De eerste regel van de voedselverspilling luidt: hoe vaker mensen hetzelfde dieet volgen, deste minder voedsel ze verspillen. Het klinkt misschien wat merkwaardig, maar het is proefondervindelijk vastgesteld. In de jaren zeventig sloeg in de Verenigde Staten van Amerika de markt voor suiker op hol: suiker verdubbelde in prijs en uiteraard ook de producten met een hoog suikergehalte. Gevolg: mensen begonnen op grote schaal zulke producten te hamsteren en er werd daardoor veel meer suiker weggegooid dan ‘normaal’. Een  paar jaar daarvóór was er iets dergelijks geconstateerd toen er een tekort aan rundvlees was. In de periode van de schaarste werd er veel meer vlees weggegooid dan gewoonlijk.

Ik heb deze wijsheid niet van mezelf, maar het schoot me te binnen toen ik een dag of wat geleden in de krant een bericht zag staan over consumentenverspilling, zoals onderzocht aan de Landbouw Universiteit Wageningen. In 2005 had de FAO vastgesteld dat naar schatting éénderde van al het voedsel dat bestemd is voor menselijke consumptie verloren gaat of wordt verspild. Omgerekend naar calorieën betekent dat een kwart, waarvan bijna 10 procent op de rekening van de consument komt. De Wageningse onderzoekers zijn anders te werk gegaan: een berekening op basis van onder andere lichaamsgewicht, besteedbaar inkomen en het beschikbare voedsel in meer dan zestig landen. De acht procent van de FAO is volgens deze benadering vermoedelijk veel te laag en moet in werkelijkheid in de buurt van de twintig procent liggen. Het onderzoek laat zien dat de verspilling met name sterk toeneemt in de zogenaamde ‘middeninkomenslanden’, zoals de Filippijnen en Indonesië. Een van de onderzoekers onderstreept trouwens dat de gevolgde rekenmethode nogal ‘grofmazig’ is. Cijfers over voedselproductie zijn relatief oud en niet al te betrouwbaar, de uitkomsten kunnen in werkelijkheid afwijken.

Zelf ben ik geen verspiller van voedsel, hooguit schillen, koffiedrab of gebruikte theezakjes; ik zie er niet tegenop om dingen te eten die officieel ‘over de datum’ zijn. Ik kan me scherp herinneren hoe geschokt ik was tijdens mijn ‘noodreisjes’ op de Holland-Amerika Lijn, waar ik werkte als pantrybediende in de maanden tussen mijn schooltijd en diensttijd. Al het stormachtig weer was, kwamen tal van passagiers niet ontbijten. Zeeziek. Maar voor iedere dag was een bepaalde hoeveelheid voedselproducten gereserveerd die op de een of andere manier ‘op’ moest: sinaasappelen, eieren, boter, meel en dergelijke. Als het ontbijt op de stormachtige dagen achter de rug was, volgde ik de pantrybaas naar een deur in de wand van het schip. Ik zeulde met een steekwagentje waarop kisten vol verse waar gestapeld waren. De deur werd geopend en alles werd in de woelige baren gekieperd. In reactie op mijn verbijstering bood de baas een alternatief aan. Als je het zonde vind, schamperde hij, mag je het zelf allemaal opeten. Hij was oprecht verbaasd over zoveel fijngevoeligheid. Met lede ogen zag ik aan hoe al dat voedsel in de golven verdween. Iedere dag opnieuw.

De bovengenoemde regel van de voedselverspilling put ik uit een serieuze studie die ik zo’n 25 jaar geleden voor 6 dollar uit de ramsj plukte in een New Yorkse boekhandel (ik heb jarenlang vóór in mijn boeken opgetekend waar en wanneer ik ze had gekocht). Het is geschreven door William Rathje en Cullen Murphy: Rubbish. The Archeology of Garbage. New York (HarperCollins) 1992. Ik kende Rathje via via, hij was professor in de antropologie aan de Universiteit van Arizona. Jarenlang heeft hij met studenten en medewerkers archeologische opgravingen gedaan op vuilstortplaatsen in uiteenlopende gebieden van de VS. Met grote nauwkeurigheid hebben ze vastgelegd wat mensen zoal wegsmijten.


