In Filter (jrg 26, no. 4, december 2019), het onvolprezen tijdschrift over vertalen, staat een bijdrage van Elma Drayer: De identiteitspolitieke eisen van nu. Antiracismeactivisten en hun geestverwanten zouden ervan uitgaan dat in Nederland sprake is van ‘institutioneel racisme’ en om dat te bestrijden moet niet alleen de geschiedenis ‘gedekoloniseerd’ worden maar dient ook de taal te worden hervormd. Beladen woorden moeten verdwijnen en plaatsmaken voor alternatieven. Je mag niet meer over ‘slaaf’ praten, maar over ‘tot slaaf gemaakte’. Maar ook het begrip minderheid is in de ban gedaan, vanwege de negatieve bijklank en de taal zou zo spoedig mogelijk moeten worden gezuiverd van de begrippen autochtoon en allochtoon: die termen zorgen voor afstand. Vandaar.

Hoe dat alles gerealiseerd moet worden? Het lijkt me een hels karwei. Mijn eigen vak, antropologie/sociologie, zou een grote schoonmaak moeten ondergaan. De studie van minderheden is daar al ruim honderd jaar een van de peilers waar de discipline op rust: tal van begrippen en algemene theoretische noties zijn aan dat onderwerp ontleend. The Polish Peasant in Europe and America (1918/1920) van Florian Znaniecki en William I. Thomas, bij voorbeeld, heeft decennia lang gegolden als het invloedrijkste werk van de Amerikaanse sociologie, een schitterende studie van de Poolse minderheid in Chicago. ‘Minderheid’ mag dan voor de antiracismeactivisten een negatieve bijklank hebben, in de sociologie en antropologie is het begrip volstrekt neutraal.

Datzelfde geldt voor begrippen als autochtoon en allochtoon. Ik heb die aanduidingen zelf toegepast in mijn dissertatie over een kleine gemeenschap in de Alblasserwaard die plotseling geconfronteerd werd met een relatief omvangrijke groep stedelingen (‘Rotterdammers’). Deze allochtonen hielden geen rekening met de plaatselijke (autochtone) gewoonten—sterk bepaald door de verzuiling. Het gevolg: tegenstellingen en conflicten, wederzijds onbegrip. Het begrip allochtoon zórgt niet voor afstand, zoals de antiracismeactivisten (volgens Drayer) beweren, het geeft juist uitdrukking aan die afstand en inderdaad: ‘niet een van ons’ is de gedachte die daar dikwijls mee geassocieerd is. Maar die gedachte is uiteraard net zo sterk bij autochtonen aanwezig als bij allochtonen, zij het wellicht met verschillende associaties.

Het brandpunt van de identiteitspolitiek is ongetwijfeld het ‘n-woord’, zoals je geacht wordt te zeggen. Ewoud Sanders wijdde er dezer dagen een stukje aan in zijn taalcolumn voor de NRC: De nette hut van onkel Tom. Harriet Beecher Stowe noemde haar beroemde boek Uncle Tom’s Cabin en het is inderdaad raadselachtig waarom dit in de Nederlandse vertaling als De negerhut van Oom Tom werd omgezet. Er werd ook halverwege de negentiende eeuw kennelijk aanstoot genomen aan deze vertaling want er verschenen verschillende concurrerende vertalingen, waarbij cabin gewoon met hut werd vertaald. Sanders laat zien dat het woord ‘negerhut’ al sinds halverwege de achttiende eeuw in het Nederlands voorkomt, meestal in de betekenis van ‘zeer primitief onderkomen’, met negers hoeft dat niet per se iets te maken te hebben. Hoe het ook zij, Drayer laat zien dat het woord ‘neger’ al tien jaar geleden een ‘besmet woord’ was voor De Volkskrant: het mocht in de vocabulaire van de redacteuren niet langer voorkomen. Andere media volgden haastig.

Het kon niet uitblijven dat dit eveneens consequenties zou hebben voor woorden en begrippen uit dezelfde ‘familie’. Volgens de antiracismeactivisten was het woord ‘blank’ voortaan ook taboe. Vanwege de associaties met de apartheid in Zuid-Afrika, maar ook vanwege de positieve betekenissen die er aan worden toegekend: rein, puur, zuiver, onbezoedeld. Blanke mensen zijn voortaan witte mensen. Drayer laat zien hoe deze taalpolitiek doorwerkt in vertalingen. Negroland mocht niet vertaald worden als Negerland. Niet alle uitgevers laten zich gelukkig koeioneren, maar sommige hebben geen ruggengraat en lopen al op de kritiek vooruit. Huiveringwekkend.

