Voor veel Amerikanen is Webster de aanduiding van het Engelse woordenboek; een merknaam als soortnaam, net als Spa staat voor mineraal water in het algemeen. De dictionaire is vernoemd naar Noah Webster (1758 – 1843), die in 1828 het eerste woordenboek publiceerde: An American Dictionary of the English Language, in twee omvangrijke delen van bij elkaar tweeduizend pagina’s.

Webster wilde méér dan zomaar een alfabetische inventaris van de Amerikaanse woordenschat, voor hem was het woordenboek een wapen in de strijd tegen de Britse koloniale overheersing, of, in de woorden van Christopher Benfey: a continuation of the American Revolution by other means (zie: The New York Review of Books, 27 juni 2019). Zoals koning George III de politieke situatie bepaalde, zo werd de taal en cultuur in de kolonie bepaald door de richtlijnen van Samuel Johnson’s Dictionary of the English Language uit 1755. Thomas Jefferson beschouwde de invloed van Samuel Johnson als een rem op de ontwikkeling van de jonge en dynamische Amerikaanse natie. Vermoedelijk ook omdat Johnson zich laatdunkend had uitgelaten over Amerikanen: idioten, rovers en piraten, vond hij. Webster nam de handschoen op en zag zichzelf als de profeet van het Amerikaans, hij zou de aangewezen persoon zijn om de nieuwe taal vast te leggen.

Een lemma dat Webster in het bijzonder had gestoken was American dialect, door Johnson omschreven als: ‘een spoor van verloedering waaronder elke taal die door velen wordt gesproken te lijden heeft’. In Engeland maakten mensen zich vrolijk over Amerikaanse uitdrukkingen die ‘misschien gangbaar waren in Virginia, maar waarvan je geen flauw idee hebt wat ze betekenen’. Dat liet Webster niet over zijn kant gaan. Zijn boeken over de spelling en grammatica waren absolute bestsellers en werden op vrijwel alle Amerikaanse scholen gebruikt.

Decennia voordat zijn eerste woordenboek het licht zag, was Webster begonnen aan het boekstaven van het Amerikaans als een zelfstandige nationale taal. Uit de alledaagse taal die in Amerikaanse dorpen en steden werd gesproken zou blijken dat het Amerikaans net zo van het Engels verschilde als het Portugees van het Spaans.

Webster zag het als de taak van de lexicograaf om woorden te verzamelen, te ordenen en te verklaren zoals ze door ‘gewone Amerikanen’ gebruikt werden; het ging er niet om woordgebruik voor te schrijven, zoals Johnson volgens hem had gedaan (het Engels van de koning en het theater), maar om het te beschrijven zoals het daadwerkelijk werd gebruikt. Description over prescription.

En bij de nieuwe nationale taal hoorde ook een nieuwe spelling. Webster stoorde zich in het bijzonder aan silent letters, letters die je wél schrijft, maar niet uitspreekt. Zijn voorstellen vonden overigens nauwelijks ingang: color in plaats van colour ging nog, maar masheen voor machine, wimmen voor women, bred voor bread of beleev voor believe ging velen te ver.

Ook in andere opzichten volgde de religieus bevlogen Webster een eigenzinnige koers, in de praktijk was hij eerder een scherpslijper dan iemand die zich verheugde in de rijkdom en levendigheid van de taal. Dat uitte zich vooral bij de zogenaamde ‘taboe-woorden’. De nieuwe natie moest weliswaar een eigen taal hebben, maar vóór alles diende God te worden geëerd. Het huwelijk werd omschreven als: een verbintenis die is ingesteld door God zélf met als doel om de vrije omgang tussen de geslachten te voorkomen. Woorden als ‘overspel’, ‘zuigen’, ‘hoer’, die wel in de woordenboek van Johnson voorkwamen, werden door Webster geweerd, of gekuist. Woorden als ‘scheet’ of ‘drol’ werden niet eens overwogen. In zijn woordenboek was geen ruimte voor ‘taal die in fatsoenlijk gezelschap niet gebezigd kan worden’, hij streefde met zijn werk een hoge morele standaard na. Om die reden hield hij zich verre van de taal van het theater, met name de door Johnson zo bewonderde Shakespeare—die taal was immers grof en ontluisterend.

Ik haal mijn wijsheid over Webster vooral uit enkele besprekingen van het recente boek van Peter Martin over de 19e eeuwse strijd om de monopoliepositie tussen verschillende woordenboekenproducenten (The Dictionary Wars): behalve Christopher Benfey ook Michael Skapinker in de onvolprezen Financial Times. Wat me treft is het schijnbare gemak waarmee de negentiende eeuwse filologen en andere taalkundigen wetenschappelijke inzichten laten overwoekeren door politieke, religieuze of zelfs financiële belangen. Het doet denken aan wat je vandaag de dag ziet gebeuren in landen met volksmenners aan de macht: India onder Narendra Modi, de Filippijnen onder Rodrigo Duterte, Turkije onder Recep Tayyib Erdogan, China onder Xi Jinping. De schoolboekjes worden aangepast aan de nieuwe orde, de geschiedenis wordt herschreven, beschrijven wordt voorschrijven.

In de geschiedenis van de Oxford English Dictionary zoals die is opgetekend door Peter Gilliver (Oxford University Press, 2016), kom je overeenkomstige onderwerpen tegen. De eerste samenstellers worstelden ook met woorden die in polite society niet gebezigd worden, met name de zogenaamde vierletterwoorden (in het Nederlands drieletterwoorden), zoals cock, fart, piss, shit, turd, twat. Maar het was niet te loochenen dat zulke woorden soms al eeuwen werden gebruikt en het was onvermijdelijk om ze daarom op te nemen. Voor alle zekerheid kregen ze een toevoeging mee, bijvoorbeeld: not now in decent use, of Obs. in polite use. Maar de eerste lexicografen vonden soms slimme manieren om die woorden op te nemen en toch te verbergen. Gilliver noemt het voorbeeld van quaint. In vroeger tijden was dat in gebruik als een eufemisme voor cunt.

Het lemma quaint werd nogal cryptisch uitgelegd door te verwijzen naar een oude Italiaanse tekst met het woord becchina, dat ‘a woman’s quaint or priuities’ zou betekenen. Ook in later jaren werd er vaak geworsteld met de vraag welke woorden opgenomen moesten worden of niet, al dan niet in een speciaal supplement. In 1959 nog was besloten om geen taboewoorden af te drukken. Maar in dat jaar gebeurde er iets onverwachts. Uitgeverij Penguin Books had de ongekuiste versie van Lady Chatterly’s Lover gepubliceerd en op grond van de Obscene Publications Act vond er een rechtszaak plaats. De uitspraak was not guilty, waarmee het groene licht werd gegeven voor het publiceren van woorden als cunt, cock en nog veel meer. De Oxford Dictionary werd in één klap gedegradeerd tot fatsoensrakker.

Ik vermoed dat de strijd om de seksueel getinte taboewoorden wel zo langzamerhand gestreden zal zijn, helaas zijn er tal van andere taboewoorden voor in de plaats gekomen. De strijd over de woordenschat zal nooit tot een einde komen.

illustratie
Noah Webster; bron: en.wikipedia.org