Tellen en meten van soorten afval

In het begin van het onderzoek wisten ze niet precies wat hen te wachten stond, dus een duidelijke leidraad ontbrak. Antropologen zijn trouwens vanouds gewend om op die manier aan onderzoek te beginnen: we hebben geen scherp idee over wat we zullen aantreffen, dus laten we eerst maar eens  gaan rondkijken. Ik kan me uit gesprekken met betrokkenen vagelijk herinneren dat de vraagstelling werd ingegeven door de komst van het computertijdperk: de verwachting (door velen gedeeld) was dat je als gevolg daarvan veel minder papier bij het afval zou vinden. Een andere veronderstelling was, daarover was ook vrijwel iedereen het eens, dat de vuilstortplaatsen zouden stikken van het plastic, met name plastic verpakkingsmateriaal, maar ook andere plastic troep. Beide verwachtingen werden door de opgravingen geloochenstraft. Plastic afval viel ontzettend mee terwijl weggegooid papier alleen maar in omvang was gegroeid.

Wat niemand had verwacht, was de enorme hoeveelheid verspild voedsel, niet alleen etensresten, maar complete maaltijden in alle soorten en maten. Wat dat betreft zijn de bevindingen van de FAO en Wageningen bepaald niet wereldschokkend—hoewel Rathje’s onderzoek uiteraard betrekkelijk kleinschalig is geweest en strikt beperkt is gebleven tot de VS. Zou zijn regel voor voedselverspilling nog opgaan? Zijn  redenering klinkt in mijn oren alleszins redelijk en overtuigend. Je treft eigenlijk nooit afval aan van producten die mensen dagelijks en veelvuldig gebruiken. Hij noemt het voorbeeld van ‘verpakt, gesneden, casinobrood’. Dat wordt in vrijwel alle Amerikaanse huishoudens de hele dag door gebruikt, al dan niet in de vorm van geroosterd brood of sandwiches. Op de vuilstortplaatsen vind je hooguit korstjes of kleine stukken brood. Een heel verschil met wat hij noemt de specialty breads: hotdog-broodjes, bagels, muffins, kaiser rolls, biscuit. Daarvan wordt 30 tot 60 procent weggegooid—het zijn producten die slechts af en toe worden gekocht, vaak voor speciale gelegenheden; ze eindigen achterin de koelkast of onderin de brodtrommel en na verloop van tijd verdwijnen ze in de vuilnisbak. Rathje heeft ook vuilstortplaatsen bij de Amerikaans-Mexicaanse grens onderzocht: daar wordt bijna geen voedsel gevonden. Mexicanen eten allerlei verschillende maaltijden, maar de ingrediënten zijn steeds overeenkomstig: stukjes vlees of kip, bonen, tomaten, uien, pepers, sla. Wat in de ene schotel geen plaats krijgt, kan in de volgende schotel wél worden gebruikt.

Rathje en zijn onderzoekers hebben geschat dat Amerikaanse gezinnen omstreeks 15% van hun voedsel weggooien, ze zitten daarmee maar nét onder het Wageningse cijfer (voor het gemak even afgezien van de omrekening in calorieën). Slechts een kleine minderheid van vuilnisbakken bevatte helemaal geen voedsel of voedselresten. Als ze gelijk hebben, ziet de toekomst en wat dit betreft zorgelijk uit. Voedsel is de laatste jaren steeds meer een statusattribuut geworden: je wordt geacht exotische en hypergezonde ingrediënten te eten en overal staan deskundigen klaar om je te wijzen op de heilzame werking op je lichamelijke conditie. Reclames laten zien hoe aantrekkelijk het is om originele, nieuwe producten te consumeren. Hoe meer dat aanslaat, deste meer verspilling kunnen we verwachten.

 

illustraties
William Rathje en Cullen Murphy; bron: Rubbish
schema voor opgravingen; bron: Rubbish