Het interview met de ‘pionier van de Zeedijk’ (NRC, 9, 10 maart 2019) maakte herinneringen bij me los. Het gaat over Jan Ott, uitbater van café De Kletskop, die ermee ophoudt, hij gaat met pensioen. Hij betrok het Amsterdamse café in barre tijden, midden jaren tachtig, en achteraf vraagt hij zich af wat hem toen in bezielde. De hele Zeedijk gold als een no go-area, je wilde er niet dood worden aangetroffen en je wilde er ook je dood niet treffen. Op iedere straathoek werd in verdovende middelen gehandeld, het wemelde van de toffe jongens die zich als eigenaars van de openbare ruimte opstelden en gedroegen, verslaafden scharrelden dag en nacht rond, er werd openlijk gerookt en gespoten. Overal trof je naalden en zilverpapiertjes, alsof het één grote huiskamer van de drugswereld betrof. Ik ben er vaak doorheen gelopen en hoewel ik bepaald niet voor een kleintje vervaard ben, voelde ik me soms bedreigd en bekroop me menigmaal authentieke angst. Politie zag je eigenlijk nooit, maar er zullen ongetwijfeld wel wat ‘stillen’ hebben rondgelopen.

In de krant zei Ott: Als je op de Zeedijk beroofd werd en je ging aangifte doen bij de politie, dan kreeg je te horen: waarom ben je daar in godsnaam gaan lopen. Het klinkt misschien overdreven, sterke verhalen voor bij de centrale verwarming, maar zo was het precies. Unheimlich. Mijn herinneringen worden ook bepaald door de vele onderzoeksprojectjes die ik destijds met studenten deed. En, inderdaad, één van hen deed observaties bij bureau Warmoesstraat, waar hij op de bank zat in de ruimte waar slachtoffers van berovingen, diefstallen uit auto’s, zakkenrollerij, aanranding en dergelijke, aangifte kwamen doen. Een groot deel van de omgeving van de Zeedijk was ‘besmet gebied’, inclusief de parkeergarage van de Bijenkorf. Ach, Mevrouwtje, waarom doet u uw boodschappen niet in Dusseldorf, kreeg een mevrouw uit het Zuiden te horen toen ze kwam melden dat al haar boodschappen uit de achterbak van haar auto verdwenen waren. Daar bleef het niet bij. Verbijsterend, als je er even over nadenkt.

 


De Kletskop in de betere tijden

We werkten in die tijd met het begrip ‘gevarenkaart’: een mentale plattegrond van de stad die mensen in hun hoofd hebben met daarop de risicogebieden die je diende te vermijden; niet alleen plekken trouwens, ook situaties en personages. Die plattegrond krijgt contouren door eigen ervaringen of overtuigingen, maar wordt steeds ook ‘bijgekleurd’ door verhalen die mensen te horen krijgen op feestjes, in winkels of via min of meer officiële kanalen, zoals de politie. In de tijd waar Jan Ott over vertelt, kon je vaak ‘slachtofferverhalen’ horen: mensen die uit de doeken doen wat er met ze gebeurd is of wat er met mensen gebeurd is over wie ze van anderen hebben gehoord. Ik heb tal van zulke verhalen gehoord op feestjes, na vergaderingen, tijdens ontmoetingen op straat of in het café. Van dat soort verhalen werd je ‘streetwise’, een door de wol geverfde stedeling die in staat was zich zonder al te veel kleerscheuren door gevaarlijke situaties heen te loodsen. Zoiets zal mij niet overkomen.

