In zijn rapport aan de Indian Immigrants Commission vermeldt de Brigade-Surgeon in 1885 dat hij niet lang geleden was benaderd door de heer C.Reynolds met het volgende verhaal: een koelievrouw was een dag of drie vermist geweest op de plantage. Ze was het suikerriet ingelopen en had daar een kind ter wereld gebracht. Toen ze weer tevoorschijn kwam, had ze alleen gezegd dat ze ziek was geweest. Maar een paar weken later werd tijdens de rietkap een in verregaande staat van ontbinding verkerend lijkje van een Indiaas kind gevonden, in doeken gewikkeld. De plantageleiding heeft geen stappen ondernomen, de dienstdoende Medical Officer werd niet ingelicht. De vrouw in kwestie zou inmiddels zijn weggelopen.

Op basis van dit authentieke document heeft de journaliste Lainy Malkani het verhaal The Natal Baby geschreven over Lenu die uit angst dat haar baby door de plantageleiding zal worden afgepakt, de avond voor haar bevalling van huis wegloopt. Ze krijgt haar kind, maar dat leeft niet lang. De stoffelijke resten worden tussen het suikerriet gevonden, Lenu lijkt van de aardbodem te zijn verdwenen. Ik heb Nelu nooit meer teruggezien, meldt de vertelster, ik hoorde dat iemand haar onderaan de heuvels had gezien, op zoek naar het graf van haar kind. Ik hoop dat het niet waar is. Ik denk liever dat ze erin geslaagd is weg te lopen en dat ze ergens anders is, gelukkig, en druk bezig de suikerrietstengels op wagens te laden, zoals ze altijd heeft gedaan.

Malkani’s familie is uit het Caribisch gebied afkomstig, ze woont en werkt in Londen en laat zich inspireren door wat ooit de ‘geschiedenis van het gewone volk’ werd genoemd, in haar geval vooral de Indiase diaspora. Het bundeltje verhalen waarin The Natal Baby staat afgedrukt, is gewijd aan de contractkoelies die vanaf het midden van de negentiende eeuw over de wereld uitzwermden om te werken op de suikerrietplantages van Zuid-Afrika, Mauritius, de Fiji-eilanden, Trinidad en Tobago en andere delen van het Caribisch gebied: Sugar, Sugar. Bitter-sweet Tales of Indian Migrant Workers. De schrijfster spreekt zelf eufemistisch over indentured labourers, vermoedelijk is de aanduiding koelie in de loop der jaren teveel besmet geraakt. Het Hindi-woord voor koelie: कुली, heeft twee neutrale betekenissen: sjouwer of arbeider, maar het Nederlandse koelie en het Engelse cooly hebben inderdaad een zekere bijsmaak. Overigens gaat Malkani niet op deze achtergrond in, haar verhaaltjes staan op zichzelf en voor de niet-ingewijde is het af en toe moeilijk om de relatie met haar thema te achterhalen. Soms is er een document afgedrukt, zoals bij het bovengenoemde verhaaltje, maar soms moet je maar raden naar de betekenis. Zoals bij dat verhaal over de fraaie rieten stoel die door een Londense antiekhandelaar op de kop wordt getikt. De enige klant met belangstelling wil hem kopen om hem in mootjes te kunnen hakken en te verbranden. De stoel doet hem denken aan de suikerplantages in Berbice (voormalig Brits Guyana), waarvan hij afkomstig is. Nightmares, fires, the sickly-sweet smell of burning sugar, me pulling the mules, along the side of the canal, clearing out the stables, riding horses, racing horses, my mother crying, my father fighting, zegt de man ter verklaring. Nogal onwaarschijnlijk, ook al in 1986, het jaar waarin het verhaal is gesitueerd.

