Na mijn kandidaatsexamen kreeg ik een aanstelling als ‘kandidaatsassistent’, een functie die allang niet meer bestaat aan de universiteit. Het was een veredelde secretaressebaan, waarmee ik niets denigrerends bedoel. Ik moest hand- en spandiensten verrichten voor de hoogleraar – hij was destijds decaan van de faculteit en had het druk (zijn faculteitsbureau was een ‘halve’ secretaresse – toen ik vele jaren later zelf decaan werd, had ik een faculteitsdirecteur naast me die een onoverzichtelijk groot bureaucratisch apparaat beheerde met afdelingen onderwijs, onderzoek, personeelszaken, gebouwbeheer en wat al niet). Voor mijn hoogleraar moest ik literatuur opzoeken in de UB, uittreksels vervaardigen, citaten controleren, eventueel een fotokopie maken. Ik leerde snel en doelmatig werken en ik kreeg een uitgelezen schrijfpracticum, want met duistere stukjes tekst hoefde ik niet aan te komen. Ik assisteerde bij het onderwijs, hield lijsten van studenten bij en werd geacht zelf snel (en goed) af te studeren, ik had een voorbeeldfunctie. Ik heb een vermoeden dat veel tegenwoordige studenten zouden zeggen: ‘ondankbare rotklusjes!’, maar ik dacht er anders over. Het was een stimulerende en buitengewoon leerzame periode, die me uitstekend voorbereidde op het intellectuele handwerk: het ontwikkelen van zitvlees, systematiek, zorgvuldigheid en creativiteit. Het was de tijd dat het positivisme onder vuur begon te liggen en uit naam van het Marxisme als naïef (of erger) werd verworpen. ‘Objectieve wetenschap’ bestond niet volgens de nieuwlichters, onderzoek was altijd partijdig en moest in dienst staan van de klassenstrijd (aan de goeie kant, natuurlijk). Mijn hoogleraar vroeg me om voor hem op te zoeken wat Marx zoal over ‘objectiviteit’ had opgemerkt; ik weet niet precies meer wat ik vond, maar ik herinner me dat het allemaal nogal ‘positivistisch’ klonk wat de grote baas daarover had geschreven.

In het kader van mijn assistentschap heb ik veel energie gespendeerd aan wat destijds voor velen de kern van de antropologie was: huwelijk en verwantschap, de fundamentele structuur van iedere samenleving en met name de zogenaamde ‘primitieve’ samenlevingen in Afrika, Azië, Oceanië en Amerika. Les structures élémentaires de la parenté van Claude Lévi-Strauss en Social Structure van G.P. Murdock waren onze ‘klassieken’, zij het dat we in Amsterdam niet veel moesten hebben van het esoterische Franse structuralisme maar eerder koersten op de empirisch georiënteerde Angelsaksische onderzoekstraditie. Toen ik op het eind van mijn studie voor het eerst serieus veldonderzoek ging doen – in Tunesië – was mijn probleemstelling duidelijk ‘Murdockiaans’. Het ging over verwantschapsverplichtingen bij huwelijken. In veel samenlevingen bestaat een duidelijk verschil tussen vaders kant en moeders kant: de man die trouwt krijgt méér geschenken en diensten van de broers van zijn moeder dan van die van zijn vader. Met de verwanten van moeders kant bestaat een warmere band dan met de andere kant. Hoe zat dat in Tunesië? Het sterk patrilineair georiënteerde verwantschapsstelsel werd gekenmerkt door een uitgesproken huwelijkspreferentie: het ideale huwelijk is tussen een jongeman en zijn ‘volle nicht’ (onze verwantschapsterminologie is zó primitief dat we daar geen specifieke term voor hebben) van vaders kant, vaders broeders dochter (of: vabrodo, zoals we dat plachten af te korten). In plaatselijke taal: bint’ammi. In andere samenlevingen bestaan eigen voorkeurshuwelijken, heel vaak met moedersbroedersdochter, bij voorbeeld (mobrodo). Hoewel lang niet ieder huwelijk precies aan dat ideaal kan voldoen, door allerlei redenen, is de consequentie van zo’n regel evident: na enkele generaties is er geen onderscheid meer tussen vaders kant en moeders kant: alles is vaders kant. Ook omdat een geaccepteerd alternatief bij voorbeeld het vadersbroederszoonsdochter-huwelijk was (vabrozodo).

