Het gebeurt mij regelmatig dat ik door een Nederlandse of een Vlaamse stad wandel en opeens ergens op een muur een gedicht aantref. Onverwachts wordt mijn leven even verrijkt met poëzie, maar hoeveel kansen loop ik eigenlijk mis? Tot voor kort bestond er geen overzicht met plekken van gedichten in de openbare ruimte. Hoe vaak heb ik een stad bezocht en de poëzie gemist? Waarschijnlijk heel wat keren als ik naar het overzicht kijk van straatpoezie.nl. Aan het woord is Robin Kerkhof op zijn website Poëzie verrijkt het leven.

De straatpoëzie waarnaar hij verwijst is een project van de Utrechtse dichteres en beoefenares van de literatuurwetenschap Kila van der Starre. Ze bestudeert ‘poëzie buiten het boek’, zoals ze het uitdrukt, voornamelijk gedichten of dichtregels die in de openbare ruimte te vinden zijn en dus voor iedereen toegankelijk. Haar onderzoek vindt plaats aan de Rijksuniversiteit Utrecht en wordt gefinancieerd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Als je je afvraagt of poëzie populair is, ben je geneigd je blind te staren op de treurige verkoopcijfers van gedichtenbundels, redeneert Van der Starre, maar buiten ‘de boeken’ is juist veel poëzie te vinden en op de blog van Robin Kerkhof kun je lezen dat dit soms tot groot enthousiasme leidt.

 

Voor een raam aan de Weesperzijde, Amsterdam

 

Mijn aandacht voor het project werd getrokken door een artikel in Het Parool (4 maart 2017), hoewel ik in andere kranten ook al eens iets over het onderwerp gelezen meende te hebben. Het kwam eigenlijk door de foto bij het stuk: een blinde gevel op de hoek van de Tweede Leeghwaterstraat en de Czaar Peterstraat in Amsterdam. Daarop een schijnbaar met de hand geschreven gedicht: Ik heb ze lief door Margerite Luitwieler. Ik moest even goed kijken: was die foto niet van mijzelf? Nee, maar het had zo kunnen zijn, want jaren geleden heeft de krant vrijwel precies zo’n plaatje afgedrukt bij een stuk dat ik samen met Kees Tamboer schreef in het kader van ons project Stadswachten. Jarenlang schreven we wekelijks over aspecten van de Amsterdamse openbare ruimte, met name over de manier waarop deze door de autoriteiten mishandeld wordt. In dit kader hebben we eveneens ruime aandacht besteed aan het onderwerp van Mevrouw van der Starre: buitenpoëzie.

 

Amstelkade, Amsterdam

 

Anders dan in sommige andere steden is Amsterdam slecht bedeeld met dit verschijnsel. We schreven: Amsterdam mag zich de culturele hoofdstad van de wereld wanen, maar houdt niet van poëzie (…) De aandrang om, zoals in Londen en Rotterdam, gedichten onder de aandacht van een miljoenenpubliek te brengen, bestaat niet. Desondanks hebben we heel wat poëzie weten op te scharrelen, allemaal particulier initiatief. Gedichten aan de muur of voor het raam mogen zich tegenwoordig zelfs in een zekere populariteit verheugen, is mijn indruk, je kunt via speciale adresjes poëzie op internet bestellen, in de afmetingen die passen bij de ruimte die je ervoor wilt vrijmaken. Het gedicht van Luitwieler stond op de nominatie om, net als een groot deel van de Czaar Peterbuurt, van de aardbodem te verdwijnen; de woningbouwvereniging vond het niet passen bij de nieuwe, schoongewassen tijd. Maar blijkbaar hebben de protesten tegen dit voornemen geholpen, getuige de foto in de krant. Eén ding is er veranderd in het gedicht, voor mij het ‘harde bewijs’ dat ik inderdaad de fotograaf niet was:

Ik heb ze lief
de plekken waar het tocht
wanneer je er de bocht
omgaat.

