In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw vond een stedelijke crisis plaats. Mijn herinnering aan die periode is scherp. De steden stroomden leeg, er was sprake van een waarachtige ‘stedelijke exodus’. Honderdduizenden lieten de stad in de steek om zich in het omringende landelijke gebied te vestigen. Speciale ‘overloopsteden’ dienden als opvanggebied: Purmerend, Zoetermeer, Almere—in kleine kernen van het zogenaamde ‘Groene Hart’ schoten nieuwbouwwijken als paddenstoelen uit de grond. Makelaars adverteerden met ‘herenhuizen in een landelijke omgeving’, op slechts luttele (auto-)kilometers afstand van de werkgelegenheid in de stad. Het verschijnsel van de ‘groene weduwe’ trok de aandacht: de vrouwen die in hun landelijke omgeving achterbleven terwijl manlief met de auto de hele dag weg was, naar zijn werk. Het leek allemaal zo aardig, maar veel van die vrouwen werden gek van eenzaamheid en verveling. Met hun nieuwe buurvrouwen konden ze alleen maar over de kinderen praten, werkgelegenheid was er niet en voor winkelen in de stad was je van gebrekkig streekvervoer afhankelijk.

Begin jaren zeventig verrichtte ik onderzoek naar dat verschijnsel, met als resultaat het boek Stedeling op het platteland waarin het hele proces aan de orde komt, toegespitst op een dorp in de Alblasserwaard. Veel misverstanden en conflicten, fascinerende confrontaties tussen de autochtone, sterk verzuilde gemeenschap en de nieuwkomers, ter plaatse aangeduid als ‘Rotterdammers’, die als olifantjes door de porseleinkast stampten. Intussen verloederden de steden, wie het zich kon permitteren, trok weg. Der Stadt erscheint als bedrohliches Ungeheuer, die nach und nach den Charakter einer Fluchtburg oder eines Schlupfwinkels annimt, wo man von niemand gefunden werden kann, schreef de Duitse socioloog Hans Paul Bahrdt in zijn destijds befaamde Die moderne Grossstadt uit 1961. De trek naar buiten, profeteerde hij, zou de stad in het omringende landschap doen vervluchtigen door een chaotische uitwaaiering van voorsteden en nieuwbouwwijken die noch een landelijk, noch een stedelijk karakter hadden. Van steden zou een soort geraamte overblijven, zonder inwoners, waar mensen alleen nog kwamen om te werken of een theater te bezoeken.

Ongeveer eind jaren tachtig kwam de ommekeer, aanvankelijk met enige aarzeling, maar spoedig met vaart, keerden mensen weer terug naar de stad. Soms kon je horen dat dit vooral degenen waren die ooit vanwege de kinderen naar buiten waren getrokken maar die nu geen enkele reden meer hadden om ‘in het groen’ te wonen. De kinderen waren groot en konden op eigen benen staan. Groepen die voorheen massaal de stad hadden verlaten, met name studenten die hun studie hadden afgerond en een gezin wilden stichten, bleven in steeds grotere getale hangen. Overal in steden waren restauratiewerkzaamheden op gang gekomen, hele buurten werden opgeknapt, er kwamen aantrekkelijke wooncomplexen op de fraaiste plekken. Een en ander werd mede mogelijk gemaakt doordat de de bedrijvigheid uit de steden verdween. Een voorbeeld zijn de waterfronts: op de plaats waar ooit rederijen en scheepsbouwindustrie gevestigd was, konden nu fraaie flatgebouwen worden opgetrokken met een magnifiek uitzicht over het water. Amsterdam heeft haar IJ-oeverproject, zorgvuldig afgekeken van pioniersprojecten in Londen (Docklands), Toronto, San Francisco, Keulen. Opeens zag je de voordelen van een stad: de beste voorzieningen bij elkaar, een dynamisch centrum van creativiteit, culturele pluriformiteit.

 


Deel van het Amsterdamse IJ-oeverproject

Stedelijke besturen boksten tegen elkaar om de aantrekkelijkste immigranten, zowel groepen inwoners als bedrijven, maar sommige steden bleken een stuk aantrekkelijker dan andere. Waar zat ‘m dat in? Een jaar of twintig geleden kwam de Amerikaanse planoloog/stedenbouwkundige Richard Florida met de oplossing van het raadsel. Wat we allemaal niet goed hadden gezien is dat er op de achtergrond van die stedelijke bewegingen een nieuwe, leidende klasse was opgekomen: de creatieve klasse. De wensen en verlangens van die klasse vormden de leidraad voor  aantrekkelijke steden: veel culturele voorzieningen, chique restaurants, aangename horecagelegenheden in het algemeen, compact, efficiënt openbaar vervoer, aandacht en ruimte voor vermaak op niveau. In de creatieve klasse werd hard gewerkt, maar ook veel verdiend en de leden van die klasse lieten het geld graag rollen voor een aangenaam bestaan.

