Alexey klopt aan bij een pension in het Londense Barking, aan de North Circular. Hij is illegaal in Engeland, afkomstig uit Rusland, spreekt nauwelijks Engels. De matron drijft haar pension, een kleine gemeentewoning, met harde hand. Zelf woont ze met man en kind op een zijkamertje, de rest van het huis, een zitkamer, lage plafonds, twee slaapkamers, ligt bezaaid met matrassen. Veertien gasten heeft ze, één toilet. Wie de huur niet op tijd betaalt, kan onmiddellijk opkrassen. Overdag slapen er mannen uit de nachtdienst. Bijna iedereen is Roemeen, ook de pensionhoudster zelf. Ze vertelt Alexey in een paar woorden alles wat hij moet weten over Barking: Alle Engelsen zijn vertrokken, er zijn er nog maar een paar over. Wat je in deze plaats vindt zijn alleen maar Indiërs, Afrikanen en Roemenen. De Engelsen geven niks om hun land, ze wonen allemaal in Spanje en liggen op het strand in de zon en worden vet van de uitkeringen die ze gratis krijgen van hun regering. Als je hier werk vindt, krijg je te maken met Polen en Lithauers. Snap je? Het is geen makkelijk land’.

Als Alexey iets langer in het pension verblijft, begint het tot hem door te dringen dat het huis vol kakkerlakken zit. Hoe lang kan het nog goed gaan met dit logement? Op de rottende vensterbanken en raamkozijnen zit nauwlijks meer verf, het schuim dat in de kieren is gespoten houdt geen zuchtje tocht tegen. Als iemand vertrekt wordt zijn beddegoed zonder te wassen aan zijn opvolger doorgegeven, de wanden en vloeren in badkamer en toilet zijn zwart van een schimmel die zich na iedere wasbeurt verder over het huis verspreidt.

De Roemenen zijn overwegend bouwvakkers, maar pakken iedere klus aan. Eén van hen schroeft de hele dag zonnepanelen op een betonnen muur, hij heeft geen idee waar het is en waarom hij het doet. Met busjes worden de mannen opgehaald bij een verzamelplaats en naar hun werkplek voor de dag gebracht. Alexey krijgt van de President voorlichting over Engeland—hij heeft zijn bijnaam gekregen door zijn vaste voornemen om President van Roemenië te worden, om het land vervolgens voor veel geld aan Poetin te verkopen. De Engelsen zijn ontzettend lui, vertelt hij. Ze werken als debielen, ze zeggen dat ze niet meer dan zeven stenen per uur kunnen metselen, geloof het of niet. Hij vervolgt: Er is iets met die Engelsen gebeurd, ze lijken doodziek, hun huid is afgestorven en ze zien grauw van de drank. Ze nemen zelf de makkelijke baantjes en bewaren de rotbaantjes voor ons, maar de meesten werken niet eens. De President verklaart dat hij alles haat in Engeland—het weer, de kou, de lelijke vrouwen, de nikkers die je overal tegenkomt, de prijzen. Alleen geld bevalt me.

Alexey heeft gelogen, zijn echte naam is Ben Judah, een Londense journalist. Hij heeft jaren in het buitenland gewerkt—bij terugkomst in zijn geboortestad geloofde hij z’n ogen niet: in korte tijd was Londen radicaal van karakter veranderd. Niet alleen stedenbouwkundig, maar vooral ook van bevolkingssamenstelling en mentaliteit. In zijn weergaloze This is London. Life and Death in the World City, net verschenen bij uitgeverij Picador, doet hij uitvoerig verslag. Hij trok erop uit. In het voetspoor van John Betjeman naar Metroland—waar hij rondliep in het vroegere ‘suburbia’ van plaatsen als Neasden en Ilford—maar ook dichterbij in Knightsbridge, Berkeley Square, Newham, Hammersmith, Peckham, Edmonton, Harlesden. Ik draag mijn leugen, zegt Judah, een versleten blauwe puffa met een kraag van namaakbont, een grijze hoodie met rafelige mouwen, een zwarte Puma trainingsbroek en vlekkerige bruine schoenen. Ik herhaal mijn leugen keer of keer en als ze wantrouwig worden, verzin ik grotere leugens.

