Vorige maand was het goed raak. Ondanks de lockdown en allerlei waarschuwingen waren mensen met het mooie weer in groten getale naar het park getrokken, om te zonnebaden, kletsen, barbecueën, joggen. Volgens de autoriteiten was het op sommige plekken veel te druk; de politie werd erop afgestuurd. Brandhaarden waren onder andere het Westerpark in Amsterdam, het Zuiderpark in Den Haag en het Limburgse Heuvelland. De ordehandhavers sommeerden de bezoekers per megafoon het park te verlaten en deelden in sommige gevallen boetes uit van honderden euro’s. Het verschijnsel was niet beperkt tot Nederlandse steden, maar deed zich ook voor in tal van andere landen. De Britse architectuurcriticus Edwin Heathcote signaleert in zijn column (Financial Times, 18 april, 2020) dat de stadsparken een slagveld geworden zijn waar de vertegenwoordigers van de nanny state tegenover die van de police-state staan. Hij beschouwt het als een bijzondere vorm van wreedheid dat mensen in de tijden van corona het park uitgejaagd worden en zelfs forse boetes krijgen opgelegd. Ooit had je parkwachters, vervolgt hij, die toezicht hielden op het gebruik: kinderen mochten niet voetballen op het pas ingezaaide gras, honden moesten aan de lijn, bloemperken werden beschermd tegen vandalen en dieven. Zulke functionarissen zijn allang afgeschaft vanwege de bezuinigen van de overheid. Waarom kunnen we deze parkies niet opnieuw aanstellen, vraagt Heathcote zich af: om mensen juist binnen het park te houden en een beetje te letten op de onderlinge afstand?

Opportunity and inducement to escape at frequent intervals from the confined and vitiated air of the commercial quarter, and to supply the lungs with air screened and purified by trees, and recently acted upon by sunlight, together with opportunity and inducement to escape from conditions requiring vigilance, wariness, and activity toward other men—if these could be supplied economically, our problem would be solved… Het citaat is niet afkomstig uit het partijprogramma van de Groenen, maar van Frederick Olmsted, die in 1871, zo’n honderdvijftig jaar geleden dus, over de uitbreiding van steden met openbare parken schreef. Frisse lucht en ontspanning: daar was volgens hem grote behoefte aan in het tijdperk van snelle verstedelijking en die behoefte kon betrekkelijk goedkoop worden bevredigd door de aanleg van stadsparken.

Overigens bestonden parken al veel langer; ancient Rome had a wealth of special gardens, open to everyone, schrijft Spiro Kostof in zijn The City Assembled. Maar in later tijden en op andere plekken werd juist de toegankelijkheid vaak betwist. Engeland is een voorbeeld. De meeste openbare plekken lagen ver van de stad, het ging om weidegrond of boerenakkers, militaire oefenterreinen en begraafplaatsen. Public claims to air and recreation clashed with these special interests and with invasions of private ownership, zegt Kostof. Hoe dichter bij de stad, hoe feller de strijd om toegankelijkheid.

 


Groningen, frisse lucht

Het ‘moderne park’ ontstaat vooral in de negentiende eeuw, langzaam maar zeker gaat het initiatief daartoe over van particulieren naar de overheid. In 1842 bepaalde het Britse parlement dat er een park moest komen in Oost-Londen (Victoria Park), speciaal bestemd voor de working classes. Tot dan toe lagen vrijwel alle Londense parken in het sjieke West End: Hyde Park, Kensington’s Park, Regent’s Park, St. James’ Park. In Frankrijk vormden in ongeveer dezelfde periode parken een integraal onderdeel van de stedelijke vernieuwingsactiviteiten van Baron Haussmann (Bois de Boulogne, Bois de Vincennes, Parc Monceau, Parc Montsouris en Buttes-Chaumont). In New York werden Central Park (Manhattan) en Prospect Park (Brooklyn) aangelegd door Olmsted en Calvert Vaux. Ook in Japan kwamen stadsparken, in Amsterdam werd het Vondelpark gerealiseerd door ‘projectontwikkelaar’ C. van Eeghen. Een internationale trend, mag je zeggen.

