Soms moet je als vertaler iets uitleggen. Ik heb het op deze plaats al vaker over dat verschijnsel gehad. Arthur Langeveld bespreekt die noodzaak tot uitleggen in zijn Vertalen wat er staat. Je vertaalt een Engelse of Russische tekst over Engelse of Russische mensen voor een Nederlands publiek, betoogt hij. Dat publiek is natuurlijk wel op de hoogte van buitenlandse toestanden, maar niet zo goed als Engelsen of Russen zélf. Dat hoeft geen bezwaar te zijn, vervolgt de schrijver, maar er zou onbegrip kunnen ontstaan. Heel vaak wordt met een half woord gerefereerd aan dingen die in een bepaald cultureel gebied, in een bepaalde periode, iedereen volkomen bekend waren, maar die men bij een lezer in een andere cultuur en tijd niet zonder meer bekend mag veronderstellen. Langeveld geeft een sprekend voorbeeld van een Engelse tekst (van Joseph Conrad) over landkaarten in de koloniale tijd. De verschillende kleuren op die kaarten geven de onderscheiden bezittingen aan van de Engelsen, Duitsers en Fransen. Omstreeks 1900 zal dat voor een ontwikkeld publiek geen onoverkomelijk bezwaar zijn geweest, maar vandaag de dag zullen nog weinig mensen in staat zijn die verschillen te duiden. Je kunt het als vertaler laten zoals het is, met het risico dat bepaalde lezers de tekst niet begrijpen. Je zou misschien een verklarende voetnoot kunnen plaatsen, maar met zo’n lelijke oplossing kun je eigenlijk niet aankomen. Je moet er iets op verzinnen, zodanig dat je de tekst behoorlijk vertaalt, maar er een ‘uitleg’ in verwerkt. Uitdagend.

Met Dr Dick Plukker van het Amsterdamse India Instituut vorm ik al jaren een ‘vertaalduo’. We vertalen teksten uit het Hindi, een taal die door bijna een half miljard mensen in India wordt gesproken, met name in Noord-India. In Nederland wordt het Hindi bij de ‘kleine talen’ gerekend; wat een absurde aanduiding is, een omdraaiing van de feiten. In het verleden hebben we poëzie vertaald, een roman, korte verhalen en liedteksten uit Bollywoodfilms. Sinds een paar maanden vertalen we een bundel korte verhalen van één bepaalde schrijfster: Anu Singh Choudhary. Het gaat om नीला स्कार्फ़, uit 2014, dat we (voorlopig) vertaald hebben als De blauwe sjaal. Over het titelverhaal heb ik elders op deze plek al eens geschreven. Het is duidelijk dat het bovenstaande probleem zich extra doet gevoelen bij talen en culturen die voor een Nederlands publiek nog aanzienlijk exotischer zijn dan Langevelds voorbeelden van het Engels en Russisch.

Een probleempje deed zich voor in het verhaal Handlijnen (हाथ की लकीरें). Daarin draait het om Raniya, een jong meisje dat als persoonlijke bediende van een dure mevrouw de kost moet verdienen. Vanuit haar verbaasde ogen zien we de gelijktijdige zwangerschappen van haar eigen moeder en van de schoondochter in het huis waar ze werkt, Thakur Nivas. Moeder is  tot de laatste dag actief in haar vijf ‘werkhuizen’ en bevalt met behulp van een paar buurvrouwen. Een paar uur na de bevalling staat ze alweer in de keuken om eten klaar te maken voor haar omvangrijke gezin. De schoondochter, Bhabhi, is vanaf ongeveer de achtste maand opgenomen in de eenpersoonskamer van een particuliere kliniek en ligt daar de godganse dag in bed terwijl Raniya is aangesteld om haar in alles bij te staan. Het is een silent relationship, Bhabhi verwaardigt zich niet om iets tegen de bediende te zeggen, Raniya laat het wel uit het hoofd om haar mond open te doen. Raniya krijgt er een mooi broertje bij met pikzwart haar en een lichte huidskleur, ‘als van een Engelsman’. Bhabhi krijgt een dood kindje. Het contrast kan niet groter zijn.

