Is de skyline nog van ons? De architectuurcriticus van Financial Times (12, 13 september 2015)–Edwin Heathcote–vroeg het zich onlangs af. Hij had het oog op steden als New York City en Londen, maar ik denk dat zijn vraag een algemenere strekking heeft. Lokale architectuur maakt overal plaats voor internationale architectuur–dat heeft directe gevolgen voor de manier waarop we onze steden ervaren, de mate waarin we ons er thuis voelen. Overheden en bedrijven, maar ook steden, bieden tegen elkaar op met bouwwerken en complexen, de een nog spectaculairder dan de andere. Als je het stadschap van bovenaf bekijkt zie je een schouwspel van torens en daken die overal bovenuit steken en die nog maar zijdelings iets met de plaats te maken hebben waar ze zijn opgericht. De lucht wordt geprivatiseerd, schrijft Heathcote.

Nieuws? Misschien. Stedelijke bestuurders proberen al sinds mensenheugenis hun stad mooier te maken door elementen uit andere steden over te nemen. Rome en Athene zijn eeuwenlang de inspiratiebronnen geweest waaruit vrijelijk werd geput. In recenter tijden ontstonden er nieuwe voorbeelden. Het laat negentiende eeuwse Parijs van Georges-Eugène Haussmann is een klassiek geval: de Arc de Triomphe als middelpunt van een theatraal stelsel van uitwaaierende radialen in de vorm van brede, aanzienlijke boulevards, met bouwwerken die strikt moesten voldoen aan rigide afmetingen. De steden zijn niet op te noemen waar kleine Haussmannetjes aan het werk werden gezet om stukjes van Parijs ‘over te schrijven’.

Ook op deelgebieden vind je het patroon. Op het eind van de vorige eeuw zag je in havensteden dat overal de maritieme activiteiten uit de binnensteden verplaatst werden, het scheepvaartverkeer was te omvangrijk en grootschalig geworden om nog op de ouderwetse manieren te kunnen verwerken. In Londen werden de Docklands verlaten, langs het Amsterdamse IJ verdween de bedrijvigheid richting IJmuiden. In traditionele havensteden als San Francisco begonnen ontwikkelaars met de transformatie van een verouderd industrieel complex tot een aantrekkelijk, schilderachtig leefgebied met luxe jachthavens, restaurants, hotels, peperdure woningen–het begrip waterfront maakte furore. Vanuit de hele wereld kwamen bestuurders, ontwerpers, planologen om zich aan de nieuwe bestemming te vergapen en binnen de kortste keren had iedere stad met een beetje eigendunk zijn eigen waterfront, ook als er nauwelijks van water of havens sprake was.

In Amsterdam kregen we het IJ-oeverproject, dat langs de zuidkant zo langzamerhand zijn definitieve vorm heeft gekregen, maar dat de komende jaren aan de noordkant verder vervolmaakt zal worden. In het beste geval geeft zo’n gebied ingrijpende verschuivingen te zien, er ontstaat een nieuw stadsdeel met eigen voorzieningen en aantrekkelijke oriëntatiepunten. Alom wordt verwacht dat Amsterdam-Noord, traditioneel het stiefkind van de stad, in de vaart der volkeren zal worden opgestoten door de complexen die langs het water worden neergezet, gloednieuw of getransformeerde industriële archeologie. Amsterdam lag altijd met haar rug naar het noorden toe, maar begint zich langzaam maar zeker om te draaien en haar gezicht te laten zien.

Het is allemaal razendsnel gegaan, realiseer ik me soms. In 1990 schreef ik mee aan een rapportje over het project. Er was nog niets gerealiseerd, zelfs nog nauwelijks een plan. Ik schreef in de inleiding: De romantiek van de haven en de connotatie van zee en avontuur, is een gewild thema, en een van de meest populaire soorten projecten waarmee steden, van Dublin en Düsseldorf tot Londen en Parijs, elkaar de loef afsteken is de ontwikkeling van waterfronts. In een periode van 25 jaar zijn de IJ-oevers onherkenbaar veranderd, een spectaculaire ontwikkeling. Je kunt je al bijna niet meer voorstellen hoe het gebied er ooit uitzag. Hetzelfde kun je zeggen over de Londense Docklands, uiteraard, en over de ontelbare andere projecten die in dezelfde tijd gerealiseerd zijn, van Lelystad tot Toronto, van Hoorn tot Hong Kong.

