Opwinding op de vierkante millimeter – het soort opwinding dat het Nederlandse publieke debat zo’n provinciaals incrowd-karakter geeft. Een kunstenaar te Zwolle, Nelle Boer, geeft zich (schriftelijk) uit voor de Marokkaanse intellectueel Nizar Mourabit en plaatst onder die naam enkele ingezonden bijdragen in dagbladen en op websites. Het personage wekt blijkbaar geen wantrouwen en zijn bijdragen worden met instemming gelezen en geciteerd door befaamde stukjesschrijvers. Au! Nadat Boer zijn bedrog zelf bekend heeft gemaakt – in De Correspondent, u weet wel, die van de ‘nieuwe journalistiek’ – volgt verontwaardiging en veroordeling. Het is kennelijk niet leuk om slachtoffer te worden van een practical joker. Zo’n dupe is bij voorbeeld Stephan Sanders, die in NRC Handelsblad veel ruimte vraagt om lucht te geven aan zijn afkeer van dit ‘kruimelcrimineeltje’, een ‘fraudeur die obsessief om aandacht jengelt’. De ‘ombudsman’ van diezelfde krant (wat een curieuze functionaris!) heeft een halve pagina nodig om uit te leggen dat je je als krant niet tegen dit bedrog kunt wapenen. ‘Een opinieredactie werkt op basis van vertrouwen en kan er niet standaard vanuit gaan dat mensen misschien liegen over wie ze zijn’. Meneer Boers actie was een doorslaand succes.

Helemaal bont maakt Femke Halsema de kwestie door de bedrieger in één adem te noemen met John Howard Griffin en Günter Wallraff. De eerste liet zich bij een dermatoloog ‘zwart’ maken en baarde opzien toen hij in 1961 het boek Black Like Me publiceerde – het verslag van een zwarte man die door het Zuiden van de Verenigde Staten reist en de praktijk van alledag aan den lijve ervaart. Hij introduceerde het begrip hate stare, de blikken vol haat en afkeer waarmee hij op straat regelmatig bejegend werd. Hij had zich dat als blanke, zelfs in de verste verte, nooit gerealiseerd. Wallraff gaf zich uit als Turkse gastarbeider en werkte als zodanig in diverse Duitse fabrieken. Hij schreef in 1985 het boek Ganz unten, waarin zijn ervaringen met discriminatie en dubbele moraal breed werden uitgemeten.

Het werken under cover is een bekende methode om aan ‘levensecht’ materiaal te komen – je zou kunnen zeggen dat deze manier van onderzoek afstamt van het aloude spionnenwerk, ongemerkt gegevens verzamelen over ontwikkelingen bij bepaalde bevolkingsgroepen. Met name in de antropologie en sociologie, maar veel eerder al in de literatuur en journalistiek, staat deze vorm van onderzoek hoog aangeschreven – alleen al omdat het geen sinecure is om langere tijd onder te duiken bij vreemd, soms vijandig volk. Om dezelfde reden wordt de methode ook verguisd: er is geen controle mogelijk op de verkregen gegevens, wetenschappelijke objectiviteit en neutraliteit zijn dikwijls ver te zoeken. Eerder schreef ik op deze plek al eens over de beroemde studie When Prophecy Fails, waarbij een aantal onderzoekers zich ‘als gelovigen’ had aangesloten bij een religieuze groep, waar met spanning werd gewacht op de ondergang van de wereld die de leider had aangekondigd. Soms is de methode praktisch onhaalbaar. Ik kan me de Zweedse antropoloog Ulf Hannerz herinneren die onderzoek verrichte in het zwarte getto van Washington, DC. Hij schreef er een klassieke studie over, Soulside, maar hij kon voor zijn onderzoek nooit ‘onderduiken’: zijn lange gestalte en bijna witblonde haar waren van kilometers afstand te zien in de buurten waar hij rondscharrelde, bovendien gaf zijn vette Zweedse accent hem altijd weg. Maar juist door zijn zichtbaarheid en exotische kwaliteiten werd hij vermoedelijk getolereerd: om zo’n gek kon je tenminste nog eens lachen en hij zou zeker nooit iets te weten komen wat de moeite waard was. Hannerz heeft me overigens wel eens verteld dat hij wel degelijk zware risico’s gelopen heeft en dat hij zich tien keer zou hebben bedacht als hij die van te voren geweten had.

Under cover-onderzoek beleefde een bloeiperiode in snel groeiende steden, het negentiende eeuwse Parijs, Londen, Wenen, Berlijn, New York, Chicago: met miljoenen stroomden immigranten toe, vreemd volk uit verre streken. Vertegenwoordigers van de gezeten burgerij waren angstig geïnteresseerd in de ‘horden’ die hun steden bevolkten. Social explorers werden de onderzoeksjournalisten genoemd, sociale ontdekkingsreizigers die net als ontdekkingsreizigers in Afrika en Azië onbekende continenten in kaart brachten. In Engeland was Charles Dickens een inspirerend voorbeeld, in zijn tijdschrift Household Words werden veel reportages afgedrukt. James Greenwood reisde mee met daklozen en zwervers; hij kleedde zich in vodden, nam zijn bezittingen mee in een bundeltje op zijn rug: doing in Rome as the Romans do. Mary Higgs werd tramp among tramps in haar pogingen uit vinden waarom de armenhuizen niet naar behoren functioneerden. Ook George Sims had zich vermomd voor zijn onderzoek naar het ‘entertainment’ van de onderwereld (kroegen, music halls, theaters), maar zijn masker werd regelmatig doorzien. Als hij zich ergens vertoonde werd er hottentot geroepen, een waarschuwing dat er een vreemde ronddwaalde.

