De Britse sociologe Ruth Glass muntte in de loop van de jaren zestig het begrip gentrification – ze bedoelde het proces waarbij oude, verloederde stadswijken worden opgeknapt en omgetoverd tot aantrekkelijke woonbuurten. De buurten zijn vaak gunstig gelegen ten opzichte van de voorzieningen en het blijkt dat je van de verkrotte woningen modieuze paleisjes kunt maken – als je er maar wat geld in wilt steken. Het woord is ontleend aan de Britse landed gentry en je zou het begrip dus kunnen vertalen als versjieking (de suggestie van een goede vriendin) – maar in Nederlandse oren klinkt de Engelse term natuurlijk een stuk interessanter, met als bijkomend voordeel dat je er van alles en nog wat onder kunt verstaan.

Versjieking is gewoonlijk een proces van jaren. Ik woon zelf in een buurt die intensief in zo’n proces verwikkeld is geweest, misschien nog wel. Sommige mensen die hier wonen, herinneren zich de fabriekjes en werkplaatsen, kantoren en bedrijven, scholen en pakhuizen die er gevestigd waren toen ze dertig, veertig jaar geleden in de buurt kwamen wonen. Schoenmakers, bakkers, slagers, melkboeren en zelfs prostituees. Een nogal armoedige volkswijk met een bevolking op leeftijd. In enkele decennia is die oude buurt van de kaart geveegd en is er langzaam maar zeker een reservaat van literati en hipperati ontstaan, hoogleraren, schrijvers, artiesten, journalisten, performers van ieder slag. Uit de buurtwinkeltjes zijn de slagers en bakkers verdreven door de delicatessen, antiek, luxe kleding, schoenen, nutteloze hebbedingetjes, zelfgemaakte snoepjes, bonbons en andere chocoladewaren, stroopwafels en limonadesiroop uit exclusieve, ambachtelijke ateliers, een vormgevingseldorado, annex éénkamerhotel. De opera om de hoek, danstheater, toneel, poëziecentrum, cafés, restaurants in soorten en maten. Veel buitenlanders: Britten, Amerikanen, Japanners. Om te werken of te rentenieren. En, natuurlijk ook de yupps: young urban professional parents, bakfietspapa’s en –mama’s.

In Amsterdam lijkt de stadsversjieking zich als een olievlek te verspreiden, als je door de stad fietst zie je overal tekenen, Oost, West, Noord, en nu ook delen van Zuid. Onlangs werd de Van Woustraat belicht als front van de gentrification. In NRC Handelsblad (12 juni 2015) een gedetailleerde tekening van de straat met pijltjes bij de panden waar zich zojuist de ‘nieuwe tijd’ heeft gemanifesteerd: Cashewmelk wint het van kapsalon, heet het stuk. In Het Parool, een dag later (13 juni 2015) wordt vooral de Diamantbuurt belicht: Die espressobar is niet de oplossing. In beide stukken wordt hoog opgegeven van de veranderingen in de buurt, maar in feite is het proces nog niet duidelijk zichtbaar. In de Van Woustraat heeft zich een filiaal van Marqt gevestigd, van Stach, Coffee Company, Juice Brothers en Village Bagels, maar de straat is lang en bijna alles is geconcentreerd in het 19e eeuwse gedeelte van de straat, in het zuidelijke 20ste eeuwse gedeelte gebeurt niets. De schrijver van het stuk laat verschillende buurtbewoners aan het woord en ook dan valt het op dat de gemengde gevoelens overheersen. De chique winkels staan de hele dag leeg, zegt iemand, er is maar een hele kleine groep die het aanbod kan betalen. Er wordt geklaagd dat de ‘oude, volkse buurt’ aan het verdwijnen is.

