Door een mooi stuk in The New Yorker (staat in dat blad eigenlijk ooit een lelijk stuk?) van de onvolprezen Adam Gopnik (4 mei 2015) werd ik geattendeerd op de 19e eeuwse Engelse schrijver Anthony Trollope, fascinerende figuur. Zoon van schrijfster Frances Trollope, beiden veelschrijvers. Anthony had een drukke baan bij de Engelse posterijen – hij zou onder andere voor de verspreiding van de karakteristieke, vuurrode pill boxes verantwoordelijk zijn geweest – maar hij schreef altijd en overal. Voor zijn treinreizen had hij een speciaal lessenaartje laten maken om ongestoord te kunnen doorwerken. Hij heeft zeker om en nabij zestig boeken gepubliceerd, en bepaald niet allemaal van het lichte soort; vijf, zes, zevenhonderd pagina’s, voor minder deed hij het niet.

Gopnik wijst erop dat Trollope eigenlijk de enige 19e eeuwse auteur is die nog steeds boordevol zeggingskracht zit voor onze eigen tijd. Tja, wie weet. Hij schreef over diverse thema’s, maar vooral zijn werk over de geletterde, gezeten Britse middenklasse is volgens Gopnik klassiek en actueel. Hij had oog voor bezigheden die we nu bijna allemaal kennen, maar die toen in opkomst waren: kantoorwerk. Hij schreef over de ‘klerkenklasse’, priesters van de staatskerk (de Anglicaanse kerk), bureaucraten, politici, advocaten. The faceless bureaucrats of large organizations are his special love. Als Trollope vandaag zou schrijven, zegt Gopnik, was zijn onderwerp beslist het Europese Parlement in Brussel geweest. Hij zou er snijdende komedies over gemaakt hebben.

Wat je ook van Trollopes werk kunt zeggen: geestig is het zeker. Maarten ’t Hart, die alom geldt als de grootste Trollopekenner van Nederland en omstreken, schreef over zijn leeservaringen in De som van misverstanden:

Ik begon met The Warden. Ik vond het een kostelijk boek, ik vergat mijn medereizigers met een ochtendhumeur ’s morgens en ik werd zo meegesleept door het verhaal dat ik niets merkte van het lawaai tijdens het spitsuur ’s avonds. Na The Warden nam ik Barchester Towers ter hand. Ik herinner het mij nog goed. In Leiden stapte ik in de trein, ik nam het kleine, rode boekje uit de binnenzak van mijn jas om er tot Rijswijk uit te lezen. Al spoedig was ik helemaal vergeten dat ik in de trein zat; mijn medereizigers moeten stellig gedacht hebben dat er een idioot naast hen zat want soms rolden tranen over mijn wangen. Tranen van het lachen (…). Ik las en las; eerst toen ik een vreemd gedaver hoorde kwam ik tot mij zelf. Ik keek op van Barchester Towers, ik zag glinsterend water, we reden over de Moerdijkbrug. Ik was domweg vergeten om in Rijswijk uit te stappen.

Ik kan het me goed indenken, toen ik hetzelfde boek onlangs las, zat ik ook diverse keren hardop te lachen – de poes op mijn schoot sprong van schrik een meter de lucht in. Trollope is scherp en onderhoudend en hij heeft een zeldzame gave om de lezer bij zijn verhaal te betrekken door uitdrukkelijke terzijdes, alsof hij je in vertrouwen neemt. Na een dramatisch incident met de heldin schrijft Trollope:

And now it is to be feared that every well-bred reader of these pages will lay down the book with disgust, feeling that, after all, the heroine is unworthy of sympathy. She is a hoyden, one will say.

Natuurlijk denk je dat niet als lezer, maar je bent deste sterker betrokken bij de gebeurtenissen door zo’n beroep op je inlevingsvermogen.

’t Hart heeft een Trollopeverslaving gehad, misschien nog wel, hij kon er niet van slapen dat hij na miljoenen woorden niet in staat was geweest om letterlijk alles van Trollope te lezen: een deel van zijn werk was niet meer te krijgen, ook niet tweedehands. Er bestonden wachtlijsten. Dat was een jaar of dertig geleden. Of het nu anders is, weet ik niet. Gopnik zegt dat er de laatste tijd meer studies over Trollope verschenen zijn dan de afgelopen honderd jaar en dat je in de Verenigde Staten al het werk kunt krijgen. Maar toen ik via mijn boekhandel het door Gopnik sterk aanbevolen The Three Clerks wilde bestellen, kreeg ik te horen dat dit onmogelijk was.

