Ook al ga je een heel klein stapje terug in de tijd, dan nog loop je de kans te stuiten op zaken die je volkomen vreemd voorkomen. Ik had die gewaarwording toen ik deze week een schrift uit de kast haalde waarop de naam Het Parool was geplakt, blijkbaar uit de krant geknipt. Ik sloeg het open, had geen idee wat ik zou aantreffen. Tot mijn verrassing waren het de columns die ik in het begin van de jaren negentig voor die krant had geschreven op de Onderwijspagina; ik was het totaal vergeten. Ik had alle columns uitgeknipt en met plakband op de pagina’s van het schrift bevestigd. Omgevouwen om ze passend te maken. Zo’n vijfentwintig jaar geleden. Het plakband had inmiddels losgelaten, de columns fladderden op de grond bij iedere pagina die ik omsloeg. Aan de slordige manier van knippen, af en toe een flinke hap uit de tekst, kon ik afleiden dat ik dit werkje zélf had afgeleverd. Wat heeft me er ooit toe bewogen? Ik heb voor allerlei bladen (ook voor andere pagina’s van Het Parool) columns geschreven, maar nooit de moeite genomen ze op zo’n manier te bewaren. Ik vraag me zelfs af of ik ooit nog een andere oude column terug zou kunnen vinden.

Al lezend kwam ik inderdaad op onderwerpen die ik me nauwelijks meer kon voorstellen. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het onderwerp: het moest op de aan of andere manier over onderwijsaangelegenheden gaan. Ik herinner me ook dat ik me soms geremd voelde. In die tijd was ik decaan van een grote faculteit en in die hoedanigheid kon ik in het openbaar geen standpunten innemen die de gang van zaken aan de Universiteit van Amsterdam zouden verstoren, hoewel ik het af en toe graag heb gewild, want je werd soms overdonderd door alle gekkigheid die zich manifesteerde. De meeste stukjes gingen dus over ‘veilige onderwerpen’, liever geen academische politiek, maar vooral onderzoeksaangelegenheden. Of de lezers daarin bijzonder geïnteresseerd waren, betwijfel ik, maar ik hoopte dat ik de onverschilligen misschien toch aan de haak kon slaan.

Bij zo’n stap terug in de tijd heb je soms ook het gevoel dat er in die vijfentwintig jaar juist helemaal niets veranderd is: sommige opgewonden discussies die nu plaatsvinden, speelden toen ook al op grote schaal. Niets opgeschoten. Een voorbeeld is de positie van ‘etnische studies’, ‘vrouwenstudies’ en studies die zich richten op allerhande andere minderheden. Vandaag wordt de discussie over racisme (inclusief kolonialisme), al dan niet van de ‘alledaagse’ soort, gevoerd in het kader van opvattingen van figuren als Gloria Wekker. Vijfentwintig jaar geleden werd de toon gezet door de Amsterdamse hoogleraar Chris Mullard, verbonden aan het Centrum voor Raciale en Etnische Studies, misschien wel de leermeester van Wekker. Of mag je dat zó niet zeggen van een zwarte vrouw? Mullard was in ieder geval wél zwart, gelukkig. Aan de Rijksuniversiteit Utrecht was in diezelfde periode onrust ontstaan omdat de werkgroep die zich daar met de studie van multi-etnisch Nederland bezighield, ernstige bezwaren had tegen hoogleraar Han Entzinger: hij zou zich onvoldoende ‘solidariseren’ met het object van studie en weigeren om etnische groepen te beschouwen als zielige slachtoffers van het Nederlandse racisme.

 


Geen slachtofers, graag

Mullard ging de andere kant op: hij propageerde onderzoek vanuit ‘antiracistisch perspectief’. Dat betekent: onderzoek naar de positie van etnische minderheden zou alleen maar met vrucht plaats kunnen vinden door onderzoekers die zélf uit dergelijke groepen afkomstig waren. Witte mensen worden niet gediscrimineerd en kunnen dus niet oordelen over racisme, zou hij hebben gezegd tegen een verslaggever van de Volkskrant. De achterliggende veronderstelling is uiteraard dat alle mensen die niet wit zijn over één kam geschoren worden—ironisch genoeg precies het uitgangspunt dat je onder notoire racisten, zwart én wit, veelvuldig kunt aantreffen.