Hoe denken de taalpuristen hun taalpolitiek te effectueren? Een paar jaar geleden schreef de ondernemer Carlo Strijk (NRC, 24 november 2016) dat het racisme in ‘onze taal’ wortelt: Alles wat zwart is, heeft negatieve connotaties in de taal (…) die wij gebruiken zonder er erg in te hebben. Hij noemt enkele voorbeelden: iemand zwartmaken, zwartkijken, zwart werk, zwarte lijst, zwarte bladzijde. We leren al jong, zegt Strijk, een bepaald gevoel te hebben bij zulke woorden. Als we donkergekleurde mensen ‘zwarten’ noemen, krijgen we daar een negatief gevoel bij. Kortom, we hebben een taalpolitie nodig om de taal te herijken, met name het begrip ‘zwart’. Juist ja, de sterke arm inschakelen.

Dat wordt een loodzware klus, want met het herijken van ‘zwart’, zal toch ook ‘wit’ aan een frisse wasbeurt toe zijn, dunkt me. Zwart staat volgens Strijk voor slechtigheid, staat wit voor het tegenovergestelde? Ik moet bij deze discussie altijd aan Herman Melville denken. In zijn Moby-Dick—het epos over de witte Potvis—gaat hij uitvoerig in op de betekenis van ‘wit’. Inderdaad, die kleur is geassocieerd met positieve elementen als het Recht en draagt bij aan de status van koningen en koninginnen die zich laten vervoeren in rijtuigen met spierwitte schimmels, In menige religie staat wit voor het opperwezen, in de Griekse oudheid had de witte stier een speciale betekenis. In the Vision of St. John, white robes are given to the redeemed, and the four-and-twenty elders stand clothed in white before the great white throne, and the Holy One that sitteth there white like wool.

Maar, wit staat ook voor uiterste angst en terreur, denk aan verschrikkelijke witte potvis die rusteloos achtervolgd wordt door kapitein Ahab en zijn bemanning. Ahab wordt voortgedreven door wraak want de vis heeft hem ooit een been afgebeten. Daar heeft hij nu een kunstbeen voor terug, gebeeldhouwd uit de onderkaak van een andere vis. Op het dek van het schip is een speciale klem aangebracht waarin de kapitein zijn kunstbeen kan laten rusten als hij urenlang over een onrustige zee staat uit te kijken naar het witte monster. Als hij ’s nachts rusteloos over het dek heen en weer loopt, horen de zeelieden die benedendeks slapen het lugubere getik van het ivoren been. Scheepsmaatje Ishmael, de verteller van Moby-Dick, krijgt er de rillingen van. ‘Hier heb je dan deze grijze, goddeloze oude man’, peinst hij, ‘die vloekend en tierend een grote potvis over de hele wereld achternazit, aan het hoofd van een bemanning die ook al is samengesteld uit voortvluchtige bastaarden, verworpenen der aarde en kannibalen’.

Maar denk ook aan de ijsbeer en de witte haai, vervolgt Ishmael: wat anders dan hun gladde, schilferachtige witheid maakt ze zo verschrikkelijk? De vurige tijgerklauwen in hun gestreepte vel zijn minder gruwelijk dan de witte vacht van de ijsbeer. Ook de albino vervult ons met afschuw en ontzetting. The Albino is as well made as other men – has no substantive deformity – and yet this mere aspect of all-pervading whiteness makes him more strangely hideous than the ugliest abortion.

De tragiek van de discussie die Elma Drayer beschrijft is dat de taalpolitieke antiracismeactivisten en hun volgelingen volstrek geen oog of oor hebben voor de inherente dubbelzinnigheid van de taal. Ze willen blijkbaar de taal in hokken stoppen, de deur op slot, de sleutel wegsmijten. Met de taalpolitie als bewakers. Het ergste is dat je gedwongen wordt bepaalde gevoelens te ontwikkelen voor bepaalde woorden en begrippen, alsof de taal niet per definitie vloeit en groeit.

 

illustratie
Elma Drayer; bron: denieuwekoers.nl

What do you want to do ?

New mail

What do you want to do ?

New mail