Ondanks de nadruk op algehele toegankelijkheid, hebben sommige parken een duidelijk ‘elitair’ stempel gedragen. Social attractions immediately obliterated hygienic intentions, schrijft David Jordan over het Bois de Boulogne in zijn Transforming Paris. Ook in de romanliteratuur (‘van Zola tot Proust’) werd het park beschreven als een speelplaats voor de rijken. De tocht naar en door het Bois was een ritueel, de koetsen vormden een verbijsterende optocht van elegant transport. In Nana somt Zola de onderdelen van dat transport nauwkeurig op: koetsen, omnibussen, hondenkarren, victorias, landauers. Achteraan kwamen de postkoetsen met de bagage: manden vol champagne. Ernest Kurpershoek wijst op iets dergelijks in zijn beschouwing over het Amsterdamse Vondelpark (Ode aan het Vondelpark): het park was voor velen een strakke scheiding tussen rijk en arm. De rijken leken altijd net iets meer aanspraak op het gebruik van het park te mogen maken dan de bewoners aan de noordzijde, aldus de auteur. Hij haalt ter illustratie de ervaringen aan van Jan Blokker en Kees Fens, beiden afkomstig van de ‘verkeerde kant’. Ze betraden het park in hun jonge jaren altijd met een zekere aarzeling, alsof ze er niet thuis hoorden en ze in de verlengde achtertuinen van de villa’s aan de zuidkant terechtkwamen.

 


Zitten in Sittard.

Heathcote merkt op dat bij de aanleg van de grote stadsparken de hygiënische overwegingen altijd de doorslag gaven. De parken werden gezien als places of relief from the sickness, disease, and darkness of cramped slums and dense tenements. Juist daarom is het volgens hem zo vreemd dat tijdens de pandemie de parken in de dichtbevolkte steden worden afgesloten of streng gecontroleerd op het soort gedrag waarvoor ze juist bedoeld waren. Het lijkt inderdaad paradoxaal, maar het is de vraag of de overwegingen altijd zo duidelijk waren. Het comité dat zich bemoeide met de aanleg van Central Park op Manhattan, bij voorbeeld, sprak over alle klassen van de gemeenschap die positief zouden staan tegenover de aanleg, maar de discussies vonden in feite plaats in een select gezelschap van politici, kooplieden, bankiers, grondbezitters, uitgevers en hoofdredacteuren. The park was a project of relatively few gentlemen who saw themselves as representing the public, schrijven Roy Rosenzweig en Elizabeth Blackmar in hun geschiedenis van het park (The Park and the People). De hoge heren voerden drie gronden aan ter rechtvaardiging van een groot park: commerciëel (goed voor het bedrijfsleven); moreel (de ‘opheffing’ van de lagere klassen) en cultureel: het park zou het toneel worden waarop de hogere klassen het gewone volk konden tonen hoe beschaafd ze waren.

 


Frisse lucht in Weert.

Maar wat misschien de doorslag gaf waren overwegingen van prestige en lokaal chauvinisme. Menig lid van de leidende families in New York was bereisd en had een kosmopolitische oriëntatie. Na bezoeken aan Londen en Parijs moesten ze constateren dat een metropool als New York nogal armzalig afstak bij de Europese steden, precies vanwege de afwezigheid van fraaie, grote stadsparken. En halverwege de vorige eeuw vestigde de ‘meester’ stedenbouwer Robert Moses om soortgelijke overwegingen zijn internationale reputatie door de aanleg van stranden, zwembaden, spoorwegen, bruggen en… stadsparken. Hij legde een systeem van staatsparken aan in de wijde kring rond de stad. Maar bovendien vergrootte en verfraaide hij de bestaande parken binnen de stad: Roosevelt Park, Bryant Park, Prospect Park en Central Park.

Van welk standpunt je het ook bekijkt, de ‘aanval’ op de parken met politiemacht, megafoons en zware boetes is absurd, anti-stedelijk en niet te rechtvaardigen.

 

illustraties:
stadspark Groningen; bron: visitgroningen.nl
stadspark Maastricht; bron: bezoekmaatsricht.nl
stadspark Sittard; bron: santenco.nl
astadspark Weert; bron: personal-architecture.nl