Joan Didion zocht naar een adres, ergens langs een landweg tussen New Orleans en Biloxi. Onvindbaar. Er viel een tropische stortbui uit de lucht. Schuilen? Een pijl wees de weg naar een slangenkwekerij. Achter op het terrein stond een gammel schuurtje: The Reptile House. Er liepen kippen rond, de grond was doorweekt. Overal lege bierblikjes. Smerige troep. Er zaten wat kleine aapjes en grote boaconstrictors in kooien, ook een paar ratelslangen. Op een lege doos stond copperhead. Er stonden nog wat andere mensen te schuilen tussen de slangen. Een paar meter verderop, in een modderpoel, krioelden kaaimannen. Een  bord verwees naar de Snake Pit. Didion leunde op de lege doos en luisterde vol ontzag naar de regen die sissend op de schuur uiteenspatte. Plotseling drong het tot haar door dat het gesis niet van buiten kwam, maar uit de doos. Ze keek nog eens goed: onder in de doos zat wel degelijk een copperhead. Springlevend. De regen kon nog wel eeuwig duren, maar hier moest ze meteen weg. Ze rende naar de auto en gleed uit in de modder. I had an instant of irrational panic, herinnert ze zich, that there were snakes in the mud and all around me.

 


Copperhead

Het incident is te vinden in Didions zojuist verschenen South and West (New York, Knopf). Een opmerkelijk boekje, iets meer dan 100 bladzijden. Geen roman, geen journalistieke reportage, geen reflectie op crises in haar leven, maar een verzameling aantekeningen uit het begin van de jaren 1970, toen ze met haar echtgenoot in een huurauto door Louisiana, Alabama en Mississippi trok. Ze had een min of meer vaag idee over het waarom. In ‘haar’ Californië trof ze vaak mensen die afkomstig waren uit het diepe Zuiden, om het Westen beter te begrijpen zou een studie van het Zuiden dus behulpzaam kunnen zijn. Ze begon in New Orleans en reed min of meer improviserend naar boven. Via Gulfport naar Biloxi en Demopolis in Alabama, via Meridian naar Oxford in Mississippi. Birmingham, Clarksdale, Tuscaloosa, Grenada: kriskras door de roemruchte Mississippi Delta. Aantekeningen van objecten onderweg, van de ‘sfeer’, maar vooral ook van dialogen die ze hoort, gesprekken die ze voert en af en toe een reflectie over wat dit alles zou kunnen betekenen.

Je kijkt bij de schrijfster in de keuken. Nathaniel Rich heeft het in zijn voorwoord, dat bij wijze van recensie ook in The New York Review of Books verscheen, over een kijkje in de ‘porseleinfabriek’. Dat klinkt inderdaad beter. Didion’s notes, zegt hij ter toelichting, surpass in elegance and clarity the finished prose of most other writers. De verse notities kwamen op losse blaadjes terecht die ’s avonds werden uitgewerkt. Zoals bij al haar reportages en projecten, hield ze een dossier bij met knipsels uit de krant, losse artikelen die ze verzamelde en alles wat je op zo’n expeditie van belang lijkt. De werkwijze is bekend, ik heb zelf ook altijd op die manier gewerkt en heb vele honderden bladzijden ‘journaal’ volgeschreven met indrukken, vragen, suggesties, inzichten, voorlopige conclusies, dikwijls frustraties. Mijn aantekeningen stonden vol met taalfouten, in grote haast gemaakt en zelden of nooit verbeterd. Hoe dat met Didion zit, weet ik niet, maar South and West is in ieder geval vlekkeloos en sophisticated.

 