Ook in Nederland werd – op bescheiden schaal – gebruikt gemaakt van de ‘spionnenmethode’: de schrijver Israël Querido huurde een kamer in de Jordaan om van daaruit de buurt te leren kennen – gegevens die hij verwerkte in zijn omvangrijke Jordaancyclus, romans waar je tegenwoordig vrijwel niet meer doorheen komt. In de prille Nederlandse sociologie werden er soms pogingen gedaan om in ‘exotische’ groepen onder te duiken, zoals Dolly Huberts die in de vooroorlogse jaren bloemen stond te verkopen voor het Centraal Station in het kader van haar onderzoek naar het bestaan van straatventers. Het bekendst is vermoedelijk de studie van de jong gestorven Henk Dijkhuis: Vijftig dagen in een Jordaans kosthuis. Mijn vriend en oud-collega Frank Bovenkerk en ikzelf hebben een pakkend verslag geschreven van dit onderzoek, al zeg ik het zelf, en hebben de doctoraal scriptie van Dijkhuis (waarschijnlijk tevergeefs) uit de vergetelheid trachten te redden in onze bundel De rafelrand van Amsterdam (1977) – inmiddels zélf in de vergetelheid omgekomen.

Waarom deze uitweiding? Vooral, denk ik, om te laten zien hoe absurd het is om het bedrog van Boer op welke manier dan ook in verband te brengen met deze vruchtbare en eerbiedwaardige onderzoekstraditie. Boer is in geen enkel maatschappelijk verschijnsel geïnteresseerd, heeft geen risico genomen, niets onderzocht, geen inzicht ontwikkeld, niets van waarde achtergelaten. Het schijnt dat Boer wilde ervaren hoe het was om Marokkaan te zijn. In zijn veilige kunstenaarshuisje in Zwolle, achter de computer, te gek voor woorden.

In De Correspondent werd nog een poging gedaan de opbrengsten van het bedrog te rechtvaardigen:

De vraag is natuurlijk: wat leert het experiment van Boer ons? Naast het feit dat het moeilijk is om als Marokkaan niet automatisch ook ‘als Marokkaan’ te worden aangesproken, legt het vooral een medialogica bloot. Ten eerste: de druk om snel en veel te publiceren gaat ten koste van de zorgvuldigheid en het natrekken van een verhaal. Mourabit werd nagenoeg overal zonder veel vragen aan een podium geholpen. Ook opvallend is het sneeuwbaleffect: iedere redactie viel daarbij terug op de autoriteit van degenen die hem eerder een platform gaven. Media volgen elkaar in die zin vaak blindelings.

Ik heb geen speciale behoefte om spelbreker te zijn bij dit gezellige journalistieke onderonsje, maar ik vrees toch dat ‘het experiment Boer’ ons helemaal niets geleerd heeft. Gebakken lucht is het, flauwekul. Tja, misschien als je belangstelling zou hebben voor de diepere roerselen van een ontspoorde kunstenaar uit Zwolle – maar dat lijkt me meer iets voor de zieleknijpers onder ons.

 

PS
Op 13 december 2014, om 01.54 uur, kreeg ik de volgende reactie van Nelle Boer. Een voordeel van internet: je kunt actueel blijven… ik druk het bericht ongewijzigd af. Ik heb de heer Boer geantwoord, maar op je eigen website hoef je niet altijd het laatste woord te hebben.

Geachte meneer Brunt,
bij het speuren naar berichten over mijn kunstproject ‘Nizar Mourabit’, dit om mij te kunnen voorbereiden op het zoveelste interview met de zoveelste geïnteresseerde journalist, trof ik de column ‘Under cover’ aan op uw blog.  De eerste alinea is sterk, dan verliest u met name de feiten, maar schijnbaar ook uw doel uit het oog. Is mijn kunstproject in beginsel nog een ‘doorslaand succes’, aan het eind van uw betoog is het een ‘gezellig journalistiek onderonsje’.
Zoals voor zoveel gemankeerde columnisten – als socioloog doet u vast steengoed werk – geldt ook voor u dat het aan de haal gaan met de werkelijkheid niet alleen noodzakelijk is om toch tenminste aandacht te krijgen, maar ook dat zo’n tactiek uiterst doeltreffend is. U heeft vast anderen kunnen overtuigen dat uw column het onderwerp het meeste recht doet, zelfs terwijl u opzettelijk een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid geeft. “Wie is Nelle Boer om mij de maat te nemen wanneer het over eerlijkheid gaat”, hoor ik u denken. Dat is omdat ik veel van mijzelf in u herken, keiharde leugenaars dat we beiden zijn.
Dat u zich in uw column heeft geopenbaard als iemand die denkt dat zijn mening over kunst telt, daar zet u zich nog het meest mee voor schut. U bent een van die dwazen die denkt dat wat u over een kunstenaar of over diens werk beweert een bijdrage levert aan een ten diepst artistiek debat. Niet bepaald uw terrein. Wat u ook denkt te moeten menen, het zal niets veranderen aan wat het kunstwerk opleverde of aan het werk zelf. Daar heeft u niet de minste invloed op, hoezeer u dat ook verlangt. De effecten die ‘Nizar Mourabit’ teweeg heeft gebracht, daar staat u buiten.
Maar wat u naar aanleiding van uw column nog het meest aan te rekenen is, is uw moedwillig ontkennen van het belang van hetgeen dit kunstproject aantoont. U geeft aan dat het ‘gebakken lucht is’ en ‘flauwekul’. Dat Marokkaanse Nederlanders gediscrimineerd worden wordt door u gekenmerkt als iets dat nu eenmaal een feit is, als niet van belang om als onderwerp van een kunstproject te dienen. Het zegt meer over u dan over mijn werk.
Nelle Boer