 


Zwarte markt

Dergelijke flauwekul deed het ook in kringen van ‘vrouwenstudies’ en ‘homostudies’ uitstekend. Inderdaad, er is de afgelopen decennia nog niet veel veranderd, hoewel… het is misschien alleen maar nóg erger geworden. Overigens is Chris Mullard ontslagen aan de Universiteit van Amsterdam, hij was niet alleen een morele sjoemelaar, maar ook een ordinaire fraudeur en oplichter. In mijn column had ik ook af en toe de gelegenheid om mijn vak, de antropologie, voor het voetlicht te brengen. Zoals toen in het najaar van 1991 een felle discussie woedde over de toename van ‘incest’. Door verschillende deelnemers aan het debat werd gewezen op het universele karakter van het taboe op incest—je kunt het vandaag de dag nog steeds allerlei wijsneuzen horen verkondigen. Maar ‘incest’ in Nederland is een buitengewoon eng begrip: het slaat op de situatie van het gezin en op (informele) seksuele betrekkingen daarbinnen, terwijl het in de antropologie een veel ruimere betekenis heeft en vooral gaat over (formele) huwelijksbanden. In Nederland wordt een huwelijk tussen volle neven en nichten als incest beschouwd, maar in tal van culturen is daar geen sprake van. In het Noord-Afrikaanse gebied waar ik ooit onderzoek heb gedaan, was een huwelijk tussen een jongen en de dochter van zijn vader’s broer, zijn oom dus, juist een nastrevenswaardig ideaal. Incest heeft een belangrijke functie: het brengt gradaties aan tussen familieleden en bakent de groep af van mensen op wie je altijd kunt terugvallen voor steun en toeverlaat. Ik ging in een andere column in op de bewering van een collega-hoogleraar uit de medische hoek die opzien baarde door haar stelling dat je in iedere menselijke cultuur de centrale waarden van onderlinge solidariteit, mededogen, rechtvaardigheid en respect voor het leven van mens en dier zou vinden. Voor gelovigen een moeilijk te verteren standpunt, zeker bij iemand uit de geneeskundige sector: wordt de moraal immers niet door een of andere God opgelegd? Ik liet zien dat het standpunt van de medicus misschien buitengewoon controversieel was in Gereformeerd Nederland, maar verder volstrekt onhoudbaar. Je moet altijd héél erg voorzichtig zijn met uitspraken over ‘universele’ waarden of gebruiken. De gewone ervaring leert meestal al snel dat zulke waarden en gebruiken buiten de eigen samenleving heel anders uitpakken.

Mijn laatste column ging over de openbaarheid als centraal streven van wetenschappelijke onderzoekers. Dit naar aanleiding van een kritische opmerking van Johannes Van Dam (die in Het Parool niet alleen over koken en restaurants schreef, maar ook over Amsterdam) over een interview dat ik had gegeven aan een journalist van de Haagse Post. Dat ging over de manier waarop mensen zich in de grote stad tegen ‘gevaar’ proberen te wapenen. Van Dam vond dat de resultaten van mijn onderzoek naar dat onderwerp óók de gemeenschap ten goede moesten komen, zodat de politie er iets mee kon doen bij voorlichtingscampagnes. Ik liet Van Dam zien dat de resultaten van onderzoek niet onbekend blijven omdat onderzoekers die voor zichzelf houden, zoals hij parmantig beweerde, maar omdat geen hond er gewoonlijk belangstelling voor heeft. Ik schrijf in principe voor alle mensen die kunnen lezen, merkte ik op, stukken van mijn hand verschijnen in tijdschriften en boeken, zoals het hoort, en deze zijn openbaar en dus door iedereen te raadplegen. Wat er ook allemaal veranderd mag zijn in vijfentwintig jaar academisch Nederland, ik hoop dat waarden als deze nooit verloren gaan.

 

illustraties
Chris Mullard; bron: sohu.com
Han Entzinger; bron: nl.wikipedia.org
cartoon van Columnist; bron: cartoonstock.com