Joan Didion omstreeks de tijd van haar tocht door het Zuiden

In New Orleans in June the air is heavy with sex and death, not violent death but death by decay, overripeness, rotting, death by drowning, suffocation, fever of unknown etiology. Waarom ze hier naartoe ging, schrijft ze in haar notities, weet ze eigenlijk niet: er was geen journalistieke noodzaak, er ‘gebeurde’ niets, geen opzienbarende rechtszaken, opstanden, rassenrellen, not even any celebrated acts of God. Die afwezigheid van een duidelijke aanleiding bood Didion vermoedelijk juist de mogelijkheid om zich te concentreren op ‘gewone’, alledaagse routines, op banale conversaties, op flarden van gesprekken. Wat haar steeds opvalt is de koortsachtige obsessie met ras, klasse, afkomst, stijl en de afwezigheid van stijl. Volstrekt anders dan in de ‘beschaafde’, kosmopolitische kringen van de grote stad, waar kinderen geleerd wordt om etnische onderscheidingen te negeren; alle mensen zijn gelijk en je moet tegen iedereen beleefd zijn. Dat ‘verleden’ is in het Westen verschoven van het harde bestaan naar etherische, esthetische zaken: bewondering voor antiek, oude schilderkunst, dat soort zaken. In het Zuiden is het verleden luidruchtig aanwezig en de afkeer die stedelijk Amerika daartegen aan de dag legt, brengt zuiderlingen alleen maar dichter bij elkaar. Als Didion een gesprek voert over de wens van jongeren om het Zuiden te verlaten, hoort ze dat daar inderdaad sprake van is. Nothing here for the kid with an engineering degree, zegt haar gesprekspartner, and of course the girls go where they marry. Southern girls are notoriously husband hunting, but I guess that’s the same anywhere. Didion denkt: als ik hier zou moeten leven was ik een excentrieke buitenstaander en zou ik vol opgekropte boosheid zitten. Hoe zou die woede zich uiten? Zou ik me inzetten voor een goede zaak of zou ik gewoon iemand vermoorden? De rasrelaties zijn aan het veranderen, krijgt ze te horen: iemand met een loodgieterbedrijf had altijd gezegd dat hij geen zwarten kon aannemen omdat je zulk personeel nou eenmaal niet naar iemands huis kon sturen. Nu is er geen blanke loodgieter meer te krijgen. I’m not saying I’m going to have a black minister come home for dinner tonight, ‘cause I’m not. But things are changing.

 


Oude plantagewoning in Oxford, Mississippi

Iedereen in het Zuiden weet hoe de verhoudingen liggen en niemand schaamt zich ervoor daar openlijk over te praten. Het wekt juist wantrouwen als je er niets over zegt. Didions aantekeningen dateren van vijftig jaar geleden. Wat is er in de tussentijd gebeurd? Al lezend vergeet je dat tijdsverschil, ik betrapte me daar voortdurend op. En dat is precies wat ook Nathaniel Rich onderstreept: het zuidelijke referentiekader is niet verdwenen, wat iedereen altijd had gedacht. Integendeel: it has annexed territory in the last four decades, expanding across the Mason-Dixie Line into the rest of rural America. Het is een mentaliteit die wortel geschoten heeft bij mensen die heimwee hebben naar vervlogen tijden toen mannen zich bezighielden met jagen en vissen en vrouwen met het huishouden en zich mooimaken. De vanzelfsprekendheid dat witte mensen boven zwarten en immigranten zijn gesteld, dat het land geregeerd wordt door corrupte politici, dat de Bijbel het leven en de natuur beter kan verklaren dan Charles Darwin, dat abortus uit den boze is. Trumps achterban, ten voeten uit.

From a Notebook, luidt de ondertitel van South and West. De aantekeningen zijn niet verder gekomen dan het opschrijfboekje, Didion heeft er nooit iets mee gedaan.

 

naschrift:
In The New York Review of Books van 11 mei 2017 reageert Wendell Berry op Nathaniel Rich. Berry is boos, maar in zekere zin bevestigt hij de strekking van de recensie. Het is niet alleen uit nostalgie naar het verleden dat zich een verzuidelijking van het Amerikaanse platteland heeft voltrokken: het proces is een direct gevolg van kolonisering door conservatieve Republikeinen. Er is sprake van een koloniale economie. The business of America has been largely and without apology the plundering of rural America from which everything of value–minerals, timber, farm animals, farm crops, and ‘labor’–has been taken at the lowest possible price. De overwinning van Trump is dus niet alleen maar toe te schrijven aan het zuidelijke racisme, seksisme en andere gebreken. Rich antwoordt dat degenen die het meest te lijden hebben gehad niet de landelijke ‘arme blanken’ zijn, maar stedelijke immigranten en zwarte Amerikanen en juist aan die categorieën heeft Trump zijn overwinning niet te danken.

 

illustraties:
Plantagehuis in Oxford, Miss; bron: oxford.miss
Joan Didion; bron: independent.co.uk en huffingtonpost.com
Copperhead; bron: printerest.com