De ene na de andere grote schrijver ontvalt ons in 2018. Eerder al Tom Wolfe en Philip Roth, nu ook V.S. Naipaul. Steunpilaren van onze beschaving. Je kunt het je bijna niet voorstellen, schrijvers zijn immers onsterfelijk. Deze drie helemaal, ze waren buitengewoon productief, ieder een oeuvre van tientallen boeken. Veelzijdig bovendien: journalistiek, romans, literaire non-fictie, autobiografie, essays. Van de overledenen niets dan goeds, maar ik moet bekennen dat ik de minste verwantschap voel met Naipaul. Misschien door zijn karakter, presentatie, opvattingen, maar misschien ook (mede) door de aard van zijn werk.

De laatste jaren heb ik weinig meer van hem gelezen, maar ik heb, bij voorbeeld, zijn reisverslagen over India altijd goed gevolgd. Hij riep bij mij ambivalente gevoelens op. Uit An Area of Darkness herinner ik me bij voorbeeld zijn nauw verholen irritatie over het feit dat Indiërs overal in de publieke ruimte poepen en piesen. Kijk, de bebrilde patriarch in Madras op zijn avondwandeling langs de Universiteit op de Marina, schrijft Naipaul, zonder waarschuwing haalt hij zijn dhoti op en ontbloot zijn achterste, alleen met een touwtje als G-string; hij gaat zitten, piest op het trottoir, gaat op zijn gemak staan, zijn dhoti nog steeds opgetrokken, schikt zijn G-string, laat de dhoti zakken en vervolgt zijn wandeling. Het is een populaire avondwandeling, deze Marina, maar niemand kijkt, geen gezicht wordt afgewend in plaatsvervangende schaamte.

Het is een voorbeeld uit velen, want, zoals Naipaul zegt: Indiërs poepen overal, meestal langs de spoorrails, maar ook op het strand, in de heuvels, op de rivieroevers, op straat. They never look for cover. Het is evidente flauwekul en denigrerend, maar het duidt ook op smetangst—het is daar vies, in India, bah. Een vertekening die niet veel vertrouwen inboezemt in iemands vermogen om de werkelijkheid met gepaste afstand te benaderen. Ook zijn visie op de Indiase geschiedenis heb ik altijd nogal dubieus gevonden, om het maar zacht te zeggen. De onafhankelijkheidsstrijd was een strijd tegen de Britse koloniale overheersers, zegt Naipaul, maar dit zou de aandacht hebben afgeleid voor wat er in India was aangericht voordat de Britten op het toneel waren verschenen, the independence movement was like religion; it didn’t see what it didn’t want to see.

Eveneens evidente flauwekul, maar gevaarlijker: hier is een verhulde Hindoefundamentalist aan het woord. For more than six hundred years after 1000 AD, licht Naipaul toe, the Muslim invaders had ravaged the subcontinent at will. They had established kingdoms and empires and fought with one another. They had obliterated the temples of the local religions in the north; they had penetrated deep into the south and desecrated temples there. Precies zo’n vervormde interpretatie van de geschiedenis leidde er in het begin van de jaren 1990 toe dat Hindoefanatici de Babri Masjid—de moskee van Babar—in Ayodhya met grof geweld tot een ruïne transformeerden, met dood en verderf op grote schaal tot gevolg. De anti-moslim rellen van begin deze eeuw in Gujarat, waarbij vele doden en gewonden vielen en talrijke moslims hun hebben en houden verloren, waren een vervolg op dat treurige verhaal. Volgens velen heeft Narendra Modi, die destijds de premier van de deelstaat was—nu van heel India—daarbij een smerige rol gespeeld. Ik zeg het er maar meteen bij: Naipaul was er uiteraard op geen enkele manier bij betrokken, laat staan dat hij er op enigerlei wijze verantwoordelijk voor zou zijn. Ik signaleer alleen zijn ideologische vooringenomenheid.

 


Vooringenomen.