Ik ging het veld in, zoals wij dat noemen, met de verwachting dat er bij huwelijksfeesten dus géén verschil zou bestaan in de geschenken die het bruidspaar kreeg van vaders kant en moeders kant, een zogenaamde ‘nulhypothese’. In Social Structure stond deze theoretische consequentie met zoveel woorden genoemd, zwart op wit. Niemand die de achterliggende logica ooit ter discussie had gesteld. Mijn onderzoek liep op rolletjes, denk ik achteraf: ik heb een inventaris gemaakt van alle verwantschapsbetrekkingen in ‘mijn’ dorp, een gehucht in de bergen van de Khroumirie, dichtbij de Algerijnse grens. Vervolgens heb ik iedere getrouwde man (het was voor mij volstrekt ondenkbaar om vrouwen te benaderen) gevraagd naar zijn huwelijksgeschenken: wat heb je gekregen? van wie? Het ging om diensten, grond, vee en/of geld. Opmerkelijk genoeg was dat exact bekend bij iedereen die ik ondervroeg en velen wisten het van elkaar. Op huwelijksfeesten worden de geschenken openlijk gegeven (of toegezegd) en hardop besproken; er wordt een nauwgezette boekhouding van bijgehouden, die is iedereen ingeprent.

Het resultaat was verrassend: er bleek wel degelijk een systematisch verschil te bestaan tussen vaders kant en moeders kant – moeders broers gaven doorgaans gewoonlijk minstens twee keer zoveel als de broers van vader. Mijn nulhypothese moest worden verworpen. Ik was buitengewoon tevreden met deze onverwachte uitslag – ik had een klein stukje van de gevestigde verwantschapstheorie ondergraven en daarmee een (bescheiden) bijdrage aan het vak geleverd – en ik heb mijn best gedaan dit alles in mijn afstudeerscriptie breed uit te meten. Ik kreeg er een hoog cijfer voor en mijn begeleider drong erop aan de resultaten om te werken voor een wetenschappelijk tijdschrift. Mijn vorm van ‘valorisatie’.

Waarom wijd ik hier over uit? Tja, dat is makkelijk te raden. Onlangs verscheen Wetenschapsvisie 2025, uit de koker van minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker, waarin de nabije toekomst van het Nederlandse wetenschapsbedrijf uiteen wordt gezet. Academisch werk moet maatschappelijk relevanter worden, meer worden bepaald door niet alleen het bedrijfsleven maar ook de ‘bevolking’, whatever that may be. Er moet meer samenwerking komen, de zaken moeten beter op elkaar worden afgestemd. Het lijkt een flauwe afspiegeling van de eisen tot maatschappelijke relevantie uit de jaren zeventig; was dat de tijd dat Bussemaker studeerde, als ze dat tenminste ooit heeft gedaan? De wetenschap dient te verdwijnen uit de ‘ivoren toren’, luidt de visie. Hoe vaak hebben we dat nu al horen zeggen door beroepspolitici? Ze worden nooit moe van de herhaling en weten er blijkbaar steeds weer mee te scoren. Iedere aanval op de werken van de geest – kunst, cultuur en wetenschap – wordt in Nederland met grote instemming en luid applaus begroet.

Alles wat ik erover lees en hoor vervult me met afgrijzen en weerzin. Het komt natuurlijk niet onverwacht – sinds ik bij de universiteit en het wetenschappelijk onderzoek betrokken ben, heb ik niet anders dan afbraak meegemaakt, voortkomend uit diep wantrouwen tegen academische professionals, minachting voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. Studieduurverkorting, onderzoekscholen, onderwijsinstituten, bekostigingssystemen, universitair bestuur, eindeloze reorganisaties – wat het ook was: alles heeft ertoe bijgedragen dat de universiteit in handen geraakt is van directeurtjes en adviseurtjes die de kerntaken van de universiteit in opdracht van politiek Den Haag aldoor maar verder uithollen. Onderzoeksgelden worden verdeeld door NWO, dat in mijn tijd nog ZWO heette (de Nederlandse Organsatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek) – een ongehoorde bureaucratische beerput.