Tja, dat is inderdaad wat er tijdens een proces van versjieking gebeurt: nieuwe bewoners komen binnen, oude vertrekken – zulke processen spelen zich af zolang er steden bestaan. In beide stukken komt Anouk de Koning aan het woord, onderzoeker van de Radboud Universiteit – ze werpt zich op als zaakwaarnemer van de Diamantbuurt of wordt als zodanig door de Amsterdamse journalistiek beschouwd. Volgens haar komen alle woningen van sociale huurders die verhuizen meteen op de vrije markt terecht; ze worden verkocht tegen prijzen die de ‘oorspronkelijke bewoners’ zich niet kunnen permitteren. Dat staat in NRC Handelsblad. Het klinkt nogal klagerig, maar als je een buurt van verloedering wilt redden, lijkt me, is het minstens verheugend dat je vrijkomende huizen kunt verkopen – in plaats van ze te laten verloederen. Het percentage sociale woningbouw in de Diamantbuurt ligt nog steeds op omstreeks de 75% van het totale woningbestand, daar kom je normaal gesproken dus niet tussen als woningzoekende van buiten. De Koning zegt: De Oude Pijp was een smeltkroes. Maar dat is nu heel snel veranderd. Opmerkelijk genoeg zegt ze in Het Parool, een dag later, dat het in haar buurt een stuk minder snel gaat met de gentrificatie dan elders in de stad. Ze bezigt zelfs het nieuwe woord sluimerveryupping. Het resultaat daarvan zal pas over een tijd gaan opvallen, vervolgt ze, want woningen worden alleen nog maar hier en daar verkocht.

Waarom hier naar yuppen verwezen moet worden is mij niet duidelijk. Het is, vrees ik, een demagogisch trucje, je hoopt daarmee de sympathie van de ‘gewone man’ te winnen – maar als geïnteresseerde in  hert wel en wee van de stad zou je willen dat iemand eens duidelijk omschrijft wat we onder yuppen precies moeten verstaan. Zonder toelichting is het begrip een boze boeman die slechts leeft in de verbeelding.

Maar zelfs de sluipende versjieking gaat Anouk de Koning nog veel te snel. Ze wijst weliswaar op de slechte reputatie van de Diamantbuurt – nog maar een paar jaar geleden werden er op last van de burgemeester een paar gezinnen uit hun huis gezet, met de overlast die ze veroorzaakten viel niet te leven en de Diamantbuurt is ook de buurt van Bert en Marja, die in 2004 door de opgeschoten jeugd uit hun huis werden getreiterd – maar ziet desondanks in het vervangen van de ‘oorspronkelijke’ bewoners geen oplossing van de problemen. Ze zegt: ook zonder heel veel yuppen is dit een heel leuke buurt, waar de meeste mensen prettig wonen. Opnieuw dus de ‘yuppen’  die het gedaan hebben… wat ’n flauwekul!

De stedelijke dynamiek houdt voortdurende veranderingen in. De ‘oorspronkelijke bewoners’ waarover De Koning spreekt, waren de nieuwkomers van twintig jaar geleden. Buurten veranderen zoals de hele stad verandert. Wat pijnlijk ontbreekt in beide stukken is een overzicht van de huur- en koopprijzen, de vierkante meterprijzen voor winkels, de stijging of daling daarvan. Ook zou je veel meer willen weten over de veranderingen in de openbare ruimte: wat wordt er gedaan om de armetierige straatjes in dit deel van de Pijp een aangenamer uiterlijk te verschaffen? Straks komen er twee haltes van de Noord-Zuidlijn in de buurt te liggen – is daar al iets van te merken? Zonder die achtergrondinformatie blijft een stuk over gentrificatie steken in kreten en stemmingmakerij.

Een stadsbevolking is per definitie mobiel en heterogeen en dat maakt steden aantrekkelijk en veelzijdig, broedplaatsen van innovatie. Sommige woordvoerders van de Diamantbuurt en omgeving wensen blijkbaar grenzen vast te stellen en te beslissen wie wél en niet in de buurt thuishoort. Je scheert daarmee gevaarlijk dicht langs de afgrond.

 

 

illustraties:
gentrification is klassenoorlog; bron: theblinker.com
bakfietsmoeder; bron: telegraaf.nl