Raniya is een slaapkop en is in staat om overal en altijd in slaap te vallen, tot grote ergernis van Mevrouw die de hele dag op haar loopt te schelden en tieren. De eerste zin van het verhaal spreekt boekdelen: Hé Raniya… hé Raniya. Sta je eindelijk op of wil je een klap? Je bent nog niet uit mijn ogen verdwenen of je ligt ergens languit te slapen… Sta je nu eindelijk op of blijf je me aanstaren met je grote ogen? Als het een snikhete dag in de zomer is en zelfs de braafste lieden de ogen niet open kunnen houden, valt Raniya onherroepelijk in slaap en dan komt het: want ze heeft toch al een goede relatie met Morpheus. Dat is onze ingreep, want in het Hindi staat iets anders. De Griekse god wiens naam wij als vertalers hebben gebruikt, is in de oorspronkelijke tekst een demon uit de Hindoeïstische mythologie, een bekend en geliefd personage uit de Ramayana (zoals opgeschreven door Valmiki), namelijk Kumbhakarna. Raniya wordt getypeerd als een iemand die een oude band met Kumbhakarna heeft (रनिया का तो यूं भी कुंभकर्ण से पुराना नाता हौ). Veel toepasselijker, want Morpheus is vooral van de dromen terwijl Kumbhakarna een dwangmatige slaper is. Slaap speelt in India een veel prominentere rol dan in de streken van Noordwest-Europa, Indiërs kunnen op alle tijdstippen en op alle plekken met veel gemak in slaap vallen, zelfs bij herrie waar horen en zien je vergaat. Raniya’s gedrag is in dat opzicht een stuk ‘normaler’ dan het optreden van haar tierende Mevrouw.

Maar ja, kun je bij een Nederlands lezerspubliek enige kennis veronderstellen over de Ramayana? Eerlijk gezegd vrezen we van niet, vandaar onze ingreep. We hebben daarbij gesmokkeld, want we hadden in feite de naam van de vader van Morpheus moeten gebruiken: Hypnos, de god van  de slaap. Excuus: Morpheus komt in Nederlandse teksten nog wel eens voor, van Hypnos kun je dat nauwelijks zeggen. De demon Kumbhakarna wordt nog een keer van stal gehaald door Choudhary. In hetzelfde verhaal. Wat mij betreft een zwakheid van de schrijfster. Een bepaald ‘beeld’ kan verhelderend werken, zoals de band tussen Raniya en Kumbhakarna, maar als je dat een paar bladzijden verderop opnieuw gebruikt, is de verrassing weg en de charme verdwenen. Een kwestie van stijl, zou ik denken en helaas is dat iets waar Choudhary weinig oog voor heeft. De slordigheid van literaire Hinditeksten kan niet alleen het gevolg zijn van uitgevers die geen redacteuren aanstellen om de teksten die ze publiceren kritisch te bezien, ook de schrijvers zélf hebben hier een verantwoordelijkheid. We zien bij Choudhary soms eenzelfde soort onverschilligheid tegenover het geschrevene als we keer of keer bij Manisha Kulshreshtra hebben geconstateerd, de schrijfster van Muze, de korte roman die we in 2016 hebben vertaald.

De tweede keer vindt plaats als Raniya in slaap is gevallen tijdens de bevalling van haar moeder. Het kind is geboren, de buurvrouwen proberen Raniya wakker te maken, maar dat lukt slecht. Raniya wordt wakker doordat een buurvrouw aan haar paardenstaart trekt. ‘Wat ben jij een slaapkop, Raniya. Je lijkt wel de tweelingzus van Kumbhakarna die ook altijd wil slapen. Ik ben al een uur aan het schreeuwen om je wakker te maken. Ga gauw naar binnen. Je hebt een broertje gekregen’. Dat staat in de oorspronkelijke tekst. Hoe moeten we daar Morpheus binnensmokkelen: je lijkt wel de tweelingzus van Morpheus? Dat hier Kumbhakarna wordt opgeroepen is toepasselijker dan bij de eerdere passage, want Kumbhakarna was inderdaad praktisch niet wakker te krijgen: hij sliep minimaal zes maanden achter elkaar en als hij wakker werd, moest je maken dat je wegkwam omdat hij alles opvrat wat in zijn buurt te vinden was.

 


Het wekken van Kumbhakarna

We hebben het laatste woord over de vertaling nog niet gesproken, maar het lijkt toch beter om Morpheus stilletjes te laten dromen en Kumbhakarna op zijn plaats te laten. Met het risico dat een deel van het lezerspubliek de wenkbrauwen zal optrekken. Ach, zo’n risico wil ik wel lopen.

 

illustraties
Het wekken van Kumbhakarna; bron: C.R. Sreenivasa Ayyangar, The Ramayana of Valmiki. Madras (The Little Flower) 1991
Anu Singh Choudhary; bron: blogs.dw.com