Volgens de al geciteerde Heathcote is er nu iets anders aan de hand: de opkomst van–zoals hij het noemt–mondiale beroemdheidarchitectuur. Het is begonnen op plekken van de tweede garnituur, zoals Singapore, Qatar, Dubai, maar het fenomeen heeft zich inmiddels over de hele wereld verspreid en manifesteert zich ook in New York City, Londen, Parijs, Tokyo, Beijing, Shanghai, Delhi. Jacques Herzog en Pierre de Meuron, beiden in 1950 geboren, oprichters van een architectenbureau in Basel, zou je kunnen beschouwen als voorlopers en dragers van de beroemdheidarchitectuur, evenals Rem Koolhaas van het Rotterdamse Office for Metropolitan Architecture; toevallig zijn beide bureaus gevestigd aan de Rijn, het ene aan de hoge kant, het andere aan de lage kant. Een andere architectuurcriticus, Rowan Moore, wijst in zijn fraaie boek Why We Build op een aantal opmerkelijke overeenkomsten tussen deze architectenbureaus.

Maar je zou er nog heel wat anderen bij kunnen noemen, zoals Frank Gehry van Gehry Partners, Zaha Hadid, Santiago Calatrava, Renzo Piano. Het bekende rijtje. Van Herzog & de Meuron is de ‘golvende’ Universiteitsbibliotheek van Cottbus met een glazen omhulsel dat lijkt op een sluier, de Vitrahaus Showrooms in Weil am Rhein voor de ‘thuiscollectie’ van Vitra, de Allianz Arena in München met kussens in diamantvorm als bekleding; die kun je in alle kleuren van de regenboog laten oplichten. Ze maakten ook het Walker Art Center in Minneapolis, het Nationale Olympisch Stadion in Beijing–bekend als ‘vogelnest’. Koolhaas maakte onder meer de CCTV en TVCC-tv centra in Beijing, de Nederlandse Ambassade in Berlijn, het McCormick Tribune Campus Center in Chicago–een elliptische, stalen buis. De architecten zijn beroemd, hun werk is al even beroemd. Heathcote duidt ze treffend aan als global starchitects.

Iedere organisatie of bedrijf van enige importantie neemt een starchitect in de arm, de global celebrity architecture is handelswaar geworden. Van heinde en verre komen toeristen om foto’s van de bouwwerken te maken, je moet er geweest zijn, het is een ‘echte’ Koolhaas. Intussen worden oude buurten opgeruimd om plaats te maken voor nieuwe kolossen (heel ‘oud Beijing’ is vrijwel van de kaart verdwenen) en is woonruimte in de stedelijke centra voor gewone stervelingen volstrekt onbetaalbaar geworden.

Je zou denken dat grote architecten in staat zijn om steden niet alleen mooier, maar ook leefbaarder te maken–helaas wijst de praktijk anders uit. Het resultaat van al die Koolhazen en Herzogs is geen stad, maar een expositieterrein, een stadschap dat geen onderling verband meer laat zien, maar gericht is op tijdelijk, modegevoelig vermaak. De stad als pretpark. Iedere Koolhaas concurreert met iedere Herzog, het geheel van de stad verdwijnt naar de achtergrond–het tussengebied verandert in een luguber niemandsland. De mondiale starchitecten bouwen overal en in snel tempo, hun ontwerpen zijn zelden meesterwerken, eerder liefdeloos haastwerk. Ze bouwen voor dictaturen en voor modekoningen, maakt niet uit. Het doel is direct op te vallen, want het is supermarktarchitectuur die moet opboksen tegen de andere producten in de winkel. Er is ook haast bij, want een gebouw kan morgen uit de mode zijn. Het gaat dan ook meestal om een enkel motief als ‘herkenningsteken’—een motief dat op andere gebouwen in andere steden herhaald wordt, misschien net weer ietsje anders.

De mondiale starchitectuur zou de eigen identiteit van steden moeten kunnen onderstrepen en versterken, maar in plaats daarvan wordt de specifieke lokale identiteit van steden juist afgezwakt. Net als met winkelcentra: je vraagt je af waar je bent als je door een stad loopt, Düsseldorf? Aken? Maastricht? Roermond? Utrecht? Alles begin op elkaar te lijken, alles vloeit in elkaar over. Wil je je als stad onderscheiden, imiteer dan zoveel mogelijk andere steden–het nieuwe motto.

 

illustraties
cctv en tv-centrum van Koolhaas in Beijing; bron: bldgblog.blogspot.com
‘vogelnest’ van Herzog&de Meuron; bron: s802.photobucket.com