Geef mij maar de achterkant
van huizen en gebieden
waar elke groene spriet
omringd door scheven stenen
de droge grond uitschiet.
Het onbedoeld gemaakt gebied.

Oorspronkelijk was omringd geschreven als omringt. Zo stond het ook op mijn foto. We hebben de dichteres destijds opgespoord en haar gewezen op de taalfout. Die is dus hersteld.

Wat de bedoeling van Kila van der Starre precies is, valt uit het oppervlakkige artikel in de krant niet op te maken. Van haar website kun je afleiden dat een inventarisatie er in ieder geval onderdeel van is. Met behulp van vrijwilligers heeft ze omstreeks 500 gedichten opgespoord in Nederland en Vlaanderen (andere websites spreken overigens van ruim 800 stuks) en op de kaart kun je zien hoe die aantallen verdeeld zijn: Amsterdam bij voorbeeld 109, Den Haag 76, Rotterdam 54, Leeuwarden 48, Groningen 16. Vreemd genoeg lijkt Leiden overigens nogal stiefmoederlijk bedeeld, terwijl daar juist heel actief wordt gestreefd naar de ‘verdichterlijking’ van de openbare ruimte. Het lijkt erop dat Van der Starre bovendien op zoek is naar opinies van stadsbewoners: wat het voor hen betekent om een ‘buitengedicht’ te lezen. Ik heb mijn twijfels, maar besef: het is nog te vroeg om te oordelen

 

Bij de werkzaamheden aan de Noord-Zuidlijn, Amsterdam Noord

 

Kees Tamboer en ik hebben destijds een beetje speurwerk verricht naar het ontstaan van de moderne ‘buitenpoëzie’ en we kwamen onder andere terecht bij het fameuze Londense initiatief Poems on the Underground, dat dateert uit de jaren 1980. De stations van de ondergrondse treinen werden opgesierd, levensgrote borden met daarop gedichten–geen rijmelarij, maar beroemde gedichten van beroemde dichters, uit alle tijden en alle streken. Een ongehoord succes dat werd uitgebreid tot ziekenhuizen, scholen, gevangenissen, buurtcentra. Bundels werden keer op keer herdrukt, gesproken versies werden op cd uitgebracht. De bedenkers schreven later: Zoals we hadden gehoopt, zorgden de gedichten voor ontspanning, een glimlach en lafenis voor de ziel—en dat alles op een plek waar je het laatst iets zou verwachten wat in de verste verte met poëzie te maken heeft.

Volgens de onderzoekster kun je buitenpoëzie beschouwen als de democratisering van een elitaire kunstvorm, al weet ik niet of dit haar eigen woorden zijn dan wel die van de journalist die haar ondervraagt. Maar er is ook een andere kant: in hoeverre wordt een gedicht aan de bewoners ‘opgedrongen’? Kees Tamboer en ik kwamen zulke geforceerde poëzie bij voorbeeld tegen in het westelijke gedeelte van Tuindorp Oostzaan. We vragen een jonge vader naar de herkomst van een paar dichtregels op de muur van zijn huis. Nee, dat heeft hij niet op zijn geweten, bezweert hij ons, de woningbouwvereniging heeft het aangebracht. Hij snapt geen woord van het gedicht en van hem had het dan ook niet gehoeven. Niemand heeft hem iets gevraagd, op een ochtend stonden ze te boren, letter voor letter werd vastgeschroefd. Ik heb er alleen maar last van gehad.

 

P.C.Hooftstraat, Amsterdam

 

Laten we hopen dat het onderzoek van Van der Starre wat dieper graaft dan een inventaris en een enquête. Het onderwerp is op zichzelf belangrijk genoeg en raakt direct aan stedelijke vraagstukken in het algemeen en beschouwingen over lokale en nationale identiteit in het bijzonder.

 

illustraties
alle foto’s genomen door Lodewijk Brunt (copyright)