 


De auteur poseert naast het omslag van haar boekje

Is er een nieuwe belangstelling op komst voor de Indiase diaspora die een eeuw voorafging aan de diaspora die momenteel alle aandacht opvangt, namelijk die van na de Partition van 1947, de Indiase en Pakistaanse kolonies in Groot-Brittannië, Canada, Verenigde Staten (Silicon Valley, New Jersey), Canada, Dubai? Wie zal het zeggen? In de roemruchte Hobson-Jobson, de Definitive Glossary of British India, die in 1886 werd samengesteld door de amateurs Henry Yule en A.C. Burnell, staat cooly omschreven als een sjouwer of ingehuurde arbeider, maar ook in de betekenis die het woord in ‘onze dagen’, zoals de auteurs zeggen, gekregen heeft: meest ongeschoolde arbeiders uit India of China die voor een aantal jaren gaan werken in overzeese gebieden, onder condities die nauwelijks verschillen van slavernij.

 


Suikerrietplantage Mauritius

Natal was inderdaad een belangrijke bestemming voor zulke koelies. Een contract was gewoonlijk voor vijf jaar, maar je kon na afloop bijtekenen voor nog eens vijf jaar, met recht op terugreis. Indiase koelies kwamen voor een groot deel uit zuidelijke gebieden en spraken Tamil of Telugu. Voor zover bekend waren de koelies overwegend afkomstig uit de lagere kasten, landarbeiders, keuterboertjes, maar ook pottenbakkers, kappers, timmermannen, schoenmakers en andere kleine ambachtslieden. De verhouding tussen de geslachten was ongelijk, zo’n veertig vrouwen op honderd mannen, maar de vrouwen waren voor allerlei specifieke werkzaamheden—zoals het stapelen van stengels—onmisbaar. In Natal werden koelies overigens ook op grote schaal ingezet bij de aanleg van spoorwegen, net als Chinese koelies in de Verenigde Staten, en in kolenmijnen. De makelaars die het Indiase (en Chinese) platteland afstroopten om contracten te sluiten, waren niet happig op het rekruteren van brahmanen of moslims: beide categorieën waren fel gekant tegen buitenshuis werkende vrouwen. Op de plantage werd gezorgd voor huisvesting, voedsel, loon en medische hulp. Uit verschillende van Malkani’s verhaaltjes valt op te maken dat hierover doorgaans grote ontevredenheid bestond. Wie zijn contract had uitgediend, kreeg onder bepaalde voorwaarden en tegen een speciaal belastingtarief de mogelijkheid om zich blijvend te vestigen: als boer, tuinder, visser, huisbediende.

 


Kappen op een plantage in Natal

Later in de eeuw arriveerden steeds meer ‘vrijwillige’ landverhuizers uit India in de koloniën, de zogenaamde passagier-Indiërs, overwegend handelaren, winkeliers, kleine ondernemers. Ze waren in veel grotere mate dan de contractkoelies afkomstig uit het Westen van India, met name uit Gujarat en onder hen bevonden zich tal van moslims en parsis. In Natal werden ze Arabieren genoemd: buitenstaanders herkenden ze blijkbaar niet als ‘landgenoten’ van de plantagewerkers. De historicus Ramachandra Guha, aan wie ik deze kennis ontleen, schrijft over Abubakr Amod Jhaveri, die als eerste niet-blanke handelaar werd vermeld in de ‘zakelijke almanak’ van Natal. Hij had winkels in verschillende plaatsen, waaronder Durban, en liet eigen schepen varen om goederen te vervoeren tussen Zuid-Afrika en India.

Malkani behandelt veel ‘klein leed’ en heeft vooral oog voor individuele lotgevallen. Dat maakt haar verhaaltjes nogal sentimenteel, zoetsappig. Ze heeft geen oog voor de ‘grotere’ historische processen die zich in en rond de suikerplantages hebben voorgedaan. Bij voorbeeld de omvangrijke stakingen die plaatsvonden in 1913 en die draaiden om protesten tegen de ‘hoofd belasting’ die moest worden betaald door degenen die ervoor kozen om voorgoed in Natal te blijven. Mohandas Gandhi’s loopbaan als politieke agitator is juist hier begonnen, alle strategieën die hij met zoveel succes bij de Indiase onafhankelijkheidsstrijd heeft toegepast, werden hier voor het eerst uitgeprobeerd. Daar kunnen geen zoetsappige verhaaltjes tegenop.

 

illustraties:
suikerriet in Natal en Mauritius; bron: columbusmagazine.nl
Lainy Malkani; bron: bbc.co.uk
Lainy Malkani met boekomslag; bron: wasafiri.org