We hoeven ons niet op te winden over Turks vlagvertoon, schrijft journalist Frans Verhagen op de opiniepagina van NRC Handelsblad, 18 augustus 2016. Ik las het stuk en vergat het weer, totdat een tijdje later de krant een ingezonden brief over de kwestie plaatste. Wat precies de aanleiding was voor Verhagens bijdrage, is moeilijk te achterhalen. Turkse vlaggen, Turks nationalisme, vlaggende Nederlandse Turken, Turkse Nederlanders die zich politiek manifesteren, Turkse Nederlanders die al vlaggend hun nationale identiteit uitdroegen—al die omschrijvingen staan in het stuk, als argeloze lezer sta je ervan te kijken. Wat bedoelt de man? De bijdrage eindigt met een opwekking: we moeten toejuichen dat Nederlandse Turken zich politiek manifesteren, want (…) het gaat vanzelf over. Verwarring compleet. Bij mij, tenminste.

De strekking van Verhagens betoogje is (ongeveer) dat kersverse immigranten pas een nationalistisch gevoel ontwikkelen als ze zich eenmaal in het beloofde land hebben gevestigd—ze vormen daar een minderheid en hebben blijkbaar behoefte aan een identiteit waarmee ze zich van anderen kunnen onderscheiden. De auteur houdt ons de spiegel voor van de landverhuizers die naar de Verenigde Staten trokken, die zouden allemaal zo’n fase hebben meegemaakt. Hij noemt met name de Italianen, Duitsers en Ieren. Maar de vraag is of je die immigrantengroepen als maatgevend kunt beschouwen voor wat er destijds in de Verenigde Staten gebeurde en voor wat er anno nu met Turkse immigranten in Nederland aan de hand is.

In de jaren twintig, houdt de auteur ons voor, waren de miljoenen geëmigreerde Italianen net zo Amerikaans als de andere immigranten. De Italiaanse overheid, onder Benito Mussolini, probeerde de betrokkenheid bij Italië levend te houden, maar de geestdrift zou niet groot geweest zijn. Desondanks, noteert Verhagen een stukje verderop, waren ze trots op Mussolini: eindelijk zagen ze een leider die wereldwijd respect afdwong. Is dit de overeenkomst met de Turken in Nederland: zwaaien ze met Turkse vlaggen omdat ze trots zijn op Erdogan?

 

 

Ik waag het te betwijfelen. Ten tijde van de opkomst van Mussolini bevonden zich onder de geëmigreerde Italianen nog vele honderdduizenden die allerminst ‘Amerikaans’ waren, in de letterlijke betekenis van het woord: niet tot Amerikaan genaturaliseerd. De Italianen hadden een slechte naam, bij de laatste Immigratiewetten uit het midden van de jaren 1920 werd bepaald dat er jaarlijks slechts een paar duizend Italianen konden worden toegelaten; tussen 1900 en 1914 was dit aantal zo’n 200.000 of meer geweest. Amerika zou volgens de heersende machten een blanke samenleving moeten worden, bevolkt door bevolkingsgroepen uit Noordwest-Europa: Engelsen, Schotten, Duitsers, Scandinaviërs; Italianen en Oost-Europeanen, laat staan Afrikanen of Aziaten, hoorden daar niet thuis. De kleine boertjes en landarbeiders uit achterlijke delen van Italië werden niet alleen in verband gebracht met criminaliteit (de ‘Zwarte Hand’), maar golden bovendien als hinderpalen bij de integratie: vooral vrouwen weigerden Engels te leren spreken, modern onderwijs drong niet door. In bepaalde perioden waren de Italiaanse landverhuizers de groep waaruit de meesten weer naar het geboorteland terugkeerden—mislukt, ontmoedigd.