Florida maakte furore, iedereen wilde wel zo’n creatieve klasse in huis, sterker nog: waren de mensen die de toekomst van de steden bepaalden niet ook zélf lid van zo’n creatieve klasse?! Een prettig bestaan op hoog niveau, meepraten over kunst en cultuur, op je vouwfietsje naar je aangename werkplek. De propagandist van de creatieve klasse reisde de wereld rond met zijn boodschap, hield toespraken voor de Verenigde Naties, was kind aan huis bij regeringsleiders. Voor een flink bedrag kon je hem een middagje inhuren, brainstormen met een select gezelschap. De revitalisering van de stad nam grote vormen aan en Florida kon erop wijzen dat zijn voorspellingen allemaal waren uitgekomen. De stedelijke wonderdokter! Een gezamenlijke inspanning van stadsbesturen en de creatieve klasse had voor een stedelijk klimaat gezorgd dat weldadig was voor iedereen.

 


De stedelijke wonderdokter

Maar we zijn inmiddels aangeland bij een nieuwe stedelijke crisis… Florida heeft zich schromelijk vergist. Hij heeft niet zien aankomen dat zijn geliefde creatieve klasse de bestaande stedelijke bevolking volstrekt heeft weggedrukt. Door een proces als gentrification zijn de prijzen van huizen en wooncomplexen volstrekt uit de hand gelopen, niemand kan zich nog een woning in het centrum van de stad permitteren. Er heeft zich een nieuwe, kosmopolitische elite in de stad gevestigd die er op uit is om zich te verschansen. Er ontstaat op die manier een stedelijke monocultuur. De zwaksten zoeken noodgedwongen hun heil in de voorsteden, die als gevolg van deze bevolkingsbewegingen op hun beurt aan het verloederen zijn. Erger nog, terwijl die crisis zich rond alle steden manifesteert, lijkt de echte rijkdom zich slechts te manifesteren in een beperkt aantal ‘supersteden’: New York, Londen, Boston, Los Angeles. De rest blijft achter.

Dit is in grote lijnen wat je kunt lezen in Florida’s onlangs verschenen The New Urban Crisis. De schrijver is nog dezelfde gladde praatjesmaker van twintig jaar geleden. Op basis van een heel beperkte steekproef van een handvol Amerikaanse steden plus Londen, trekt hij opnieuw conclusies die universeel geldig zouden zijn. Niet alleen over steden maar over ons hele bestaan. Geen spoor van bescheidenheid na al die rooskleurige, niet-uitgekomen voorspellingen van destijds. Nog steeds is niet duidelijk wat hij precies verstaat onder zijn creatieve klasse; er vallen techies onder, wat dat dan ook mogen zijn, kunstenaars, internetondernemers, vermaaksindustrie, entertainers en wat al niet. Een bonte verzameling buitengewoon ongelijksoortige eenheden. Je zou onder bepaalde voorwaarden hooguit kunnen zeggen: een klasse an sich, maar géén klasse für sich. Dat maakt zijn empirische materiaal wankel, maar het maakt Florida niet voorzichtig.

Een fundamentele vraag blijft onbeantwoord, Florida stelt hem niet eens. Inzicht in stedelijke crises, die zich overigens voordoen zolang steden bestaan, zou er mee gebaat zijn als we iets plausibels wisten te melden over waarom er opeens een massale stedelijke uittocht begint, zoals in de jaren 1960 en 1970 en hoe het komt dat steden even plotseling weer aantrekkelijk worden, zoals een jaar of twintig, dertig later. Je kunt van alles verzinnen en dat is dan ook hier en daar wel gebeurd, maar meer dan slagen in de lucht zijn het voorlopig niet.

NB ik heb deze dagen een recensie van Florida’s boek geplaatst op de website van de Amsterdamse boekhandel Athenaeum

illustraties
Richard Florida; bron: newrepublic.com en strongtowns.com
IJ-oevers; bron: nationalebeeldbank.nl en remkobijvoet.nl