Het moet dezer dagen flink gerommeld hebben in de buurt van Milaan, bij het Piazza Michelangelo in de wijk Buonarroti. Daar ligt Giuseppe Verdi begraven. De Nationale Opera in Amsterdam heeft in april zijn Macbeth geprogrammeerd – libretto van de befaamde Francesco Maria Piave, vrij naar Shakespeare. Uitvoerenden: Nederlands Philhamonisch Orkest, dirigent Marc Albrecht, Koor van de Nationale Opera, Andrea Breth, regie. We hebben in Amsterdam al veel uitvoeringen zien sneuvelen door tweederangszangers en idiote regisseurs, maar de mokerslagen waarmee nu het meesterwerk van Verdi in puin werd geslagen, was een nieuw dieptepunt. Het verwisselen van de decors, overigens van ongehoorde lelijkheid, nam kennelijk zoveel tijd in beslag dat de opera herhaaldelijk moest worden stilgelegd – dirigent en orkest zwegen voor een dicht gordijn, het publiek schuifelde onrustig op de stoelen heen en weer. Na enkele minuten, die uren leken, ging de voorstelling dan weer verder. Ik ben in verbijstering blijven zitten, maar had meteen gefrustreerd moeten opstappen, natuurlijk. Niet alleen de regie was stuitend, ook de zangers deugden niet. Verkeerd gecast, behalve de Koreaan Wookyung Kim (als Macduff) waren ze beter op hun plaats geweest in een Russische of Duitse opera: schelle, harde stemmen die klonken als schuurmachines. Het gerommel in Milaan was van de componist – hij draaide zich om in zijn graf. Ik kon het in Amsterdam horen.

Verdi was een jonge dertiger toen hij Macbeth componeerde, in maart 1847 ging het werk in première te Florence – bijna honderdzeventig jaar geleden. De componist was een groot liefhebber van Shakespeare en heeft op ingenieuze manier het oorspronkelijke toneelstuk tot opera verwerkt. Het dramatische hoogtepunt komt in het laatste bedrijf, als Verdi uitdrukkelijk zijn eigen interpretatie presenteert. In het toneelstuk ontmoet Macbeth het gezelschap heksen voor de tweede keer, waarna Shakespeare meteen oversnijdt naar Lady Macduff, die bezoek krijgt van twee huurmoordenaars, uiteraard gestuurd door Macbeth – in haar kasteel wordt vervolgens een massale slachting aangericht. ‘Vrouw, kinderen, bedienden, iedereen die ze konden vinden’, zoals Ross tegen Macduff zal zeggen. Verdi slaat dat allemaal over. Bij hem hoor je pas later dat de moordpartij heeft plaatsgevonden in het rouwbeklag van Macduff: ‘De wrede tiran heeft mijn kinderen vermoord en hun moeder ook; ze zijn verscheurd door de klauwen van een woeste tijger’. Op de achtergrond een stroom vluchtelingen uit Schotland, die zojuist een treurlied hebben gezongen over het jammerlijke lot van de weeskinderen, oude moeders en jonge bruiden die de ochtend niet meer zullen halen: patria oppressa! Verdi laat de aria van Macduff dreigend en opstandig eindigen, de muziek laat geen misverstand bestaan, hier staat nog heel wat te gebeuren. Verdi snijdt terug naar Lady Macbeth als haar echtgenoot bij de heksen geweest is – zoals gewoonlijk wordt hij geteisterd door twijfel. Maar ze vangt hem op en moedigt hem aan – veel meer dan bij Shakespeare is Lady Macbeth de kwade genius die haar man tot moord en doodslag aanzet. Het echtpaar verlustigt zich in het bloedbad dat Macbeth onder de resterende vijanden zal gaan aanrichten, de muziek stuwt ze voort naar een rauwe climax: Het uur van de wraak heeft geslagen, de zuilen van de hemel zullen beven, de wraak zal woeden als een storm bij onweer, dood de vijand, dat verderfelijke gebroed (…) bloed verlangt naar bloed en nog meer bloed!

