De spelling van studenten aan de universiteit is hopeloos, zegt een universitair docent in NRC Handelsblad, 6 september 2016. De kwestie staat breed uitgemeten over twee volle pagina’s: Scripties en tentamens vol taalfouten. De situatie is blijkbaar zo ernstig dat de hoofdredactie er een dag later een Commentaar aan wijdt, waarin ook de overheid streng wordt toegesproken: zij mag niet berusten in het matige niveau van het Nederlands op scholen. Zo is het maar net! Het beroerde Nederlands van de studenten staat trouwens niet op zichzelf, al zegt de krant daar niets over, het kwaad vermenigvuldigt zich in rap tempo. Uiteraard, daar kun je op wachten. Ook in kranten en tijdschriften daalt het peil waar je bij staat. Taal- en schrijffouten, zondigen tegen d’s en t’s, je kunt er iedere dag legio voorbeelden van vinden. Laten we over het deerniswekkende koeterwaals dat op radio en tv ten gehore wordt gebracht maar niet hebben.

Het is een oude klacht, de gebrekkige schrijfvaardigheid van studenten. In mijn tijd aan de universiteit was het al een cliché, ik heb de toestand in de loop van mijn carrière als docent bijna met de dag zien verslechteren. Je was in feite verrast als je op een keer een leesbaar werkstuk onder ogen kreeg, zonder al teveel fouten—dat bleek altijd van studenten te zijn die over de hele linie goed waren. In de krant wordt gerept over de noodzaak van speciale schrijfcursussen om het peil een beetje op te krikken, maar ook zulke lapmiddelen kende ik vele jaren geleden. Op de afdeling waar ik werkte, werd dat gecombineerd met oefeningen in observatie. Ik heb tal van die groepjes begeleid. Iedere bijeenkomst wees ik de studenten van voren af aan op reeksen elementaire taalfouten; ik werd er zelf knap moedeloos van en mijn opmerkingen leidden bij veel studenten tot ergernis en weerzin. Het was elitair om ze op hun gebrek aan schrijfvaardigheden te wijzen: de bedoeling was toch goed? iedereen begreep het toch wel een beetje? en… wat deed het er in godsnaam allemaal toe?

 

 

Schriftelijke tentamens vormden altijd een dieptepunt. Aan veel antwoorden was met de beste wil van de wereld geen touw vast te knopen. Ik keek de resultaten na met in mijn achterhoofd voor iedere vraag een paar steekwoorden. Als ik die in de antwoorden kon ontcijferen, was ik al bijna tevreden. Een docent die enkele tientallen antwoordformulieren moet beoordelen, denkt al gauw ‘zoek het maar uit’ en slaat er een slag naar. Het deugt niet, ik weet het, maar zonder zulke bijna frauduleuze praktijken zou het werken aan de universiteit onmogelijk zijn. Slordigheid, fouten, weinig studenten zagen er de ernst van in. Ik hield ze voor dat een sollicitatiebrief met grammaticale blunders en spellingfouten bij de talrijke sollicitatiecommissies die ik kende, zonder pardon in de prullenmand terecht zou komen. Sommigen keken me aan alsof ik een flauwe grap vertelde; een andere wereld. Ook mijn bezwering dat iedere afgestudeerde academicus zich zowel mondeling als schriftelijk vlekkeloos dient te kunnen uitdrukken, stuitte dikwijls op volstrekt ongeloof. Dat meen je niet.

Er mogen geen taal- of spelfouten in de tekst voorkomen en de typografie moet verzorgd zijn, lees ik in een oude handleiding voor het schrijven, bedoeld voor studenten in de geesteswetenschappen. Maar er is natuurlijk veel meer dan alleen spelling. In dezelfde gids behandelt de auteur ook de interpunctie—komma, puntkomma, dubbele punt, gedachtestreepjes, haakjes. De komma geeft aan welke delen van een zin bij elkaar horen en welke niet, er wordt een komma geplaatst bij een pauze in de zin, bij voorbeeld tussen hoofd- en bijzin, voor en na zinnen die ingebed zijn in de hoofdzin, enzovoort. Het zijn lesjes die ik tot vervelens toe heb opgezegd. Vroeger had ik de illusie dat je je op de universiteit met inhoudelijke zaken kon bezighouden, daar is steeds minder tijd en ruimte voor gekomen.

Op het niveau boven deze grondbeginselen van de geschreven taal komt pas de échte verwoording. Wie was het ook alweer die zei: ik weet pas wat ik denk als ik het heb opgeschreven? Het schrijven is een beschavingsproces, het wilde denken wordt geordend. Mijn oude leermeester A.N.J. den Hollander, die ik op deze plaats in een ander verband al eens heb opgevoerd, was een voorbeeldig stylist, in woord en geschrift. Ons denken gaat allerminst ordelijk, schreef hij in zijn bundel Visie en verwoording, het toont tal van onvolkomenheden, is tamelijk verward, knapt af, springt heen en weer, is grillig, zolang wij het niet uiten. Als wij opschrijven wat wij denken, of menen gedacht te hebben, treedt dadelijk een discipline op, men vormt een te verantwoorden structuur van gedachten en stelt deze op schrift als een geordend verlopen proces.

Dat is het ideaal, de werkelijkheid is helaas anders. Veel mensen menen dat ze kunnen gaan schrijven voordat de gedachten geordend zijn. Wie veel werkstukken van studenten en proefschriftontwerpen leest, zegt Den Hollander, kent de droeve gevolgen. Niet alleen ongeoefende scribenten, ook auteurs van naam maken zich eraan schuldig. Wie kent ze niet, de manuscripten, artikelen, boeken, wemelend van die zinnen die men tweemaal moet lezen om te weten wat ze betekenen?

Den Holander spreekt niet voor niets over het ‘ongerief van de verwoording’, schrijven is een van de moeilijkste intellectuele activiteiten die je je kunt voorstellen. SM-writing. Dat heeft niet alleen te maken met het idiote Nederlandse spellingsbeleid—om de zoveel tijd nieuwe voorschriften en allerlei ‘witte’ en ‘groene’ boekjes met eigen regels en opvattingen. Ook het Engels heeft haar specifieke spellingsproblemen: weird, niece, seize; peddle, pedal; horde, hoard; rye, wry; tale, tail; cannon, canon; lead, led; roomy, roomie, rheumy, Rumi—zoals zo geestig aan de orde is gesteld door Mary Norris, de ‘taalkoningin’ van The New Yorker.

 

 

Waarom zou je goed, of tenminste correct, willen schrijven? In Nederland  maakt het blijkbaar niemand meer iets uit, gelukkig is het in andere taalgebieden beter. Met een juiste spelling en grammatica kleed je de taal aan. Je treedt ermee naar buiten en presenteert jezelf. Wie erbij wil lopen als een zwerver: ga vooral je gang, maar kijk er niet van op als mensen met een wijde boog om je heen lopen.

 

illustraties
scrabblestukjes; bron: oxforddictionaries.com
schilderei; bron: spelling.startpagina.nl
scharen; bron: www.merriam-webster.com