Onder de vele eigenschappen en kwaliteiten van steden vind je ook de functie van archief. Sommigen spreken zelfs over de stad als museum. Peter Jukes deed dat in zijn A Shout in the Street. An Excursion into the Modern City. Dat geldt in eerste instantie voor het straatniveau: het gaat om herinneringen en geschiedenissen met een persoonlijk, alledaags karakter. A walk down a street you haven’t passed through for a while will prove this, zegt Jukes, a café may recall some failure at work, a line of railings a friend’s secret, a corner a romantic rendezvous. We zijn geneigd imaginaire geografieën te construeren voor ons leven en in een drukke stad waar iedereen aanspraak maakt op de openbare ruimte, heeft iedere baksteen in principe voor iedereen een verschillende betekenis.

Maar het gaat ook op voor een hoger niveau. Naarmate stedelijke gebieden zich langer ontwikkelen, stapelen diverse historische perioden zich op elkaar. Een gebouw uit de 18e eeuw naast een wolkenkrabber uit de 21ste eeuw. Op den duur krijg je een panorama van overlappende bouwstijlen. Tenminste als er iets van het ‘oude’ mag blijven bestaan. Tal van steden in de wereld zijn gezegend met autoriteiten die op de toekomst zijn gericht: alles wat aan vroeger herinnert, moet met bulldozers worden weggevaagd. Hong Kong is zo’n stad, om maar een voorbeeld te noemen: er is nog één gebouwtje uit de 19e eeuw te vinden, verplaatst naar een plek waar niemand er last van heeft. In Parijs maakte baron Haussmann korte metten met de Middeleeuwse stad toen hij omstreeks 1870 zijn brede boulevards aanlegde. Iets dergelijks gebeurde in Barcelona onder bouwmeester Ildefons Cerdà. Het door elkaar heenlopen van al die verschillende ‘lagen’ wordt in de vakliteratuur wel aangeduid als jumbling. Een nogal ongelukkige term, vind ik. Een rommelzolder waar je niets meer kunt vinden is een jumble, jumble sale slaat op een vlooienmarkt. Sommige stukken stad hebben inderdaad zo’n karakter, meestal dus géén karakter, maar het door elkaar heenlopen van bouwstijlen en stedenbouwkundige idealen hoeft niet per definitie een rommeltje op te leveren.

Overigens moet je soms deskundig zijn om die verschillende lagen te kunnen onderscheiden. Als gebouwen eenmaal ergens staan, dan kun je je als voorbijganger moeilijk voorstellen dat er ‘vroeger’ ooit iets anders heeft gestaan, of wat dat dan geweest zou kunnen zijn. Aan opschriften of bouwkundige kenmerken kun je af en toe de voormalige bestemming van een gebouw aflezen, maar heel vaak voegt een gebouw zich ongemerkt naar zijn nieuwe functie. Wie herkent nog de melkfabriek in de poptempel achter de Amsterdamse schouwburg? Of het gebedshuis in Paradiso? De lagere scholen in sommige van de yuppenpaleisjes langs de Groenburgwal?