De ingreep van Verdi is noodzakelijk om wat volgt, het absolute hoogtepunt van de opera: de slaapwandelscene van Lady Macbeth. Ze heeft bloed aan haar handen en loopt ’s nachts door het kasteel terwijl ze hysterisch probeert het bloed weg te wassen – een angstaanjagende gebeurtenis die met afgrijzen wordt gadegeslagen door een hofdame en de hofarts. Opmerkelijk bij opera in het algemeen, bij Verdi in het bijzonder, is de manier waarop de muziek de ogenschijnlijk bruuske overgangen tussen uiteenlopende scènes aan elkaar smeedt tot een lopend, dynamisch geheel, je krijgt geen rust, het gaat maar door, en door, op weg naar de onvermijdelijke climax. Alle ensceneringen die ik ooit heb gezien zijn daaraan ondergeschikt: regisseurs, decorbouwers, belichtingsexperts weten wat van hun wordt gevraagd – respectvolle ondersteuning van wat de meesterhand hier heeft aangegeven. Zo niet het team van de Nationale Opera in het Amsterdamse Muziektheater – tussen de genoemde scènes door stokt de muziek, gaat het gordijn dicht en wordt er op het toneel druk gehesen en geschoven. Verbijsterend! De musici zitten braaf te wachten tot ze de onheilspellende aanloop naar het eind kunnen voltooien. Weg betovering, weg drama, weg spanning, weg Verdi, weg Shakespeare. Juist door de mogelijkheden die opera biedt kun je het drama verdiepen en vergroten – de moordpartijen komen aanzienlijk pregnanter tot ‘leven’ dan in het toneelstuk het geval is. Verdi heeft de treurende vluchtelingen geïntroduceerd als omlijsting van de rouwende Macduff, de hele scène is nodig om ruimte te geven aan het opzwepende moordenaarsduet van het echtpaar Macbeth en om alle aandacht te kunnen schenken aan de slaapwandelende Lady Macbeth. Anticlimax.

Verdi was actief in een tijd dat de vloek van de operaregisseur nog niet op ons was neergedaald – hij zorgde niet alleen voor de muziek, maar bemoeide zich ook verregaand met de vormgeving op het toneel. Voor de première van Macbeth is eindeloos geoefend en Verdi was niet de makkelijkste. Hij zei niets, keek en luisterde, maakte aantekeningen en sprak daarover in afzondering met de dirigent. Hij liet soms met handbewegingen merken dat het tempo hoger of lager moest. Voor de hele opera zijn meer dan honderd repetities geweest, als het eindelijk goed was, kon er niet eens een bravo af, hij werd gehaat. Marianna Barbieri Nini, de allereerste Lady Macbeth, heeft drie maanden onafgebroken gestudeerd op haar rol, ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Haar duet met Macbeth heeft ze meer dan honderdvijftig keer moeten repeteren met de Maestro. Haar slaapwandelscène nog vaker. Later herinnerde ze zich hoe streng Verdi erop toezag dat ze haar partij zong terwijl ze zich voetje voor voetje over het toneel bewoog, zoals een slaapwandelaarster zou doen. Maar dat was nog niet genoeg, ze moest ook leren zingen zonder haar lippen te bewegen, met de rest van haar gezicht uitdrukkingsloos en doods. Tijdens de première kreeg ze een donderend applaus, ze trok zich terug in haar kleedkamer, terwijl de opera verder ging, ze was ontroerd en uitgeput, trilde als een rietje. Ze had zich half uitgekleed toen Verdi haar kleedkamer binnenstormde, druk gesticulerend alsof hij iets wilde zeggen, maar hij kon geen woord uitbrengen. Zijn ogen waren rood, alsof hij gehuild had. Hij greep haar handen vast en liep toen weer weg, er werd niets gezegd. ‘Dat scherpe moment vol emotie was meer dan een compensatie voor de vele maanden vol geploeter en opwinding’, vertelde ze tegen een journalist.

Regisseur Breth had misschien nog iets goed kunnen maken als ze de slaapwandelscène – ondanks de onderbrekingen vooraf en achteraf – in de geest van Verdi zou hebben opgelost, maar nee. Wat ik me nog herinner is de sopraan met wijd opengesperde mond waar een blikkerig gegil uit opsteeg – ik sloot mijn ogen en heb lijdzaam op het eind gewacht. In de krant las ik dat dirigent Albrecht, die niet eerder een Verdi-opera had gedirigeerd, dik tevreden was met de produktie en vooral ook met de enscenering. In het herdenkingsjaar van Verdi, twee jaar geleden, hebben we geen Verdi gezien, nu wordt hij achteloos op de mesthoop gekieperd.

 

illustraties:
Verdi; bron: en.wikipedia.org
poster Macbeth; bron: www.operaarts.com
Verdi dirigeert; bron: www.murashev.com