Een oud-collega vroeg me dezer dagen of ik nog iets wist over het ‘leeronderzoek’ waar ik als student aan de Universiteit van Amsterdam ooit in had geparticipeerd — zélf had hij elders gestudeerd, dus alles wat hij wist was van ‘horen zeggen’. Het maakte herinneringen en sentimenten bij me wakker. Inderdaad moesten wij als studenten in de antropologie onderzoekservaring hebben opgedaan voordat we konden afstuderen. Een uitmuntende regel. In vakjargon heette het verrichten van onderzoek ‘veldwerk’. Eind jaren zestig bestond er een georganiseerd project in het Noordwesten van Tunesië, onder leiding van een docent. Eerst kennismaken met het gebied en de omstandigheden, daarna naar je ‘eigen’ dorp om je een paar maanden, met tolk, aan het onderzoek te wijden dat je zelf had bedacht en ontworpen. Ik weet niet of er vandaag de dag nog zulke projecten aan Nederlandse universiteiten bestaan; vermoedelijk niet, studenten gaan liever op eigen houtje het veld in en vinden alles op hun eigen manier uit.

Ik deed traditioneel antropologisch onderzoek, ‘verwantschapsalgebra’, zoals we het noemden. Hoe zit het met huwelijksverplichtingen in een verwantschapsstelsel waarbij een sterke voorkeur bestaat voor het zogenaamde ‘vadersbroedersdochtershuwelijk’: een man, in de praktijk vaak nog jongen, wordt geacht te trouwen met de dochter van een oom van vaderszijde, in casu een broer van zijn vader. Logischerwijs betekent dit dat na enkele generaties geen onderscheid meer bestaat tussen de kant van de moeder en de kant van de vader. In de antropologie is dat een bijzondere situatie omdat er praktisch altijd scherpe verschillen bestaan tussen die twee kanten. Dat blijkt bij voorbeeld bij huwelijken: de geschenken van de ene kant zijn veel groter en belangrijker dan van de andere kant. Het vadersbroedersdochter-stelsel, dat niet alleen in Tunesië voorkwam, maar in vrijwel heel Noord-Afrika en het Nabije Oosten, leidt ertoe dat iemands moeder en iemands vader tenslotte uit hetzelfde nest komen. Ik ging dus met een duidelijke hypothese het veld in: bij verwantschapsverplichtingen zou er géén onderscheid worden gemaakt tussen vaders kant en moeders kant.

Ik heb mijn hypothese onderzocht aan de hand van huwelijksgeschenken en ben bij alle volwassen mannen die bij huwelijken ooit iets gegeven hadden (geld, grond, goederen) langs geweest. Binnen de kortste keren wist ik precies hoe het met de verwantschap (en de huwelijksgeschenken) in het dorp zat: op een totaal van zo’n 125 inwoners was het aantal informanten gelukkig te overzien. Mijn kennis ging soms aanzienlijk verder dan die van degenen die ik ondervroeg — na enkele generaties terug wisten ze vaak niet meer hoe het precies zat, terwijl ik ook de verhoudingen van vijf of zes generaties terug op mijn duimpje kende. Na een paar maanden kon ik een aantal vragen bovendien zelfstandig, zonder tolk, stellen in het Arabische dialect dat hier gesproken werd.

Mijn hypothese werd niet bevestigd! Er werd, zeker bij huwelijken, wel degelijk een onderscheid gemaakt tussen vaderskant en moederskant: de broers van de moeder gaven grotere geschenken dan de broers van de vader, vaak wel twee keer zoveel. Iedereen weet dat, want bij huwelijken worden de giften in het openbaar gegeven en van luid commentaar voorzien. In het algemeen gesproken kon ik geen verklaring vinden voor deze onverwachte uitkomst. Het intrigeert me nog steeds en ik zou graag mijn gegevens, zo zorgvuldig en omstandig verzameld, nog eens bekijken. Maar ik ben in de loop van mijn leven alles over dat eerste veldwerk kwijtgeraakt, niet alleen mijn notities, aantekenboekjes, genealogieën, maar zelfs mijn uiteindelijke onderzoeksverslag. Wat ik nog heb is een verzameling foto’s, zwart-wit en niet erg instructief. Mijn gourbi heb ik op de foto: een hutje dat eruit ziet als een berg stro: takken met leem dichtgesmeerd en een dak van gedroogde bladeren. Mannen op de ragouba, vergaderplaats, mijn huisbaas Zaghdoud en het voormalige dorsphoofd Cheikh Ali. Bijbelse figuren, vond ik toen, wijze mannen die het leven kenden en veel hadden meegemaakt. Ze hebben me alles geleerd — geduldig, geestig, gracieus. Ik sta tussen hen in, twee koppen groter, spijkerbroek, aantekeningenboekje in borstzak van geruit overhemd, nog geen 27 jaar. Groen als gras.