Tijdens de wekelijkse lunch met oud-collega en medebuurtbewoner kwamen we te spreken over de straat van onze lunchgelegenheid, de Staalstraat. Voor ons beiden een centraal onderdeel van de omgeving, een plek waar we vrijwel dagelijks komen. Zowel doorgangsroute als bestemming—voor zover het om sommige winkels en horecagelegenheden gaat. Als ik het me goed herinner, ging het vooral om de snelle veranderingen in het winkelbestand. Hij weet daar meer vanaf omdat hij al een stuk langer dan ik om de hoek van de straat woont. Ik woonde weliswaar vóór mijn huidige adres eveneens in de Nieuwmarktbuurt, maar nét iets uit de loop van de Staalstraat. Ik was vooral gericht op de Nieuwmarkt zelf, ook als winkelgebied. Het scheelt een paar honderd meter, op z’n hoogst, maar dat is genoeg om je op de ene plek iets meer ‘thuis’ te voelen dan op de andere plek. Zo zitten steden nu eenmaal in elkaar.

 


De Staalstraat loopt uit op Stadhuis, Muziektheater, Waterloopleinmarkt

Er is de laatste tijd veel te doen om de verloedering van het winkelbestand in de Amsterdamser binnenstad als gevolg van de toeristenplaag die over de stad is gekomen. In de Nieuwmarktbuurt zijn de Hoogstraten, Damstraat en Doelenstraat stinkende goten geworden met gore snoepwinkels en ander smerig weggooispul. Het snelle geld geeft de toon aan. Overigens is dat proces niet van vandaag of gisteren. Toen die straatjes het domein werden van de plaatselijke drugshandel, laten we zeggen zo’n jaar of vijftien, twintig geleden, begon het al. Wie herinnert zich nog de ‘pillenbrug’? De verbinding tussen de Damstraat en de Doelenstraat: de bankjes die daar stonden waren ingepikt door verslaafden en handelaren die het niet tolereerden als er buitenstaanders door ‘hun’ territorium liepen. Op gegeven moment zijn de bankjes met voorhamers in puin geslagen. De buurt pikte de overlast niet meer, werd gezegd. Op de brug kwamen een bloemenstal en een oliebollenkraam: de ‘ogen’ op de straat. De drugshandel verplaatste zich, voorspelbaar, richting St. Antoniesbreestraat. Volgende brug. Ik heb er vaak over gesproken met Dick Zaal van de Grote Tas, die de plaatselijke winkeliers vertegenwoordigde. Hij zag met lede ogen aan hoe de ene fatsoenlijke winkel na de andere de buurt verliet. De gemeente deed niets. Hij zou de initiatiefnemer van de opruimactie geweest zijn. Het gaat tegenwoordig niet meer zozeer om drugsverslaving en straathandel, maar om een ziekmakende vreetcultuur. Inloopwinkels voor ijs, patat en broodjes vestigen zich, ‘normale’ buurtwinkels waar iedereen iets aan heeft, zijn goeddeels uit het straatbeeld verdwenen.