Het fascisme zorgde voor een aanzienlijk uittocht van fuorusciti, politieke vluchtelingen, ondanks Mussolini’s pogingen om de emigratie totaal te verbieden. De trots waarover Verhagen spreekt, gold dus zeker niet voor alle Italiaanse immigranten in de Verenigde Staten, integendeel, de onderlinge tegenstellingen werden in de jaren dertig op het scherp van de snede uitgevochten. In de Italiaanstalige pers, maar ook op straat. In New York vernielden groepen van zwarthemden de redactielokalen van Il Martello, de krant van de anti-fascistische ‘verzetsman’ Carlo Tresca. In vechtpartijen die na dit incident ontstonden, vielen doden en gewonden. Tresca werd in 1943 op straat vermoord door een sluipschutter, vermoedelijk onder invloed van Mussolini’s dure eed dat hij Tresca ‘zou krijgen’. Pas toen Il Duce Amerika de oorlog verklaarde, vond er een ingrijpende verandering plaats in de Italiaanse gemeenschap: niemand waagde het nog om openlijk achter het fascisme aan te marcheren. Er werden maar een paar honderd Italianen geïnterneerd als vertegenwoordigers van een ‘vijandelijke natie’—als contrast: vrijwel alle Japanners verdwenen naar interneringskampen.

Volgens Verhagen namen latere generaties Italianen een symbolische etniciteit aan; dat zou een identiteit zijn die je naar believen aantrekt en uitdoet. Hebben de vlaggende Turken in Nederland ook zo’n identiteit? De auteur spreekt zich er niet uitdrukkelijk over uit, maar doet de suggestie dat dit inderdaad het geval is. Kun je alle immigrantenstromen over één kam scheren? Maken ze allemaal dezelfde fasen door? Is dat de reden waarom Verhagen beweert dat ‘het’ vanzelf over gaat?

 

 

Tja, alles gaat vanzelf over, als je maar lang genoeg wacht. Maar het begrip symbolische etniciteit dekt die lading niet. Veel theoretische beschouwingen over immigratie hebben een ‘lineair karakter’, in Amerikaanse vakkringen ook wel straight-line theories genoemd. De gedachte komt voort uit het aloude ideaal van de melting pot, de smeltkroes. Immigranten maken een proces van acculturatie en assimilatie door met als eindpunt de vlekkeloze opname in de cultuur van de ontvangende samenleving—etnische groepen lossen op in de omgeving. Maar deze stelling miskent de verschillende aard van etnische groepen. Joden vormen een religieuze minderheid, Ieren of Zweden een nationale minderheid, terwijl Italianen, Polen, of Duitsers naar het beloofde land trokken toen Italië, Polen of Duitsland nog nauwelijks als zodanig bestonden. Al die verschillende soorten identiteit vormen tezamen geen smeltkroes, eerder een mozaïek.

De lineaire benadering houdt ook geen rekening met wisselende identiteiten. Onder immigrantengroepen in de Verenigde Staten komt het dikwijls voor dat een uitgesproken etnische identiteit pas aan de oppervlakte komt in latere generaties–dat zou je een ‘terugval’ kunnen noemen: twee stappen vooruit en dan opeens weer achteruit. Het begrip symbolische etniciteit is ontwikkeld door de Amerikaanse socioloog Herbert Gans, eind jaren zeventig. Hij bedoelt er nieuwe vormen van etniciteit mee: latere immigrantengeneraties hebben geen directe banden meer met het land van oorsprong en weten er ook nog maar weinig vanaf, ze zoeken manieren om zich individueel te onderscheiden (individualistic ethnicity) zonder dat ze zich door de ‘ouderwetse’ en ‘achterhaalde’ vormen van gedrag en denkwijzen–in casu die van hun ouders en grootouders–laten belemmeren.

Zo gezien is het etiket dat Verhagen plakt op het gedrag van Turken in Nederland (gesteld dat we zouden weten wat hij nou eigenlijk bedoelt) nogal voorbarig. Het agressieve vlagvertoon van sommige Turken in Amsterdam-West is niet zo vrijblijvend en individualistisch als de auteur misschien graag zou willen. Er staat wel degelijk een manier van leven op het spel—in Turkije woedt een burgeroorlog en die strijd is overgeslagen naar etnische buurten in Duitse en Nederlandse steden. Het gaat niet om identiteiten die je als een luchtig jasje kunt aan- of uittrekken, het gaat om leven of dood.

 

illustraties
Optocht Turkse vlaggen; bron: nos.nl
Frans Verhagen, journalist; bron: www.nrc.nl
Turske vlag; bron: nos.nl