Ik kan me herinneren dat aan mijn eigen universiteit het niet-wetenschappelijke personeel voor het eerste omvangrijker was dan het wetenschappelijke personeel, dat moet ergens in het begin van de jaren 1990 geweest zijn. Het zal nu zonder twijfel ongeveer in een verhouding 3 : 1 staan. Het reserveren van collegezalen, wat je als docent altijd zelf deed, loopt tegenwoordig via een ‘facilitheek’ en van de onderwijsadministratie mocht ik geen 6-min meer geven want dat kon niet geadministreerd worden, het moest 5,49 zijn (net niet voldoende) of 5.51 (net wel voldoende). Het universitaire leven wordt in toenemende geregeld door functionarissen die zelf geen enkele binding met onderzoek of onderwijs hebben, maar er desondanks over beslissen. Niets functioneert meer zoals zou moeten.

Ook Wetenschapsvisie 2025 straalt een totaal gebrek aan gevoeligheid voor wetenschappelijk onderzoek uit. Kun je leken laten beslissen over de richting van onderzoek? O, ja, mijn krant heeft enthousiast lezers uitgenodigd om voorstellen te doen: een educatieve strippenkaart, zegt de een, meer toegepast ouderenonderzoek, zegt de ander, nucleaire energie, basisinkomen, MRI-scans zonder geluid, onderzoek naar resistentie van tumoren, aandacht voor moeilijk lerende scholieren, zonnepanelen in de Sahara of op satellieten. Het zijn particuliere hobby’s die zonder enig benul van de stand van zaken in het onderzoek of van het karakter van wetenschappelijk onderzoek worden uitgedragen. Bussemaker en haar kornuiten denken dat wetenschappelijk onderzoek een maniertje is, een flauw trucje dat je overal en op ieder gewenst moment kunt inzetten – met het gewenste resultaat als onveranderlijke uitkomst. Je wilt een educatieve strippenkaart? Druk op de knop en hij rolt eruit! Zonnepanelen in de Sahara? Een belletje naar Den Haag en het is gepiept. Waarom zouden we eigenlijk nog onderzoek doen? Bussemaker is Sinterklaas en Zwarte Piet inéén.

Ik denk aan mijn eerste onderzoekservaring in Tunesië omdat ik me realiseer dat zulk onderzoek onder het regime Bussemaker volstrekt kansloos is. Onderzoek dat geen direct aantoonbaar maatschappelijk nut vertegenwoordigt, maar louter en alleen bedoeld is om bestaande wetenschappelijke inzichten te toetsen, wég ermee! Mijn verwantschapsonderzoek was volstrekt nutteloos voor ‘de maatschappij’, ongetwijfeld, maar ik schaam me allerminst. Het was op z’n minst nuttig voor mij – ik ben er een degelijke onderzoeker door geworden. Wat Bussemaker en haar kornuiten niet weten is dat veruit de meeste praktische, maatschappelijke ‘kennis’ niet aan de universiteit wordt opgedaan, maar op het werk waar de afgestudeerde academicus terechtkomt. Hoe beter zijn onderzoekskwaliteiten ontwikkeld zijn, deste gemakkelijker valt het hem zich aan te passen op de werkvloer. Bussemaker en haar kornuiten zijn niet alleen oliedom en wereldvreemd, maar ook cynisch (het gaat dikwijls samen): wetenschappelijk onderzoek interesseert ze geen lor, het gaat ze om bezuinigen en iedere stok waarmee ze de hond kunnen slaan is meegenomen.

Je mag hopen dat het huidige kabinet verdwijnt voordat Bussemaker en haar kornuiten de vrije hand krijgen, hoewel ik me weinig illusies maak over het volk wat daarna zijn opwachting zal maken. Vooral voor de wetenschapsgebieden waar veel geld, apparatuur, laboratoria voor nodig zijn, ziet de toekomst er duister uit. Voor mijn soort vakken is er gelukkig altijd een schrale troost: voor ons onderzoek heb je nu eenmaal niet veel nodig. Een schrijfblok en een pen, dat is genoeg. O ja, en een beetje gezond verstand natuurlijk.