Je zou denken dat de Staalstraat, op een paar honderd meter afstand, hetzelfde lot te wachten staat. Ook hier nemen horden sjokkende toeristen een flink deel van de openbare ruimte in beslag. En inderdaad is het verloop in het winkelbestand aanzienlijk. Van de ongeveer 25 zaken zijn er de laatste tijd, laten we zeggen over ruim een jaar, zo’n 10 van eigenaar en bestemming veranderd. Dat is bijna de helft! En naarmate je verder teruggaat in de tijd zijn de veranderingen uiteraard nog spectaculairder. Mijn gesprekspartner bij de lunch herinnert zich uit de jaren zeventig nog een reeks van typische buurtwinkeltjes: slijter, slager, bakker, schoenmaker, drogist, melkboer. Allemaal verdwenen, maar de slijterij heb ik ook goed gekend. Een aantal zaken zit er al langer, in ieder geval sinds ik hier begin jaren negentig kwam wonen, zoals verschillende cafés en een antiekzaak. Maar van verreweg de meeste winkels kan ik zeggen dat ik ze heb zien komen en gaan. Het vertrek van sommige winkels was een aderlating. Op de hoek van de Staalstraat en de Ververstraat had je een magnifieke boekhandel: Nijhof & Lee—gespecialiseerd in kunstboeken, architectuur, stedenbouw. Ik heb daar heel wat voetstappen liggen. Sinds hun vertrek is het pand al door vier of vijf andere opeenvolgende zaken bezet geweest. De laatste aanwinst is een designwinkel: Dsign. Een maand of wat geleden zat daar Op de Dijk met schoenen, op twee foto’s bij dit stukje kun je de betreffende etalage nog zien: de grote rode schoen. Verder, op de hoek van de Staalstraat en de Groenburgwal, zit een andere designwinkel, annex 1-kamerhotel en lunchroom: Droog design.

 


De laatste aanwinst: Dsign

In de Staalstraat vond je zaakjes die iets unieks hadden. De boekwinkel heb ik al genoemd, de winkel met oude filmposters was een ander voorbeeld. Je kon daar ook dvd’s vinden en een keur aan filmboeken, alles in de sfeer van arthouse movies. Weg. Iets verderop zit een andere prachtzaak, in de voormalige slijterij, met Aziatische beelden en sieraden. Ertegenover zit Juggle met spullen voor goochelaars, jongleurs en andere straatartiesten. Voor toeristen? Nee, zou ik zeggen, eerder voor specialisten en liefhebbers. Het zijn geen typische buurtwinkels, maar ze ontsieren de buurt allerminst en dragen bij aan het grootstedelijke karakter. Iets wat er misschien op lijkt, was de winkel waar ze ‘ouderwetse’ voedingsmiddelen verkochten: speciale stroopwafels, gerenommeerde Russische thee, delicate Franse biscuits en fijnzinnige boekjes met geurblaadjes. De zaak heeft er hooguit een jaar of vijf gezeten. Weg. Veel minder speciaal is een reeks winkeltjes met modieuze kleding en kledingaccessoires, zoals tassen, sjaals, oorbellen, kettingen. Mooi vormgegeven, maar moeilijk van elkaar te onderscheiden. Retro & Chic wijkt daar iets vanaf, inderdaad misschien iets chiquer dan de rest. Een andere winkel met een reputatie die de buurt duidelijk overstijgt is Puccini: bijzondere bonbons. Er vlak naast zit een andere Puccini, een zaak voor koffie en lunches. Ooit was het één concern, maar door ruzie zijn de eigenaren uit elkaar gegaan; ze hebben beiden stevig vastgehouden aan hun goede naam.

 


De Puccini van de bonbons

Vroeger had je echte buurtwinkels in de Staalstraat, die zijn er nog, maar niet zoveel meer. Sterk Staaltje is een kleine supermarkt annex delicatessenzaak, maar is tegelijkertijd een centrum van ontmoetingen en buurtcommunicatie. (Speciaal over buurtwinkels later een andere bijdrage.) Tot nu toe weet het straatje zijn niveau te handhaven tegen de platheid waar de Amsterdamse binnenstad als geheel aan ten gronde dreigt te gaan. Geen shoarma, patat, Argentijnse biefstukken, chocoladewafels of walnotenijs. Nog niet. Wat is het geheim? Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de gemeentelijke overheid hier enige positieve invloed uitoefent, want die autoriteiten vormen nu juist de stuwende motor achter de verloedering, het kan ze niet plat genoeg zijn. Het moet dus aan het beschavingsniveau van de winkeliers liggen en de selectiemethoden die gehanteerd worden. Hoe lang valt dat nog vast te houden?

 

illustraties
alle foto’s genomen door Lodewijk Brunt (copyright)