Tolerant is wat je denkt. Tolerant is wat je doet. Twee totaal verschillende dimensies. Ik denk in dit verband aan de meesterlijke studie van Jonathan Rubinstein over de politie in Philadelphia; City Police heet zijn verslag, uit het begin van de jaren 1970. Hij reed mee in patrouillewagens, dag en nacht, en was erbij als er criminelen werden opgepakt, hulp werd verleend en als de agenten na hun werk zaten te geinen in hun favoriete cocktailbar. De onderlinge gesprekken hadden een opmerkelijk ‘kleedkamerkarakter’, om Donald Trump maar eens aan te halen. Een soort politiehumor dat je overigens ook bij de politie buiten de Verenigde Staten aantreft, hier misschien wat sterker dan daar—mede afhankelijk van de druk waaronder het werk wordt gedaan. De onderzoeker werd vooral getroffen door de nogal rauwe opmerkingen over vertegenwoordigers van etnische groepen, er werd flink aan ‘profilering’ gedaan. Maar in de praktijk, als het aankwam op concreet handelen, constateerde de onderzoeker vrijwel nooit discriminerend of zelfs neerbuigend gedrag. Er bestond een aanzienlijk verschil tussen ‘wet’ en ‘werkelijkheid’. Of  dat vandaag de dag nog steeds zo is, na een moedeloosmakende reeks van aanslagen op jonge zwarte mannen in Amerikaanse binnensteden, kun je niet weten—maar dat doet aan het verschijnsel van het verschil tussen doen en denken natuurlijk niets af.

In de krant die ik dagelijks lees, NRC Handelsblad, stond onlangs een beschouwing over tolerantie aan de hand van een aantal denkfouten. De schrijfster, Marjoka van Doorn, is sociaal psycholoog en ze won met haar stuk de hoofdprijs van een essaywedstrijd, georganiseerd door de krant in samenwerking met de KNAW. Gefeliciteerd! Denkfout 1 is dat we menen dat anderen intolerant zijn en dat we geen oog hebben voor de beperkingen van onze eigen tolerantie; denkfout 2 is de opvatting dat tolerantie een zaak is van het individu en niet van de hele samenleving; denkfout 3 betreft het risico dat we onze tolerantie verliezen als we intolerantie niet uitroeien en de laatste denkfout is de overtuiging dat we onze normen en waarden aan anderen zouden kunnen voorschrijven. Ik parafraseer, dus ik kan er niet helemaal voor instaan dat ik de stellingen zodanig heb weergegeven dat Van Doorn zich er moeiteloos in herkent.

Wat me opvalt is het nogal zwevende karakter van het betoog, om niet te zeggen: zweverig. We zijn tolerant en we zijn intolerant, afhankelijk van wat of wie we beoordelen, beweert de schrijfster. Ze zet haar stelling kracht bij door het voorbeeld van de houding tegenover vluchtelingen: je bent niet zozeer tolerant dat je de komst van vluchtelingen accepteert, aldus Van Doorn, je bent pas tolerant als je accepteert dat anderen daartegen protesteren. Tja, dat zal wel, maar dit voorbeeld is nogal vergezocht, om het zacht uit te drukken. Je kunt geweldig tolerant zijn of geweldig intolerant, maar niemand heeft enige invloed op de komst van vluchtelingen. Het gaat om een ontwikkeling die iedereen nu eenmaal heeft te accepteren, al dan niet onder protest. Ik zie niet in wat dit voorbeeld duidelijk zou kunnen maken over tolerantie of intolerantie en ik vrees dat dit waarschijnlijk komt omdat de auteur geen enkele moeite doet om te omschrijven wat ze met haar kernbegrippen nu eigenlijk bedoelt. Ben je tolerant als je alles maar over je kant laat gaan?