Ik word dagelijks geconfronteerd met zo’n stedelijke jumbling. Als ik uit mijn raam kijk, zie ik de poort waar de Oude Manhuispoort zijn naam aan ontleent. Ingeklemd tussen 19e eeuwse gebouwen aan de zuidkant—de voormalige apotheek van het Binnen Gasthuis en de zusterhuizen—en collegezalen aan de noordkant. Het gebouw direct naast te poort is nog wel te determineren: een duidelijk Amsterdamse schoolprodukt van architect P.L. Marnette, met als bijnaam ‘Schaats’. Het dateert uit de jaren twintig. De twee niveaus van ‘herinnering’ lopen overigens bij dit gebouw door elkaar wat mij betreft. In de jaren zestig van de vorige eeuw volgde ik hier verschillende colleges, in later jaren gaf ik hier zelf colleges. In dezelfde zaal. De bovenste. Als ik uit de hoge ramen keek, kon ik bij mijzelf naarbinnen kijken; toen ik student was had ik niet kunnen dromen dat ik daar ooit zou wonen. De gebouwen naast de Schaats kan ik moeilijker thuisbrengen. Jaren vijftig, schat ik, fantasieloze dozen, zonder verband met de rest. Bij de Slijkstraat, het eind van het rijtje, staan een paar typische grachtenhuisjes. Misschien nog 18de eeuws? Ik zie vooral de versierde geveltjes en denk dan niet verder na. Onbestemd oud-Amsterdams, zoiets. Ik ken de binnenkant van die gevelwand eigenlijk beter dan de buitenkant. Ik ging er wel eens op bezoek bij collega’s — de criminologen zaten er en sommige andere juristen, mijn jongste zoon heeft er nog een tijdje gewerkt als beginnend onderzoeker (we konden naar elkaar zwaaien).

 


De poort en de schaats.

Hoe oppervlakkig je zelfs je eigen omgeving kent, realiseerde ik me na lezing van een artikel in Binnenstad (jaargang 51, nr. 282/3, juli/okt. 2017) van Gert Eijkelboom en Gerrit Vermeer. Ze houden zich bezig met het bouwblok om de Oude Manhuispoort: Van bewoonde buitenschil tot onderdeel van een universiteitscomplex. Het complex was ooit de boomgaard van het klooster de Oude Nonnen, er omheen bleven particuliere huizen bestaan in de Slijkstraat, aan de Kloveniersburgwal en de Oudezijds Achterburgwal. In 1836 vestigde zich de Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten in het complex, in 1880 de gemeentelijke universiteit, daarna begon de groei en de ‘buitenschil’ van woonhuizen werd langzaam maar zeker bij het complex getrokken. Op de bijgeleverde plaatjes zie je de Oude Manhuispoort op drie verschillende tijdstippen: 1781, 1902, 1904.

 


De poort anno 1900


De poort anno 1905

Je wrijft je ogen uit, want de constellatie is steeds totaal verschillend. In 1781 loopt de poort onder een woonhuis door en dateert het woonhuis ernaast, twee verdiepingen, halsgevel, drie ramen breed, vermoedelijk van omstreeks 1700. Daarnaast drie brede gebouwen met trapgevels, volgens de schrijvers een voorbeeld van Hollandse renaissance, eerste kwart 17de eeuw. In 1902 is dat hele blok verdwenen. De poort staat op zichzelf en wordt geflankeerd door een smal woonhuis, twee ramen breed. De panden ernaast zijn ook niet meer te herkennen, afgezien van hun hoogte en breedte. In het begin van de 20ste eeuw werden deze huizen gesloopt en verscheen er één grote kolos naast de poort, een gebouw van de GGD: acht ramen breed, drie verdiepingen. Kantoren? Spreekkamers? Ruim twintig jaar later maakt dit gebouw plaats voor de Schaats, die er nu nog steeds staat. En de rest van het blok? Ik was altijd—enigszins oppervlakkig—gecharmeerd van de grachtenpandjes: toch nog een stukje ‘oud Amsterdam’ in een moderne, foeilelijke gevelwand. Niet dus. Ze lijken misschien nog steeds oud, zeggen de schrijvers, maar ze zijn in hun huidige vorm opnieuw opgetrokken na volledige sloop in 1975. De oude ornamenten keerden terug naar de gevel, dat wel, maar het hoekpand kreeg een veel ouder voorkomen dan het voor de afbraak had.

 


De oude geveltjes aan de Slijkstraat

De stad is een archief en misschien, in sommige opzichten, een museum. Het geeft voldoening te weten dat dit, net als bij een écht museum, inclusief diefstal en vervalsingen is.

 

illustraties
De historische plaatjes van de Poort; bron: Binnenstad, jrg 51; nrs 282/283; juli-okt. 2017
De poort anno nu; foto’s Lodewijk Brunt (copyright)