Gemengd bericht in de krant, een dag of wat geleden. In India werd Yakub Abdul Pazak Memon opgehangen, veroordeeld wegens zijn aandeel in de zogenaamde Bombay Bombings—1993. Memon zat al sinds 1994 vast en heeft dus ruim twintig jaar over zijn lot kunnen nadenken. Mijn eerste reactie was: waarom staat zoiets in de krant? Ik heb eerder in de krant nooit enig bericht gezien over Yakub, laat staan zijn veroordeling of proces, om maar te zwijgen van een analyse over de betekenis van deze gebeurtenis. Ik neem aan dat 99,9 % van de Nederlandse krantenlezers in de verste verte geen idee heeft over wat er aan de hand is—of was. Zinloze bladvulling. Is dit de manier om lezers op de hoogte te houden van het wereldnieuws?

Maar… tot de orde. Memon werd opgehangen in de vroege ochtend van de dag waarop de Indiase oud-president (2002 – 2007) Avul Pakir Jainulabdeen Abdul Kalam overleed, één van de drijvende krachten achter de Indiase atoombom. Uit de verslagen in Indiase kranten valt nauwelijks op te maken welk nieuws het meeste aandacht kreeg. Wat 9/11 is voor de Verenigde Staten, is 12 maart 1993 voor India, in het bijzonder de stad Bombay (die volgens politiek correct gebruik als Mumbai moet worden aangeduid—maar destijds nog niet). De moesson liet nog een paar maanden op zich wachten, de hitte was ondragelijk in de miljoenenstad. Iedereen klaagde over het weer, het leek Nederland wel.

Toen gebeurde het—aan het begin van de middag volgden er met korte tussenpozen tien zware explosies die de stad op haar grondvesten deden schudden. De eerste om half twee, de Beurs, daarna om half drie het gebouw van Air India, om drie uur op de Zaveri Bazar—de laatste om over half vier in twee vestigingen van het Centaur Hotel in Juhu en Vile Parle, vlakbij het vliegveld. De autoriteiten stonden volstrekt machteloos en het bleek overduidelijk dat de stad bij lange na niet bestand was tegen zo’n aanslag. Politie schoot tekort, brandweer schoot tekort, ziekenhuizen schoten tekort. Er vielen vele tientallen doden, honderden gewonden en de materiële schade was onbecijferbaar. Sommige bommen ontploften in het drukste deel van de stad: smalle straatjes vol met voetgangers, handkarren, trucks, personenauto’s. Bij de graan- en specerijenbeurs aan de Katha Bazar schoten verschillende geparkeerde taxi’s als vuurballen de lucht in.

De ontploffingen waren duidelijk gecoördineerd, het kon niet anders of hier zat een uitgekiende, dodelijke planning achter, maar ook een aanzienlijke investering aan mankracht en materieel. Terroristen? Welke terroristische organisatie was zó machtig en goed georganiseerd? Van Osama bin Laden had nog nooit iemand gehoord. Zat Pakistan erachter? Zoiets moest het wel zijn. Het drong pas langzaam door dat de actie het werk was geweest van de zogenaamde georganiseerde misdaad, na lang en intensief speurwerk kwamen de feiten boven tafel en alle sporen wezen naar Dubai, waar de grootste gangsters van India zich ophielden—met als middelpunt de roemruchte Dawood Ibrahim.

De Bombay Bombings zijn een klassiek voorbeeld van de poreuze grens tussen gangsterdom en jihadisme. De ontploffingen waren bedoeld als vergelding voor de religieuze rellen die zich eind 1992 en begin 1993 hadden voorgedaan en die in Bombay duizenden dodelijke slachtoffers hadden geëist, vooral onder de Moslimbevolking. De onlusten waren uitgebroken nadat Hindoefanaten in Ayodhya de ‘heilige’ Babri Masjid —de moskee die ter ere van de Moghulkeizer Babar was gebouwd—hadden verwoest. In die kringen had zich de overtuiging vastgezet dat de moskee was gebouwd op de ruïnes van een Hindoetempel gewijd aan de god Ram. Maanden van oorlogshitserij door vooraanstaande Hindoenationalisten hadden tot een explosie van geweld geleid. De latere minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier, L. K. Advani, had een tocht van 10.000 kilometer door heel India gemaakt om zijn volgelingen tot de strijd op te wekken.