Wat zich wreekt aan het prijswinnende opstel is, denk ik, dat het betoog zich afspeelt in de ruimte. Losgezongen van de alledaagse, tastbare werkelijkheid. Ik zou persoonlijk eerder geneigd zijn om tolerantie op de een of andere manier te ‘situeren’, te plaatsen in empirisch onderzoekbare situaties. Als stadsonderzoeker heb ik vaak te maken gehad met het verschijnsel: stedelijkheid, kosmopolitisme, verdraagzaamheid zijn nauw met elkaar verweven en vormen mede de dynamiek die de ene stad een andere atmosfeer bezorgen dan de volgende stad. Daartoe zou je het begrip tolerantie wat scherper moeten afbakenen. Er zijn verschillende soorten tolerantie, ik noem er twee: negatief en positief. Negatieve tolerantie bestaat als mensen de aanwezigheid van anderen kunnen verdragen omdat die ‘vreemde elementen’ simpelweg niet worden opgemerkt. Ze hebben niets met elkaar te maken, komen elkaar niet tegen. Een toestand die dikwijls wordt aangehaald in discussies over de Marokkaanse ‘rotjongens’, of over, inderdaad, groepen vluchtelingen: bewoners van de Amsterdamse grachtengordel kunnen zich toleranter opstellen dan de bewoners van de Baarsjes of Bos en Lommer: in hun dagelijkse bestaan hebben grachtengordelbewoners met zulke groepen geen bemoeienis, ze zijn letterlijk, maar zeker ook sociaal, onzichtbaar. De grote stad is een mozaïek van uiteenlopende sociale werelden, een bonte verzameling subculturen en sectoren, teveel om op te noemen. Inwoners van de stad zijn doorgaans moeiteloos in staat om het overgrote merendeel van zulke werelden en wereldjes te omzeilen en zich vrijwel uitsluitend af te geven met hun ‘eigen volk’. Hun tolerantie tegenover anderen wordt zelden of nooit op de proef gesteld. Out of sight out of mind. Amsterdam is een tolerante stad, wordt dikwijls uitgeroepen, maar Amsterdam staat daarin niet alleen: (negatieve) tolerantie is tot op zekere hoogte een centraal kenmerk van iedere grote stad.

Positieve tolerantie is iets heel anders, het betreft de capaciteit om met anderen om te gaan in het volle besef van de bestaande verschillen tussen ‘wij’ en ‘zij’ en zelfs met oprechte waardering van deze verschillen. Of Amsterdam ook in die zin een tolerantie stad is, valt ernstig te betwijfelen, al zijn er misschien perioden geweest dat zo’n toestand daadwerkelijk tot op zekere hoogte bestond. San Francisco zou wél zo’n stad zijn met haar omvangrijke en invloedrijke gay subculture. Bij velen heeft de stad in ieder geval de roep dat zij de tolerantste stad van de Verenigde Staten zou zijn. Stedelijke overheden proberen wel eens om spreiding van diverse bevolkingsgroepen te bevorderen, om daarmee het oeroude streven van ‘soort zoekt soort’ tegen te gaan. Op die manier dwingen ze mensen om in een gemengde omgeving onderling oplossingen te vinden voor gemeenschappelijke problemen. De stedelijke ‘smeltkroes’. Het schijnt wel eens gelukt te zijn, maar de mate van succes hangt af van demografische kenmerken: jong, oud, man, vrouw, seksuele geaardheid, alleenstaand, samenwonend, met of zonder kinderen, maar ook van zaken als inkomen, opleiding, beroep, culturele oriëntatie, buurtkwaliteit en wat al niet.

 

 

Het verschijnsel tolerantie is veelvormig en complex. Je zou het ‘van onderop’ moeten benaderen, zoals Rubinstein en zoveel andere stadsonderzoekers hebben gedaan. Op die manier word je er misschien wijzer van; via de denkfouten van Marjoka van Doorn kom je niet veel verder.

 

illustraties
Welkom vreemdeling; bron: ThePostOnline
Pakje tolerantie; bron: SIRETekst tolerantie; bron: Loesje