De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft vernietigend uitgehaald naar de Nederlandse vleesverwerkende industrie, las ik in de krant (NRC Handelsblad 27 maart 2014). Het gaat over de menging van rundvlees en paardenvlees, poep op de karkassen van de geslachte dieren, een overmaat van antibioticum, falend toezicht van dierenartsen, gebrek aan hygiëne, onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid. Mij verbaast het niet als ik lees dat in het Brabantse slachthuis Vion alleen al dagelijks bijna 20.000 varkens worden ‘verwerkt’: in kooien geplaatst, verdoofd, gedood, onthaard, in stukken gesneden, voor consumptie geschikt gemaakt. Woordvoerders van het bedrijf zeggen, volgens nog steeds NRC Handelsblad, dat er geen controleurs nodig zijn: een blik op de computer zou volstaan, want je kunt daar precies controleren wat er per dag binnenkomt en uitgaat. Neem wat monsters en klaar is Kees. Inderdaad, hoeveel dierenartsen moet je inschakelen bij deze enorme produktie? En dan heb je nog maar één bedrijf gehad. Het kan niet anders, of je moet de vleesindustrie zichelf laten controleren. Nou, dan weet je genoeg.

slacht

 

 

 

 

 

Zulke berichten roepen een geschiedenis in herinnering; ik heb me lang beziggehouden met de Amerikaanse stad Chicago, waar zich eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw de grootste concentratie van vleesverwerkende industrieën ter wereld bevond — misschien nog steeds. Een hypermoderne bedrijfsvoering, waar al vroeg de lopende band werd ingevoerd. Tal van flankerende bedrijven waren innig met de gigantische slachterijen verbonden: chemische fabrieken, allerlei bedrijfstakken voor geneesmiddelen, verf, leerverwerking en wat al niet. ‘Van het varken wordt alles gebruikt, behalve zijn doodskreet’, werd gezegd. Vanaf het begin waren er ook kritische geluiden. In 1899 verscheen het boek Packingtown van A.M. Simon over de plaatselijke abattoirwijk. De auteur liet zien wat een rotzooi er werd ingeblikt door de vleesverpakkers: afval, doodzieke dieren, maar ook mensenvingers.

De grote paniek brak uit in 1906, toen de journalist Upton Sinclair zijn verslag over dit complex — in romanvorm, om meer mensen te bereiken — publiceerde: The Jungle. Het verhaal van Jurgis Rudkus en zijn gezin, kersverse immigranten uit Litouwen, door Sinclair gecomponeerd uit de talrijke getuigenissen die hij tijdens een maandenlang verblijf in Packingtown verzamelde. Als Jurgis en zijn vrouw — die maar twee woorden Amerikaans kenden, ‘Chicago’ en ‘stockyards’ (het slachtterrein) — na aankomst in de stad de abattoirs bezoeken, lijkt het of ze het beloofde land zien: ‘In the twilight it was a vision of power. To the two who stood watching while the darkness swallowed it up, it seemed a dream of wonder, with its tale of human energy, of things being done, of employment for thousands upon thousands of men, of opportunity and freedom, of life and love and joy’. Alles gebeurde machinaal en professioneel, ‘pork-making by applied mathematics’.

boekomslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De werkelijkheid is rauw en Sinclair laat vooral zien hoe niet alleen de varkens en koeien, maar ook de arbeiders ‘verwerkt’ worden: bedrijfsongelukken aan de lopende band, ontslagen bij vermindering van arbeidsproductiviteit, totaal gebrek aan hygiëne, uitbuiting aan alle kanten. Het boek veroorzaakte een schandaal, niet alleen in de Verenigde Staten en Engeland, het werd in twintig talen vertaald en lange tijd was Sinclair de enige Amerikaanse schrijver die later, in het Stalinistische Rusland, gelezen mocht worden. President Roosevelt zette zijn adviseurs onder druk en nog in hetzelfde jaar werd de Pure Food and Drugs Act aangenomen; in Duitsland werden de invoerrechten op vlees en vleesprodukten aanzienlijk verhoogd.

jungle

 

 

 

 

 

 

 

 

Of de wetgeving veel geholpen heeft, is maar zeer de vraag, zoals we ook kunnen zien aan het rapport van de Onderzoeksraad. De industrie is te omvangrijk en ook te weinig ‘zelfreinigend’ om de standaarden hoog te houden. Upton Sinclair was overigens in eerste instantie in de arbeiders geïnteresseerd en laat op larmoyante manier zien hoe Jurgis Rudkus (letterlijk en figuurlijk) tussen de raderen van de vleesindustrie wordt vermalen. Het was voor de auteur een uitgelezen manier om zijn propaganda voor het socialisme te kunnen spuien. Het effect van zijn  boek stelde hem dan ook nogal teleur: ‘ik had gedacht dat ik mijn lezers in het hart zou raken, ik heb ze in hun maag geraakt’.