Straatrumoer

Een dwaze maagd van Ida Simons werd in 1959 gepubliceerd, raakte in de vergetelheid, en werd onlangs opnieuw uitgebracht door Uitgeverij Cossee. Op het stofomslag wordt geciteerd uit een recensie van Maarten ’t Hart, die in 2007 schreef: ‘Eén van de hoogtepunten uit de Nederlandse literatuur’. Hij kan het weten, want ik denk dat hij die literatuur op z’n duimpje kent, maar ik las het boek en dacht eerder aan Willem Elsschot en andere Vlaamse schrijvers – met het stugge proza dat doorgaat voor Nederlandse literatuur heeft het boek weinig raakvlakken. Simons’ korte roman is lichtvoetig en geestig, de schrijfster zet in een paar regels levensechte personen en situaties neer. Het portret van het veelkleurige joodse familieleven is hartverwarmend. Voor sommige personages heeft de schrijfster maar een paar lijntjes nodig.

De Berlijnse pianiste, Mevrouw Knieper, bij voorbeeld. Gittel, de hoofdpersoon zal pianoles van haar krijgen en komt kennis maken, ze heeft haar tante, haar moeder en haar vriendin Mili meegenomen. Knieper ziet eruit als een ‘verkouden leeuwin’.

Ze droeg een pseudo-Grieks gewaad van grijs flanel. Ze zei dat het haar gewoonte niet was aspirant-leerlingen te ontvangen die naar haar toekwamen vergezeld door een regiment. Voor mijn geval wilde ze een uitzondering maken omdat ik van het platteland kwam en de weg niet kende. Met een enkele handbeweging richting divan gaf ze te kennen dat het regiment daar kon bivakkeren en zich verder met de gang van zaken niet had te bemoeien. Ze ging aan een van de vleugels zitten, wenkte mij naar haar toe te komen en nam me van top tot teen op. ‘Zo’, smaalde ze, ‘dus hier hebben we dan het wonderkind’.

Die Mevrouw Knieper vergeet je dus nooit meer.

Gittel woont in Den Haag, maar komt regelmatig in Antwerpen: iedere keer als haar vader en moeder flinke ruzie hebben worden de koffers gepakt en vertrekken moeder en dochter naar België; daar wonen grootmoeder en nog een aantal familieleden. Op een dag realiseert Gittel zich dat ze Antwerpen — haar geboortestad — eigenlijk niet kent, ‘behalve wat kamers in een paar huizen en dat was toch wel al te gek terwijl ik er zo vaak was geweest’. Ze wordt meegenomen door Lucie, de jonge vrouw op wie ze hevig verliefd is, en Gabriel, een werknemer van Lucie’s vader. Op deze manier maakt Simons de omgeving deel van haar verhaal en wat me treft is haar liefde voor de stad, voor steden in het algemeen. Ik weet niet of Maarten ’t Hart dit heeft mee laten tellen in zijn waardering van het boek, voor mij maakt dit het boek (naast een paar andere kwaliteiten) extra waardevol en sympathiek. Steden komen er in de Nederlandstalige romanliteratuur bekaaid af… het roemruchte ‘straatrumoer’ dat zo pijnlijk ontbreekt.

Het drietal gaat eerst naar de kathedraal om de Madonna te bekijken, volgens Gabriel de mooiste van de hele wereld. De gezichten van alle andere Madonna’s zijn volgens hem ‘zoetsappig en vervelend vergeleken bij het geheimzinnige, strenge gelaat van de “onze”’. Ze bekijken het drieluik van de kruisafneming door Rubens, praten uitvoerig over de geschiedenis van de stad en komen uiteindelijk uit bij de Schelde, ‘die traag stromend de lichte voorjaarshemel parelmoer weerkaatste’. Gittel mijmert: ‘Ik was aan de zee gewend en de breedte van de rivier viel me tegen, maar ik zei dat maar niet want Gabriel vertelde van grote schepen die beladen met geurende specerijen, ivoor, goud en kostbare houtsoorten van heinde en verre naar de stroom toekwamen’.

Later verhuist Gittel met haar ouders naar Berlijn, waar ook haar vriendin Mili inmiddels woont. Ze drinkt thee unter den Linden en eet voor het eerst van haar leven in niet-koosjere restaurants. Hoe haar ouders dit met hun joodse geweten in overeenstemming kunnen brengen begrijpt ze niet, ‘maar het was zo indrukwekkend en prettig in de restaurants dat ik mij er voor hoedde dat delicate onderwerp aan te roeren’. Met de ouders van Mili gaat ze ‘s avonds uit in Berlijn, een ‘operette-voor-grote-mensen’. Mili kent alle sterren van het theater en vindt de voorstelling nogal Schmiere. Gittel is juist diep ontroerd door alles wat ze ziet en hoort en kan haar tranen niet meer inhouden als ze na afloop van de voorstelling ook nog in een Spaans restaurant souperen. Er wordt flamenco gedanst. Mili kijkt haar wat meewarig aan en zegt: ‘Beschwipst, ze moet nog aan het leven in een wereldstad wennen’.

Simons laat ons een cosmopolitisch grotestadsleven zien door de ogen van een begaafd, naïef meisje. Wat is het om in een stad te leven, hoe gaan stedelingen met elkaar om? En ook de mentaliteit van grootstedelingen, het gemak waarmee ze onderscheidingen aanbrengen in de wereld. We krijgen het vooroorlogse Berlijn met de indrukwekkende inflatie en de ‘steenrijke Hollanders’ er gratis bij. Nog maar eens de onvergetelijke Mevrouw Knieper, die alles van buiten Berlijn wantrouwt en minacht. Ze noemt Nederland consequent het platteland of de provincie, ‘een geestelijke woestenij volkomen verstoken van belangrijke uitvoerende kunstenaars’. Gittel protesteert zachtjes en noemt de namen van Mengelberg en Dirk Schäfer. Maar Mevrouw Knieper zei dat beiden ‘Duitsers waren die moedig de ondankbare taak op zich genomen hadden een achterlijk gebied enige zin voor cultuur bij te brengen, maar dat ze er een zwaar hoofd in had of het hun zou lukken’.

Ida Simons mag in haar jonge jaren een dwaze maagd geweest zijn, ze heeft goed om zich heen gekeken en haar oren opengezet. Het straatrumoer is volop aanwezig in haar roman. Treurig dat ze aan het prille begin van haar schrijversloopbaan is overleden.

By |2017-01-20T17:05:37+00:00maandag 9 juni 2014|Categories: Blog|Tags: , , , , , |Reacties uitgeschakeld voor Straatrumoer