De stoep is een boek naar mijn hart, ik had het al een tijdje op de stapel van te lezen boeken liggen—het is vorig jaar uitgekomen bij nai 010 uitgevers. Met het onderwerp word ik, net als bijna iedereen, dagelijks geconfronteerd. De ondertitel geeft aan vanuit welk perspectief het verschijnsel bekeken is: Ontmoetingen tussen huis en straat. Een omvangrijk thema dat door vijf auteurs en maar liefst zes redacteuren is aangepakt, waaronder een beeldredacteur–het werk is inderdaad uitbundig geïllustreerd met foto’s, figuren en schetsen. Grondig en sophisticated, je kunt zien dat het project het stempel van de TU Delft draagt en niet van een of andere slordige Letterenfaculteit elders in Nederland.

De stoep is een analyse, maar ook een ‘pleidooi’, zoals de auteurs zeggen. We tonen aan dat er voordelen zijn aan het toe-eigenen en gebruiken van een deel van de stoep, van een voortuintje of een veranda. Die voordelen zouden zich manifesteren in een ‘thuisgevoel’ en in ‘ontmoetingen’ met vreemden. Wie zich over de stoep voor zijn huis ontfermt, begrijp ik, wordt een gelukkig mens en een tevreden bewoner. Met de privatisering van de stoep schep je een overgangszone; de auteurs achten dat van groot algemeen belang. De stad zou zich in hun ogen kenmerken door anonieme contacten in de publieke ruimte, we komen vooral mensen tegen die we niet kennen. Maar in de overgangszone op de stoep zijn de contacten juist minder anoniem of zelfs helemaal niet, er ontstaat hier publieke familiariteit, zoals de auteurs het noemen. Dat zou bijdragen aan gevoelens van veiligheid en vertrouwdheid; zonder deze dimensie is het gebruik van de stoep als overgangszone niet mogelijk. Ze citeren Noors onderzoek waaruit blijkt dat meer dan tachtig procent van de informele contacten in de stad zich afspeelt op de stoep. De meeste praatjes tussen de buren vinden plaats voor de deur.

De bevindingen zijn niet alleen aan de verbeeldingskracht van de auteurs ontsproten, maar ook aan vraaggesprekken met bewoners. Dat leidt tot tabelletjes over soorten van contacten (‘spontaan’, ‘gepland’) en de verschillen in contacten tussen buren, straatgenoten en voorbijgangers, de mate waarin de contacten plaatsvinden met bekenden (‘onbekend’, ‘bekend van gezicht’, ‘bekend bij naam’) en de overeenstemming in levensstijl (‘vooral hetzelfde’, ‘vooral anders’, ‘deels hetzelfde, deels anders’, ‘weet niet’). Als echte Delftenaren hebben de auteurs bovendien gekeken naar ‘straatprofiel’, ‘straatgroen’ en de ‘ontsluiting van de voordeur’.

Het onderscheid dat de auteurs van De stoep maken in de verschillende sferen, komt een beetje overeen met wat sociologen en antropologen over de stedelijke samenleving hebben bedacht. Mijn oud-collega Lyn Lofland, bij voorbeeld, legt het stadsleven uiteen in drie verschillende realms, misschien te vertalen als domeinen. Simpel gezegd is het particuliere domein dat van het huisgezin, familieleden en vrienden, het parochiale domein dat van de woonbuurt, het werk en de netwerken van bekenden, terwijl het publieke domein de wereld van vreemdelingen is, de ‘straat’. Ik denk dat het parochiale domein voor een deel overeenkomt met de Delftse ‘overgangszone’. Voor een deel, want in De stoep ligt de nadruk zwaar op de woonsituatie in engere zin, de maatschappelijke context, zoals het werk, speelt geen rol—dat heb je nu eenmaal met vertegenwoordigers van uiteenlopende disciplines, iedereen kijkt naar wat hij of zij van centrale betekenis acht.

Volgens de auteurs vind je op de stoep (als overgangszone) ‘betekenisvolle contacten’. Dat is mooi, maar in mijn ervaring vallen het particuliere en parochiale domein niet of nauwelijks van het publieke domein te scheiden. Je kunt als bewoner de stoep volzetten met leuke plantenbakken of tuinkabouters, je scheidt je daarmee nog niet hermetisch af van het stadsleven daar omheen. Jouw streven naar privatisering betekent tot op zekere hoogte een aanslag op de toegankelijkheid van de stedelijke ruimte voor anderen. Reden voor de Duitse stadssocioloog Hans-Peter Bahrdt om het stadsleven te karakteriseren als een permanente spanning tussen de verschillende domeinen–er is altijd sprake van een unvollständige Integration.

De auteurs van De stoep besteden veel aandacht aan de objecten die bewoners gebruiken om ‘hun’ eigen territorium af te bakenen, maar veel minder of helemaal niet aan alle objecten die door de verschillende overheden op straat en stoep worden neergezet of getolereerd. De ook door hen aangehaalde en ten onrechte als socioloog bestempelde William Whyte heeft herhaaldelijk laten zien hoe de stoep, en daarmee de voetganger, altijd in het verdomhoekje zit: te smal en te oncomfortabel, op de allerlaatste plek in de verkeershiërarchie. In De stoep staan idyllische plaatjes van trottoirs, geen vuiltje te zien en in de verre omtrek geen obstakels te ontwaren. Maar wat te denken van het échte leven met zijn verkeerspalen, elektriciteitskasten, parkeermeters, brievenbussen, afvalbakken, zitbanken, bomen, kiosken, geparkeerde auto’s, terrassen, reclameborden, kelderingangen, toegangen tot inpandige garages, werkzaamheden, Amsterdammertjes, verhogingen–om maar een paar voorbeelden te noemen? Bovendien: in mijn Amsterdamse buurt bestaan legio straatjes die te smal zijn voor een stoep. De straat komt tot aan de plinten van je huis. Ruimte wordt niet alleen in beslag genomen door horecagelegenheden, maar ook door andere bedrijvigheid. Ik ken straatjes in de buurt waar zo’n beetje de hele krattenvoorraad van supermarkten staat opgestapeld.

Stedelijke straten hebben een zintuiglijk karakter. Het gaat niet alleen om het schuiven met ruimte, het gaat ook om herrie. Langs mijn huis lopen dag en nacht groepen luidruchtige toeristen en dagjesmensen die met elkaar wedijveren in luidruchtigheid, gegil en gekrijs. Berijders van zware motoren vinden het blijkbaar aantrekkelijk om midden in de stad hun knalpijp open te zetten zodat horen en zien je vergaat; met een beetje zonneschijn trekken straatmuzikanten in drommen over de stoep. Ook de onvoorstelbare rotzooi die op straat wordt gekieperd, is een aanslag op het parochiale domein en de ontspannen buurtpraatjes die hier zouden moeten plaatsvinden. Wie zitbanken of plantenbakken voor de deur zet, moet ze vergrendelen tegen diefstal en proberen te leven met vandalisme, hondenpoep of andere vormen van endemisch ongemak.

In de epiloog van De stoep typeren de auteurs het trottoir als een podium voor het individu, bewoners krijgen er de kans om ongegeneerd te laten zien wie ze zijn en wat ze belangrijk vinden, de overgangszones zijn een soort persoonlijk etalages die aan passanten op de stoep getoond worden. Zo’n kans zal hier en daar ongetwijfeld bestaan, maar tegen de jungle van de grote stad zijn weinig podia op den duur bestand.

 

illustraties
foto’s genomen in de Nieuwmarktbuurt; fotograaf Lodewijk Brunt (copyright)