In The New York Review of Books (9 november 2017) stond een stuk over de tsunami in Japan, 11 maart 2011. Alweer bijna zeven jaar geleden. Wie weet het nog, buiten Japan? Naar schatting omstreeks 20.000 dodelijke slachtoffers, ontelbare hoeveelheden gewonden en een materiële schade van minstens driehonderd miljard dollar. Onvoorstelbaar als je nog nooit zoiets hebt meegemaakt. Het hoogtepunt van dramatiek was misschien de verwoesting van de atoomcentrale in Fukushima, die een groot deel van het land en met name Tokyo, van elektriciteit voorzag. Bij een ramp als deze slaat de natuur genadeloos toe met vernietigende, huizenhoge golven en genadeloze aardschokken, maar veel narigheid ontstaat ook ‘indirect’: omdat gasleidingen ontploffen en kachels omvallen, ontstaan er overal vrijwel onblusbare branden, gebouwen storten in, verbindingen worden verbroken, wegen weggeslagen.

Ik las het artikel met aandacht. Geschreven door Simon Winchester vanuit Japan, mede naar aanleiding van een nieuw boek van Richard Lloyd Parry, correspondent van de Times en groot kenner van Japan: Ghosts of the Tsunami: Death and Life in Japan’s Disaster Zone. Een deel van het boek speelt zich af rond het vissersplaatsje Minamisanriku, district Miyagi, in het noordoosten. Winchester bezoekt het gebied, met Parry’s boek in de hand. Mijn belangstelling was gewekt omdat ik een paar maanden na de ramp in Japan was, samen met een vriendin, Japanologe aan Cambridge University die zojuist was teruggekeerd van een onderzoeksmissie in hetzelfde gebied met als standplaats nét zo’n vissersdorp, Yamana. Met ongeveer hetzelfde aantal inwoners, omstreeks 20.000 mensen en ongeveer hetzelfde aantal dodelijke slachtoffers, omstreeks 1500. Opmerkelijk. In Yamana bestond al een ‘tsunami-muur’ toen de golven in 2011 kwamen aanrollen, maar die was bij lange na niet hoog genoeg, het water sloeg er met gemak overheen. In het dorp van Parry zijn ze nu bezig met de aanleg van een nieuwe tsunami-muur: zeshoekige betonnen elementen met enorme golfbrekers, twaalf meter hoog.

Mijn vriendin vertelde me dat de schade in Yamana mede zo groot was door het zogenaamde cry wolf effect. Er wordt in Japan zo vaak gewaarschuwd voor aardschokken en een tsunami zonder dat er iets gebeurt dat veel mensen het niet meer serieus nemen en stoppen met voorzorgsmaatregelen. Ze geloven het wel… en dan slaat het noodlot een keer écht toe. Iets dergelijks meldt ook Parry. In Minamisanriku was de jonge vrouw Miki Endo aangesteld om de inwoners te waarschuwen voor tsunami-gevaar. Haar standplaats was het Crisis Management Center en vandaaruit zag ze de ramp aankomen. Ze bleef de alarmsirenes gebruiken, speelde de waarschuwingsmuziek en gaf de hoogte van de naderende golven door via de gemeentelijke luidsprekers die overal in het dorp te horen waren. Maar de vloed bereikte ook haar uitkijkpost en op een gegeven moment viel de stroom uit. Net als de muzikanten op de Titanic bleef ze spelen tot ze verging, schrijft Winchester.  

Een drama deed zich voor in de Okawa-school. Toen het alarm geklonken had, repten verschillende moeders zich naar het schooltje om hun kinderen in veiligheid te brengen—achter de school lag een heuvel die zeker hoog genoeg zou zijn om de golven te weerstaan. Maar een van de leerkrachten raakte in paniek en eiste dat alle kinderen bijeen moesten blijven in de school: dat zou de veiligste oplossing zijn. De gehoorzame kindertjes bleven waar ze waren en veroerden zich niet. Het water veegde ze met school en al weg en nog weken later werden tientallen lichaampjes uit de modder geschept. Mijn vriendin vertelde dat bij de opruimings- en schoonmaakactiviteiten in Yamana met grote aandacht naar fotoalbums werd gezocht. Op die manier probeerden de achterblijvers de doden en vermisten in ere te houden.

Ik kan me herinneren dat er destijds in Nederlandse kranten werd geschreven over de uiterst gedisciplineerde manier waarop de Japanse bevolking de ramp had verwerkt. Dat er op grote schaal ook gestolen en geplunderd werd, kwam niet in de krant. Maar ook Winchester wijst op de schijnbaar stoïcijnse reactie op de verschrikkelijke gebeurtenissen. In Manimisanriku, schrijft hij, waren de heuvels rond de haven het toevluchtsoord voor vele duizenden die daar zo goed en zo kwaad als het ging naartoe waren gevlucht. From up high they watched helplessly as their community was inundated by the seven great waves fronts and was methodically wrecked beyond recognition. But then they all came downhill, and by all accounts patiently and uncomplainingly they cleared up the mess, and got back to work.

 


Bezuinigen op elektriciteit

Ik heb van die stoïcijnse houding niets gemerkt, ik ben immers niet in het rampgebied geweest, maar zelfs in Tokyo zag je berusting tegenover de opofferingen die de inwoners zich moesten laten welgevallen, bij voorbeeld door de rantsoenering van energie. Op verlichting en airconditioning werd zwaar bezuinigd toen ik drie maanden na de ramp in de benauwde miljoenenstad rondliep. In een verslag schreef ik dat ik gewend was aan tropische steden met een hoge vochtigheidsgraad, maar dat het klimaat van Tokyo zelfs voor mij af en toe wat teveel was van het goede. Ik zat soms moe en bezweet op een bankje om even bij te komen–de airco werkte op halve kracht of helemaal niet. Helaas waren de treinen voller dan anders omdat de dienstregelingen waren aangepast aan de nieuw realiteit: minder treinen dus. Er waren ook een paar verlichtende maatregelen getroffen. Je kon overal weer ouderwetse fans kopen als alternatief voor de airco en mannen mochten bij uitzondering in ‘vrijetijdskleding’ op hun werk verschijnen, dat wil zeggen zonder stropdas en met een los overhemd. Ik heb overigens bijzonder weinig mannen in zo’n uitrusting gezien.

 


Even uitpuffen op een bankje bij de vismarkt

Volgens Winchester is er in Japan sprake van ganbaru—je best doen zonder te klagen. Je zit het uit en draagt je lot manmoedig. Ik schreef destijds over Tokyo: Het is opmerkelijk dat je niets merkt van gekanker, onvrede, woede of erger. Zelfs in zo’n grote stad zijn mensen blijkbaar in staat om zich collectief te schikken en aan te passen; je moet niet denken aan de golven van zelfbeklag en verongelijkte woede die een land als Nederland zouden overspoelen als er iets op die schaal zou gebeuren.

Winchester merkt op dat na de ramp vrijwel alle bomen versplinterd waren, maar overal stond de bamboe nog overeind. Je kunt er zeker van zijn dat bamboe altijd weer opkomt en groeit–nuttig voor de mensheid in tal van opzichten. Daar kunnen geen aardschokken en tsunamis tegenop. As with bamboo trees, zegt Winchester, so with Japan and her people, pliable and resilient. Een fraai beeld. Werk aan de winkel voor Japanologen!

 

Foto’s genomen door Lodewijk Brunt (copyright)