoner wordt onophoudelijk geconfronteerd met de totale onbegrijpelijkheid van de overwegingen van andere mensen, zegt Raban. Op weg van zijn huis naar het dichtstbijzijnde metrostation moet hij een drukke weg oversteken. Hij neemt het razende verkeer niet in ogenschouw met het besef dat al die personenauto’s en trucks bezig zijn de economie te versterken en noodzakelijke goederen van A naar B brengen. In fact I feel about the road much as a primitive tribesman might feel about a dangerous ravine with a killer river given to unpredictable floods.

Kevin Lynch ging met mensen wandelen langs een blok in de buurt van het MIT in Boston, waar hij als onderzoeker werkte. Hij vroeg ze om onderweg op te sommen wat hen opviel en het resultaat was treffend. Alleen duidelijk afwijkende gebouwen werden opgemerkt, zoals een kerk, of een hoog gebouw. Er was veel belangstelling voor winkeletalages, maar welke winkels men interessant vond, liep per individu sterk uiteen. Uithangborden, verkeerstekens, reclames werden nauwelijks geregistreerd; niemand had aandacht voor kleuren en ook voor geluiden was amper aandacht. Auto’s vielen op als ze verkeerd geparkeerd stonden, verder niet, terwijl er bij het oversteken naar niets anders dan juist auto’s werd gekeken.

Je zou zeggen dat Herbert Gans een deur intrapt die allang openstond. Dat is misschien waar, maar uit de geschiedenis van de stadssociologie blijkt iedere keer opnieuw dat de stedelijke omgeving wordt voorgesteld als hard en meedogenloos, letterlijk en figuurlijk van steen, terwijl hij in werkelijkheid zacht is en vloeibaar, een scherm waarop van alles geprojecteerd kan worden.

 

illustraties
foto’s van respectievelijk Amersfoort, Amersfoort en Dordrecht zijn genomen door Lodewijk Brunt (copyright)