Naipaul was een autoritaire mopperkont en in bepaalde opzichten een bijzonder onaangenaam mens. Op zichzelf hoeft dat een positieve waardering voor zijn geschriften niet in de weg te staan, maar toch heb ik altijd een zekere emotionele distantie tot zijn werk gevoeld, in het ene boek meer dan in het andere. Ik vond mijn houding terug in het oordeel van Diana Athill die Naipaul niet alleen persoonlijk, maar ook als auteur jarenlang van dichtbij heeft meegemaakt, ze was de redacteur van uitgeverij André Deutsch waar Naipaul zijn eerste tien boeken publiceerde. His books, especially his novels are coloured—or perhaps I should say ‘discoloured’—by the lack of what used to be called animal spirits. They impress, but they do not charm. Iets dergelijks zegt ook Paul Theroux, eveneens een groot kenner van Naipaul’s persoonlijkheid en werk en ooit een intieme vriend. Some of his books are excellent, even prophetic and wise, and others are unreadable and silly. Sommige recensenten spreken over de ‘geniale schrijver’ en over ‘meersterwerken’—ook in de overlijdensberichten kom je dat weer overvloedig tegen—maar zeker zijn laatste werk is vreemd en vér onder de maat.

 


Diana Athill: discoloured.

Naipaul was geen ‘bestseller’ auteur, hij was vooral bekend in kringen van goed geïnformeerde lezers die het schrijven als een vorm van kunst beschouwen. Athill haalt de woorden aan van een belezen vriendin: I’m sure he’s very good, but I don’t feel he’s for me. Velen dachten zo over Naipaul. Een mogelijke reden is dat hij absoluut geen belangstelling had voor vrouwen in zijn werk; voor zover er vrouwen voorkomen, zijn ze met weerzin en zelfs afkeer getekend. Fnuikend voor het lezerspubliek, dat immers voor het allergrootste deel uit vrouwen bestaat. Maar ook zijn zwartgalligheid dringt tot alle pagina’s door. Wat dit betreft is er moeilijk onderscheid te maken tussen ‘vorm en vent’ bij Naipaul. Hij was wreed tegenover vrouwen, een vrouwenhater eersteklas. Het treurige leven van Pat, zijn eerste vrouw, is genoegzaam bekend. Theroux heeft er uitvoerig over geschreven in de herinnering aan zijn vriendschap met Naipaul, Sir Vidia’s Shadow, maar ook Athill staat erbij stil in Stet, over haar leven bij uitgeverij Deutsch en de schrijvers die ze gekend heeft. The little I saw of Vidia and Pat together was depressing: there was no sign of their enjoying each other. Pat deed alles voor hem, maar werd fysiek en psychisch door hem mishandeld. Ondanks het feit dat ze zich volkomen wegcijferde, heeft hij haar jarenlang bedrogen en belogen en heeft hij haar openlijk te kakken gezet (no pun intended). Toen Athill haar een keer aansprak op het feit dat zij en Pat elkaar nooit zagen, zei ze: Vidia wil me nergens mee naartoe nemen omdat ik zo’n zeurpiet ben. From that moment on, schrijft Athill, whenever I needed to cheer myself up by counting my blessings, I used to tell myself ‘At least I’m not married to Vidia’.

 


De biograaf: vrije hand.

In The World Is What It Is gaat Patrick French eveneens uitvoerig in op het mislukte huwelijk, het bedriegen van Pat, het bedriegen van Margaret met wie hij Pat bedroog en het opzienbarende huwelijk met een Pakistaanse, zo’n dertig jaar jonger dan de auteur. Zie hoofdstuk 25: The Second Lady Naipaul. Het is een verhaal waarvan je hart ineenkrimpt. Ik heb het sterke vermoeden dat Naipauls biografie langer in de herinnering zal blijven dan veel van het oorspronkelijke werk. Maar het moet worden gezegd: de auteur heeft zijn biograaf de vrije hand gelaten en hem niet gecensureerd.

 

 

illustraties:

V.S. Naipaul; bron: news.sky.com en time.com
Diana Athill; bron: medium.com
Patrick French; bron: openthemagazine.com