Judah maakt er niet veel woorden aan vuil: wil je doordringen tot illegalen, criminelen, of in het algemeen mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats, dan kun je maar beter verzwijgen dat je journalist bent en dat je materiaal verzamelt voor een boek. Wie ook maar een beetje ‘afwijkt’, wordt gezien als politieman of spion en met zulk volk praat je nu eenmaal niet. This is London is een rauw verslag, vers van de lever, grotendeels in de taal van de straat. Als lezer weet je niet hoe vaak de verslaggever undercover heeft gewerkt en waar precies, zo’n soort boek is het niet. Maar hij heeft materiaal verzameld dat je nooit van z’n leven met een vragenlijst of formele interviews boven water zou hebben gekregen.

Zolang je niemand schade berokkent, zou ik zeggen, is zo’n onderzoeksstrategie van harte aan te bevelen. De geschiedenis van de journalistiek kent trouwens talloze succesvolle voorbeelden van undercover-onderzoek, in het negentiende eeuwse Londen was niet alleen Charles Dickens actief, maar ook Henry Mayhew en een reeks anderen die wel worden aangeduid als social explorers. Verschillende van hen trokken erop uit zoals Judah, vermomden zich als bedelaars of muzikanten, sliepen in pensions en werkten in de haven en konden een kant van Londen laten zien waar geen enkele vertegenwoordiger van de ‘gevestigde orde’ ooit in de buurt was geweest.

Uit de krant begreep ik dat er controverse is ontstaan over een soortgelijk onderzoek dat door journalist Maarten Zeegers is verricht in de Haagse Transvaalbuurt. Negentig procent van de buurtbewoners is van buitenlandse komaf en driekwart is moslim. Als Arabist en kenner van Syrië kostte het hem geen moeite zich als moslim te presenteren, vooral niet nadat hij ook een baard had laten groeien. ‘Het voelde als een warm bad’, merkte Zeegers op, die eerder als autochtone man een vreemde eend in de buurt was geweest. Als moslim kwam hij overal binnen en kon zodoende doordringen in de plaatselijke verhoudingen en iets voelen van de onderlinge spanningen tussen verschillende versies van de Islam. Wat hij ook ziet, en zijn vinding komt scherp overeen met die van Judah in Londen, is een buurt als een soort eiland dat weinig meer met Nederland te maken heeft. Er wordt een wig gedreven in de samenleving en in Transvaal zag ik dat die samenleving langzaam aan het splijten is (NRC Handelsblad, 23 en 24 april 2016).

Collega-arabist Anna Krijger reageerde een paar dagen nadat het interview met Zeegers in de krant had gestaan (NRC Handelsblad, 26 april 2016). Ze had bij de interviewer verontwaardiging verwacht over de door Zeegers gebruikte methode van undercover-onderzoek, Als journalist dien je met open vizier te werk te gaan, schrijft ze, de ondervraagde heeft het recht om te weten met wie hij of zij te maken heeft. De informatie die Zeegers heeft verzameld, vindt ze interessant maar niet opzienbarend (‘bij velen bekend’) en daardoor heeft de onderzoeker juist bijgedragen aan het wantrouwen dat hij beschrijft. In ongeveer dezelfde bewoordingen keurt André Harris de studie van Zeegers af in de Volkskrant (27 april 2016). Hij spreekt de banvloek uit: volkomen onethisch.

Curieus, zoiets. Kan Krijger (of Harris) wijzen op eigen of andermans onderzoek waaruit de mate van wantrouwen en ‘verzuiling’ naar voren komen die Zeegers laat zien? Ze noemt geen voorbeelden, ik ben bang dat ze die dan ook niet heeft. Keer of keer zijn er moedige journalisten die een terra incognita betreden om verslag te doen van wat zich daar voordoet, inderdaad ‘sociale ontdekkingreizigers’ die soms met gevaar voor lijf en leden gegevens boven water halen die ons inzicht in maatschappelijke verschijnselen aanzienlijk kunnen aanscherpen. Keer op keer zijn er ook weer morele ondernemers als Krijger en Harris die zich uit naam van vage waarden daartegen uitspreken. Gelukkig zullen onderzoekers als Zeegers of Judah zich door zulke geluiden uit de achterhoede nooit laten weerhouden om hun werk voor te zetten.

 

illustraties:
Ben Judah; bron: ecfr.eu
Illegale immigranten betrapt door politie; bron: www.volkskrant.nl
Maarten Zeegers; bron: www.volkskrant.nl