Ik heb uit talloze gesprekken wat algemene strategieën gedestilleerd die gezien kunnen worden als de ‘hoekstenen’ van de omgang met stedelijk gevaar. In het algemeen gesproken werd grote nadruk gelegd op het belang van ‘vermijding’. Wat je oudere mensen en veel vrouwen kon horen zeggen was: wij gaan de deur niet meer uit. Dat was nooit strikt letterlijk bedoeld, maar het betekende voornamelijk dat je alleen maar naar buiten ging voor de noodzakelijke eisen van het leven: doktersbezoek, boodschappen, bezoek aan vrienden of familie. Maar het betekent ook dat je delen van de stad uitdrukkelijk links laat liggen, zeker ’s avonds of ’s nachts. Ik herinner me een onderzoek uit begin jaren negentig: één op de vier vrouwen durfde ‘s avonds niet meer alleen over straat; tegenover een verwaarloosbaar percentage van mannen. Delen van de stad waren volstrekt taboe, ’s nachts of overdag: de omgeving van de Nieuwmarkt, de Wallen en, uiteraard, de Zeedijk. Een andere strategie is het nemen van voorzorgsmaatregelen, bij voorbeeld nooit de straat opgaan zonder vertrouwd gezelschap, een buur, vriend, huisgenoot. Mensen belden elkaar voordat ze elkaar oppikten en ook als ze weer ieder huns weegs gingen (‘ben je veilig thuisgekomen?’). Geld werd op veilige plekken opgeborgen, bij voorbeeld in een sok of een bustehouder en in het algemeen namen mensen liever niet al teveel geld mee als ze uitgingen.

Maar er waren ook meer offensieve strategieën in omloop. Mensen zorgden voor bewapening, variërend van alarmpistolen, tot spuitbussen, messen, stokken. Maar velen vonden het veiliger om hun toevlucht te nemen tot wat je typische ‘stedelijke wapens’ zou kunnen noemen: wapentuig dat niet bij voorbaat wantrouwen opwekt. In dit verband kun je denken aan fietspompen, keukenmessen, scharen, een paraplu, of zelfs een boodschappentas met een blik bruine bonen, waarmee je dodelijke klappen kunt uitdelen als de nood aan de man mocht komen. In hoeverre die wapens daadwerkelijk werden gebruikt, heb ik nooit systematisch vast kunnen stellen, maar ik herinner me menig sterk verhaal over moedige gevechten op leven en dood.

 


De andere kant van de Zeedijk

Ook de verschansing van huizen nam een vlucht met hele batterijen sloten en alarmsystemen tot en met honkbalknuppels achter de voordeur. In de vakliteratuur noem je dat target hardening, in het verlengde waarvan je ook loss reduction vindt: het huren van kluisjes voor kostbaarheden, het afsluiten van verzekeringen en dergelijke. Hier en daar werden pogingen ondernomen om de ‘buurt’ te organiseren: het instellen van burgerwachten en het opzetten van hulpdiensten. Wie met vakantie ging probeerde een vertrouweling te krijgen die voor de plantjes en de achtergebleven huisdieren kon zorgen en die werd overladen met precieze aanwijzingen: ’s avonds licht aandoen en gordijnen dicht, ’s ochtends gordijnen weer open en alles in het werk stellen om de indruk te wekken dat de bewoners gewoon thuis zijn. Een en ander heeft niet overigens kunnen verhinderen dat mensen, vooral gezinnen en ouderen, op grote schaal de stad de rug toekeerden. Ze voelden zich niet meer veilig in hun oude buurt, althans dat werd vaak als reden opgegeven.

Het stedelijk ‘klimaat’ is in een periode van dertig, veertig jaar aanzienlijk veranderd. De toestanden waarover Jan Ott spreekt, bestaan niet meer en je kunt het je zelfs nauwelijks nog voorstellen dat het ooit zo was. Wat me bijzonder boeit is de vraag: waarom? Waar bestaat die verandering precies uit en hoe is zij tot stand gekomen? De binnenstad was voor een groot deel ‘belegerd’ door ongure elementen en gebeurtenissen en het leek alsof niemand daar iets aan kon doen. Opmerkelijk! We moeten het antwoord zoeken in de stedelijke dynamiek zelf (inclusief mensen als Jan Ott), hoe moeilijk dat ook is, want ik geloof niet dat de ‘verantwoordelijke autoriteiten’, zoals dat heet, ooit een poot hebben uitgestoken.

 

illustraties
De Kletskop; bron: dezeedijk.amsterdam
Zeedijk; bron: tripadvisor.com
kaartje van de Zeedijk; bron: harms.amsterdam