Als reactie werd vanuit de geteisterde Moslimgemeenschap een dringend beroep gedaan op de ‘sterke mannen’ uit hun midden, notoire, maar succesvolle criminelen die in het buitenland verkeerden omdat de Indiase grond hen te heet onder de voeten geworden was. Dawood Ibrahim was de spil, vanuit zijn ‘Witte Huis’ in Dubai controleerde hij een groot deel van de Indiase misdaad. Hij was de beste maatjes met politici, filmsterren, industriebaronnen en feestneuzen die het een eer vonden om op de exorbitante feestjes van hun bhai te worden uitgenodigd. Eenvoudige jongen, zoon van een politieman, opgegroeid in het commerciële hart van Bombay, gepokt en gemazeld in de goud- en wapensmokkel, omkoperij, ‘bescherming’, en het corrupte gokken op sportwedstrijden—in het bijzonder cricket.

Naar verluid organiseerde hij een topconferentie van gangsterbazen in Dubai, waarbij ook vertegenwoordigers van Palestijnse organisaties waren uitgenodigd. Er moest een eind komen aan de godsdiensttwisten en er moest wraak genomen worden voor het leed de Moslimbroeders en –zusters aangedaan. Er zouden plannen zijn ontwikkeld om Advani te vermoorden, maar het plan voor een reeks ontploffingen in grote Indiase steden—Delhi, Calcutta, Madras en natuurlijk Bombay—kreeg de meeste instemming, al bleef wegens logistieke problemen alléén Bombay over. De gedachte zou zijn geopperd door Mushtaq Memon, een jonge, ambitieuze gangster die nog maar net voor vól werd aangezien door de grote jongens. Hij had dezelfde achtergrond als Dawood Ibrahim. Opgegroeid in klein Karachi zoals de grote Moslimwijk van Bombay werd genoemd en in kleine kring beroemd geworden door de dodenrit die hij als chauffeur ondernam om één van de topcriminelen uit het Midden-Oosten uit handen van de politie te houden. Een meester in afpersing en bedreiging, topsmokkelaar van goudstaven. Bijnaam: tijger.

 

Zoals zo vaak zijn de handlangers en onderaannemers voor een deel gepakt en gearresteerd, maar zijn de grote bazen buiten schot gebleven. Zowel Ibrahim als Memon zijn van Dubai naar Pakistan verhuisd en genieten hoogstwaarschijnlijk bescherming van de Pakistaanse geheime dienst, net als Osama bin Laden voordat hij door de Amerikaanse seals werd verrast. Tiger Memon zou in de nacht van de executie van zijn jongste broertje naar zijn moeder hebben gebeld. Hij zou het er niet bij laten zitten, had hij haar beloofd. Zijn wraak zal bitterzoet zijn, als het er ooit van komt, we hebben gezien waartoe hij in staat is.

Dat Yakub nu is opgehangen heeft overal in India protesten uitgelokt, tot in de hoogste kringen. Hij was boekhouder, de studie werd betaald door zijn grote broer die—o, ironie—vond dat tenminste één lid van het grote gezin een loopbaan buiten de misdaad zou moeten volgen. Yakub kan nooit het grote brein achter de ontploffingen zijn geweest, niemand gelooft dat. Maar ja, barbertje moet hangen. Je kunt vermoeden dat de strop is aangetrokken door de regering Modi. Het Hindoefanatisme is weer aan de macht in India en vele Hindoenationalisten is het een doorn in het oog dat er nog steeds Islamitische criminelen zitten opgesloten die zich ruim twintig jaar geleden als jihadis hebben geweerd tegen de moordpartijen die van Hindoezijde werden ondernomen. Oog om oog, tand om tand—het woord van de tijger.

 

 

illustraties Yakub Memon
bron: im.rediff.com; ste.india.com