Wat mij trof bij Trollope is zijn ‘actualiteit’, als je dat zo mag noemen. Een paar jaar na de uitvinding van de fotografie, schrijft hij erover en maakt hij vergelijkingen tussen portretten die schrijvers maken en portretten die door fotografen worden gemaakt. Ook de nog betrekkelijk jonge spoorwegen zijn opvallend aanwezig in zijn werk. Zijn personages reizen met de gids van Bradshaw, het klassieke Britse treinboek dat vandaag de dag nog steeds een rol speelt in het onvolprezen BBC-programma over de Britse spoorwegen dat wordt gepresenteerd door oud-minister Michael Portillo. Maar ook Trollopes vrouwenportretten mogen er zijn. Ik geloof niet dat je de schrijver kunt verdenken van een overdreven sympathie voor vrouwen, maar veel van zijn vrouwelijke personages zijn geduchte characters. Mrs Proudie, de vrouw van de bisschop in Barchester, laat haar man als een schoothondje uit de hand eten en jaagt hem doodsangsten aan als haar iets niet bevalt. Ze is hem in alle opzichten de baas. Of de formidabele Mrs Lookaloft, die tot de hogere kringen probeert door te dringen, de dochters Stanhope, de weduwe Eleanor Bold. Er zit ongetwijfeld wat venijn in zijn portretten, maar van de brave, ingetogen huismoedertjes die 19e eeuwse vrouwen uit de middenklasse werden geacht te zijn, vind je weinig sporen bij Trollope. Barchester Towers is een roman over politiek, in het bijzonder kerkelijke politiek, de vrouwen zijn geen pionnen die over het schaakbord heen en weer worden geschoven, maar kundige, sluwe spelers die rechtstreeks bij de strijd om de macht betrokken zijn. Political operators, zoals John Kenneth Galbraith de romanfiguren noemt in het nawoord bij de uitgave van het boek in de Penguin English Library.

Maarten ’t Hart drukt het wat ongelukkiger uit, volgens hem draait alles bij Trollope om agressie, met name agressie zonder fysiek geweld, maar hij bedoelt daarmee gezichtsverlies en karakterkwesties, zegt hij ter toelichting. Ook politiek dus. Ik kan een eind meegaan met ’t Harts analyse van Trollopes werk – hoewel ik bij benadering niet zoveel gelezen heb als hij – maar betwijfel toch of zijn typering juist is. ’t Hart laat zien dat Trollope het menselijke verkeer beschrijft aan de hand van waarneembaar gedrag: dialogen, handelingen, gelaatsuitdrukkingen en ‘secundair’ materiaal als brieven. Je kunt er ook artikelen uit de krant bij noemen – met name belangrijk in Barchester Towers. De strijd om de macht wordt daar gedeeltelijk uitgevochten in de Jupiter, de krant die ongetwijfeld staat voor The Times. Op basis van die eigenschappen bestempelt ’t Hart Trollope als een soort oer-etholoog. Ik heb er begrip voor dat je iemand die je zo mateloos bewondert als ’t Hart doet, bij je eigen kamp wilt betrekken, maar Trollope als etholoog?

Trollope is een superieur waarnemer van menselijk gedrag, dat staat als een paal boven water, al heeft hij dan van seks en liefde geen kaas gegeten. Als Mr Harding om 9 uur op het Bisschoppelijke Paleis moet komen, laten ze hem anderhalf uur wachten – de slag is al hopeloos verloren. Ontmoetingen tussen de hoofdrolspelers zijn precies beschreven, inclusief de opstelling in de ruimte, of iemand zit of staat, of mensen elkaar aankijken of niet. Prachtig en voorbeeldig. Een etholoog waardig, maar net zo goed een etnograaf of sociaal antropoloog. Het is opmerkelijk hoezeer de sfeer van Trollope terug te vinden is in etnografische verslagen van Britse sociaal onderzoekers, de Britse sociale antropologie is vergeven van levensechte verslagen van politieke processen in kleine gemeenschappen over de hele wereld. De culminatie is misschien het werk van Fred Bailey: Stratagems and Spoils – het leven draait om wie er wint, met welke strategieën. Alles is politiek, of: parapolitiek. Politiek spel als kern van de Britse cultuur?

Maar wat ’t Hart volkomen over het hoofd lijkt te zien, is de innerlijke strijd die Trollopes personages moeten voeren, hun zielenroerselen, boosheid, teleurstelling, frustraties, verdriet. Ik begrijp dat aandacht voor die dimensie niet past bij een etholoog die stekelbaarsjes of mierenkolonies bestudeert, maar voor waarnemers van menselijk gedrag zijn gedachten en gevoelens van eminent belang. De immense woede van Mr Slope nadat hij (ook fysiek) door Mrs Bold is afgewezen, wordt door Trollope breed uitgemeten en zonder die informatie zou je als lezer niet of nauwelijks begrijpen waarom het verhaal op dat punt een beslissende wending neemt. Je kunt ook niet alleen aan de hand van dialogen of acties begrijpen wat de rol van de familie Stanhope in het geheel is. Trollope neemt de moeite om hun innerlijke drijfveren uitdrukkelijk te schilderen:

The great family characteristic of the Stanhopes might probably be said to be heartlessness; but this want of feeling was, in most of them, accompanied by so great an amount of good nature as to make itself but little noticeable to the world.

Magnifiek.

Hoe sympathiek ’t Harts bedoelingen misschien ook waren (of zijn), Anthony Trollope is een veel te scherp waarnemer en beschrijver om hem in het benauwde hokje van de ethologie te duwen.

 

illustraties
Anthony Trollope; bron: pe2.samondeo.com
Scéne uit BBC-film Barchester Chronicles; bron: bishopsreviews.wordpress.com